16. En wie zou met Hem kunnen strijden? Want Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dijen, waar anders de helden in de strijd het zwaard dragen: deze naam geschreven: a) "Koning der koningen en Heere der heren". Deze koninklijke macht is het, waarmee Hij Zich als met een zwaard heeft omgord (
Psalm 45:4 v.) en zo zal Hij nu ook als de Koning van de eer, als de Heere sterk en krachtig, de Heere machtig in de strijd (
Psalm 24:8), aan de antichrist en diens horden openbaar worden (
1 Timotheus 6:14 v.).
a) Openbaring 7:14 Zoals de bliksem uitgaat van het Oosten en schijnt tot het Westen, zo zal ook de toekomst, de paroesie van de Zoon des mensen wezen (Mattheus 24:27). Als de ongerechtige zal geopenbaard worden, die de Heere verdoen zal door de geest van Zijn mond, zal Hij hem teniet maken door de verschijning van Zijn toekomst (2 Thessalonicenzen 2:8). De tijd van deze verschijning is die, als de antichrist met zijn hem onderworpen koningen en legers zich ten slotte ook opmaakt naar het heilige land, om daar de gemeente van Christus aan zich te onderwerpen of te vernietigen; de plaats, waar het voorvalt, is Jeruzalem (Ezechiel 38:3-9; 39:1,
De hemel wordt geopend, opdat de hemelse veldheer met Zijn legerschaar van daar op de aarde neerdaalt. In Hoofdstuk 4:1 werd hij geopend, opdat Johannes in de hemel zou opklimmen, om daar de geheimen van God te vernemen. Wat zou de aarde zijn en wat zou zij worden, als de hemel niet verder tot beide doeleinden geopend werd, als geen opklimmen en geen neerdalen meer plaats vond. Het onderscheid tussen haar en de hel was dan opgeheven.
Anders besteeg de veldheer pas bij zijn triomferende intocht in het vaderland een wit paard; maar deze held verschijnt op het witte paard, nog voordat zelfs van de strijd gesproken is. Hij is reeds tevoren verzekerd van de triomf. Getrouw en waarachtig heet deze triomfator; want juist in deze overwinning betoont Hij Zich tegenover de Zijnen als de getrouwe, die hen zeker in het uur van nood woord en belofte houdt, tegenover de hele wereld als de Waarachtige, die aan alle leugen van het antichristendom een einde maakt, die de waarheid ten zegepraal leidt en hiermee alles, wat Hij gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten op heerlijke wijze vervult. En ter zelfde tijd openbaart Hij Zich als de Rechtvaardige, zowel in het oordeel over Zijn vijanden (Hij oordeelt met gerechtigheid) als in het volvoeren van het oordeel (Hij strijdt met gerechtigheid). Zijn ogen zijn als vlammen vuur; daarin ligt niet alleen, dat Hij de hele satanische boosheid van de laatste tijd tot in de diepste wortelen, tot in haar geheimste gangen doet beven en terugwijken, dat van deze ogen over de vijanden komt, wat eens de Egyptenaren verschrikte, toen de Heere hen uit de vuurkolom aanzag en een verschrikking in hun leger teweegbracht en de raderen van hun wagens in elkaar stiet en ze in de diepte verdronk.
De ogen als vlammen vuur wijzen aan, dat Hij nu niet komt, om te zoeken en zalig te maken wat verloren, maar nog redbaar was, maar om te verteren en te oordelen wat in reddeloze verstoktheid en boosheid is weggezonken. De vele kronen tonen aan, dat Hij nu op het punt is om alle rijken van de wereld aan Zich te onderwerpen.
De veelheid van de diademen is in overeenstemming met de naam (Vers 16): Koning der koningen en Heere aller heren. Evenals de vele diademen een troostrijke tegenstelling zijn tegenover de 10 diademen, die volgens Hoofdstuk 13:1; 17:3 worden bij hem, tegen wie de strijd gericht is, zo moeten voor de naam van Christus, die niemand kent, dan Hij zelf, de namen van lastering verbleken, die volgens die plaatsen op de hoofden van het dier zijn geschreven. Johannes ziet de naam, want die staat geschreven; maar hij kan die noch lezen noch uitspreken Leviticus 24:11. Slechts zoveel merkt hij op, juist omdat hij, door de glans verblind, die noch lezen noch uitspreken kan, dat het een naam is van oneindige heerlijkheid.
"Niemand kent de Zoon dan de Vader" had de Heere gezegd in de dagen van Zijn vlees (Mattheus 11:27). Hij geeft daarmee te kennen, en zo ook hier, de diepte van het goddelijk wezen, dat ver boven menselijk verstand verheven is en daarom niet kan worden uitgedrukt in een naam met letters geschreven. Deze naam, die alleen de Heere zelf weet, die in Zijn grootheid en heiligheid voor schepselen onbevattelijk en daarom onnoembaar is, kan juist daarom door de lastering niet worden bereikt. Ook het dier moet erkennen, dat al zijn lastering tot hiertoe niet heeft getroffen. Maar de Heere is aangedaan met een kleed, dat met bloed besprengd of in bloed gedoopt is; scharlakenrood van het bloed van de heiligen was de gedaante van het dier in Hoofdstuk 17:2 gedoopt in het bloed van hun moordenaars, van het beest en van diens aanbidders is het kleed van de overwinnaar, die vergelding doet. En terwijl niemand de geschreven naam kent dan Hij zelf, is de naam, waarmee Hij wordt genoemd, Gods woord.
Dat Zijn naam is "Woord van God" herinnert ons duidelijk aan Johannes 1:1-3 Door Jezus is de lichamelijke Openbaring an de Vader (Johannes 12:45; 14:9). Deze naam heeft te hogere betekenis, omdat door het Woord van de Heere hemel en aarde gemaakt zijn, daarom geen vijand iets daartegen uitrichten kan.
Bij dezen, wiens naam is het Woord van God, zijn al Zijn vijanden en in het bijzonder het beest, als stoppels voor het vuur; met de geest of de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden (Jesaja 11:4).
Ook het leger trekt in statige triomftocht achter Hem; maar toch is er een onderscheid tussen de verschijning van Christus en die van Zijn leger. Zijn gewaad is in bloed gedoopt, zij daarentegen dragen rein, schitterend lijnwaad; Hij alleen treedt de wijnpersbak van de toorn; zij nemen alleen deel aan de triomf, zonder dat ook maar één bloeddruppel hen zou mogen bespatten. Evenals Hij alleen in Gethsémané en op Golgotha in het bloedige doodszweet heeft geworsteld, om de enige bewerker van onze zaligheid te zijn, zo zal Hij ook alleen op die dag van de openbaring van Zijn macht de strijd voeren, opdat Hem de eer van de hele redding van het begin tot het einde toekomt.
Het scherpe zwaard in de mond van de Zoon van God is dat van de almