Lukas 9:18-27
In deze verzen hebben wij Christus, sprekende met Zijne discipelen over de grote dingen, die het koninkrijk Gods aangaan, en er wordt van ene omstandigheid in Zijne rede hier melding gemaakt, die wij in de andere evangelisten niet gehad hebben namelijk dat Christus alleen was biddende, en Zijne discipelen met Hem, toen Hij over deze dingen begon te spreken, vers 18. Merk op:
1. Hoewel Christus veel werk te doen had in het openbaar, vond Hij toch tijd om alleen en in afzondering te zijn, ten einde met zich zelven, met Zijn Vader en met Zijne discipelen te kunnen spreken.
2. Als Christus alleen was, bad Hij. Het is goed voor ons om onze eenzaamheid te benuttigen tot gebed, opdat, als wij alleen zijn, wij niet alleen zullen zijn, maar den Vader met ons zullen hebben.
3. Als Christus alleen was, biddende, waren Zijne discipelen met Hem, om zich te verenigen met Zijn gebed, zodat het aldus een gebed was van het gezin. Hoofden van gezinnen moeten met de leden van hun gezin bidden, ouders met hun kinderen, meesters met hun dienstboden, leraren en onderwijzers met hun leerlingen en pupillen.
4. Christus bad met hen, voor Hij hen ondervroeg, opdat zij door Zijn gebed voor hen bestuurd en bemoedigd zouden worden om Hem te antwoorden. Wij moeten met en voor diegenen bidden, aan wie wij onderwijs geven.
I. Betreffende Hem zelven, en Hij vraagt:
1. Wat de scharen van Hem zeggen: Wie zeggen de scharen, dat Ik ben? Christus wist het beter dan Zijne discipelen, maar Hij wilde hen, door de vergissing van anderen omtrent Hem, bewust maken van hun voorrecht, dat zij ingeleid waren in Zijne kennis en in de waarheid Hem betreffende. Wij moeten kennis nemen van de dwaling en de onwetendheid van anderen, ten einde Hem er des te meer dankbaar voor te wezen, die zich aan ons heeft geopenbaard, en niet aan de wereld, en mede- lijden te hebben met hen, en te doen wat wij kunnen om hen te helpen en hen te onderwijzen. Zij zeggen Hem welke gissingen zij omtrent Hem gehoord hebben in hun gesprekken met de scharen. De leraren zouden beter weten hoe hun onderwijs, hun bestraffingen en vermaningen in te richten voor het volk, indien zij meer in gesprek met hen kwamen, en dus gemeenzamer met hen bekend werden. Zij zouden dan beter weten wat te zeggen om hun dwaalbegrippen te bestrijden, hun ongeregeldheden te verbeteren, hun vooroordelen weg te nemen. Hoe vertrouwelijker de arts met zijn patiënt spreekt en omgaat, hoe beter hij weet wat hij voor hem doen moet. Sommigen zeiden dat Hij Johannes de Doper was, die slechts kort tevoren was onthoofd, anderen Elias, of een der oude profeten, ieder en alles, behalve wie en wat Hij werkelijk was.
2. Wat zij, de discipelen, van Hem zeiden. "Ziet nu het voordeel en voorrecht van uw discipelschap, gij weet beter." "Dat doen wij ook", zegt Petrus, "dank zij onzen Meester er voor, wij weten, dat Gij zijt de Christus Gods, de Gezalfde Gods, de beloofde Messias". Het is een zaak van onuitsprekelijke vertroosting voor ons, dat onze Heere Jezus Gods Gezalfde is, want dan heeft Hij ook ontwijfelbaar gezag en macht voor Zijne onderneming, want Zijn gezalfd zijn betekent, dat Hij er toe verordineerd is, er bekwaam en bevoegd toe is. Nu zou men verwacht hebben dat Christus Zijnen discipelen, die zo ten volle bekend waren met en overtuigd waren van deze waarheid, zou bevelen om haar bekend te maken aan allen die zij ontmoetten, maar neen, Hij gebood hun scherpelijk, dat zij dit -vooralsnog-niemand zeggen zouden, want er is een tijd voor alle dingen. Na Zijne opstanding, die het bewijs er van voltooide, heeft Petrus den tempel er van doen weerklinken, dat God dezen Jezus tot een Heere en Christus gemaakt heeft, Handelingen 3:36. Maar thans waren de bewijzen nog niet gereed om in hun geheel overgelegd te worden, en daarom moet het nog verborgen blijven, hieruit kunnen wij dus opmaken, dat het geloof er aan toen nog niet nodig was ter zaligheid.
II. Betreffende Zijn eigen lijden en dood, waarvan Hij totnutoe nog weinig gesproken had. Nu Zijne discipelen wèl bevestigd waren in het geloof, dat Hij de Christus was, en instaat zijn het te dragen, spreekt Hij er uitdrukkelijk van en met grote stelligheid, vers 22. Dit komt hier als een reden, waarom zij vooralsnog niet moeten prediken, dat Hij de Christus is, want de wonderen, die Zijn dood en opstanding zullen vergezellen, zullen het overtuigendst bewijs zijn, dat Hij de Christus Gods is. Het was door Zijne verhoging aan de rechterhand des Vaders, dat Hij ten volle verklaard werd de Christus te zijn, evenals door het zenden daarna van den Geest, Handelingen 2:33, en daarom wacht, totdat dit zal geschied zijn.
III. Betreffende hun lijden voor Hem. Zo weinig moeten zij er aan denken Zijn lijden te willen voorkomen of te beletten, dat zij zich veeleer op hun eigen lijden moeten voorbereiden.
1. Wij moeten ons gewennen aan zelfverloochening en lijdzaamheid, vers 23. Dit is de beste toebereiding voor het martelaarschap. Wij moeten een leven leiden van zelfverloochening, doding van het vlees en verachting van de wereld. Wij moeten ons niet toegeven in lusten of gemak, want dan zal het hard en moeilijk wezen om Christus' wil zwaar werk, vermoeienis en gebrek te verdragen. Wij zijn dagelijks onderworpen aan beproeving en lijden, en wij moeten er ons naar schikken, en berusten in den wil van God, en leren verdrukkingen te verdragen. Op den weg des plichts vinden wij dikwijls een kruis en, hoewel wij het ons niet zelf moeten opleggen, moeten wij toch, als het ons opgelegd is, het opnemen, het Christus achterna dragen, en er ons geestelijk voordeel mede doen.
2. Wij moeten de zaligheid onzer ziel stellen boven alle mogelijke wereldlijke belangen. Rekent er op:
a. Dat hij, die om zijne vrijheid of zijne bezittingen, zijne macht en bevordering in de wereld, ja zelfs zijn leven te behouden, Christus en Zijne waarheid verloochent, moedwillig zijne consciëntie geweld aandoet en zondigt tegen God, niets slechts geen behouder, maar een onuitsprekelijk verliezer zal zijn, als de tijd daar is om de winst- en verliesrekening op te maken, dan zal hij, die op deze voorwaarden zijn leven behouden wil, het verliezen. Hij zal verliezen wat van oneindig meer waardij is, zijn kostelijke ziel.
b. Wij moeten ook vast geloven dat, als wij omdat wij Christus aanhangen en onzen Godsdienst belijden, ons leven verliezen, wij het tot ons onuitsprekelijk voordeel zullen behouden, want wij zullen overvloedig beloond worden in de opstanding der rechtvaardigen, wanneer wij het opnieuw als een eeuwig en onverderflijk leven zullen ontvangen. c. Dat het gewin der gehele wereld, als wij Christus verlaten voor de belangen der wereld, er zover vandaan zou zijn om ene vergoeding te wezen voor het eeuwig verlies en verderf der ziel, dat het er gans onevenredig aan is, vers 25. Indien wij nu eens al den rijkdom, de eer en het genot der wereld zouden gewinnen door Christus te verloochenen, maar aldus ons zelven voor de gehele eeuwigheid zouden verliezen, en ten laatste uitgeworpen zouden worden, welk goed zal ons werelds gewin ons dan doen? Merk op, dat in Mattheus en Markus het ontzettend gevolg is voorgesteld als een verliezen van onze eigen ziel, en hier als een verliezen van ons zelven, hetgeen duidelijk te kennen geeft, dat onze ziel onze persoon is. De ziel is de mens, en het is wèl met ons of niet wèl met ons al naar het wèl of niet wèl is met onze ziel. Indien zij onder het gewicht van haar eigen schuld en bederf voor eeuwig omkomt, dan is het zeker dat wij verloren zijn. Het lichaam kan niet gelukkig zijn, indien de ziel ongelukkig is in de andere wereld, maar de ziel kan gelukkig zijn, al is ook het lichaam in deze wereld grotelijks beproefd en verdrukt. Indien een mens zelf verworpen is, ê zêmiootheis - indien hij geschaad is, of indien hij gestraft is, si mulctetur -indien er door het rechtvaardig oordeel van Christus een boete is op zijne ziel, wijl hij Zijne zaak en belangen verraderlijk verlaten heeft, indien al zijn geluk, al zijne zaligheid verbeurd-verklaard is, waar is dan zijn gewin? Wat is zijne hoop?
3. Daarom moeten wij ons Christus en Zijn Evangelie nooit schamen, noch ons schamen omdat wij de ongenade en smaad der wereld te dragen hebben om onze trouwe aanhankelijkheid aan Hem en het Evangelie, vers 26.
Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, dien zal de Zoon des mensen zich schamen, en terecht. Toen de dienst en de eer van Christus om zijn getuigenis en zijne werkzaamheid vroegen, verloochende hij die, omdat het belang van Christus een geminacht belang was, en overal weersproken werd, en daarom kan hij niets anders verwachten dan dat in den groten dag, wanneer zijne zaak nodig heeft om door Christus verdedigd te worden, Christus zich zal schamen om zulk een bloothartige, wereldsgezinde, lage geest te erkennen, en zeggen zal: "Hij is geen der Mijnen, hij behoort Mij niet toe." Gelijk Christus een staat van vernedering en verhoging heeft gehad, zo is het ook met Zijne zaak. Diegenen, en diegenen alleen, die bereid zijn als zij lijdt mede te lijden, zullen mede heersen als zij heerst. Maar zij, die het niet van zich kunnen verkrijgen om te delen in haar smaad en ongenade, en te zeggen: Indien dit gering is, dan zal ik mij nog geringer houden dan alzo, zullen voorzeker niet delen in haar triomf. Merk hier op, hoe Christus om zich en Zijne volgelingen te ondersteunen onder de tegenwoordige versmaadheid, op heerlijke en majestueuze wijze spreekt van den luister Zijner wederkomst, in het vooruitzicht waarvan Hij het kruis heeft verdragen en de schande veracht.
a. Hij zal komen in Zijne heerlijkheid. Dit werd niet vermeld in Mattheus en Markus. Hij zal komen in de heerlijkheid des Middelaars, in al de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had, eer de wereld was, Johannes 17:5. Hij zal komen in al de heerlijkheid, die de Vader Hem gegeven heeft, toen Hij Hem deed neerzitten aan Zijne rechterhand, en Hem gegeven heeft tot een Hoofd der gemeente, in al de heerlijkheid, die Hem toekomt als de handhaver van de heerlijkheid Gods en de werker van de heerlijkheid van al de heiligen. Dat is Zijn eigen heerlijkheid.
b. Hij zal komen in de heerlijkheid des Vaders. De Vader zal door Hem de wereld oordelen, en daarom zal Hij Hem in het oordeel openlijk erkennen als het afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid. c. Hij zal komen in de heerlijkheid der heilige engelen. Zij zullen Hem allen vergezellen, en Hem dienen, en Hem alles toevoegen wat luister kan bijzetten aan Zijne verschijning. Hoe heerlijk zal Jezus' verschijning wezen in dien dag! Zo wij het geloofden, wij zouden ons thans Zijns en Zijns woord nooit schamen.
Eindelijk. Om hen te bemoedigen onder lijden voor Hem, verzekert Hij hun dat het koninkrijk Gods nu weldra opgericht zal worden, in weerwil van den groten tegenstand, die er aan geboden werd, vers 27. "Hoewel de wederkomst van den Zoon des mensen nog zeer ver is, zal het koninkrijk Gods toch nu, in dezen tijd, terwijl sommigen hier tegenwoordig, nog leven, komen met kracht." Zij zagen het koninkrijk Gods, toen de Geest werd uitgestort, toen het Evangelie in geheel de wereld werd gepredikt, en de volken er door tot Christus werden gebracht, zij zagen het koninkrijk Gods triomferen over de heidense natiën in hare bekering, en over de Joodse natie in haar ondergang.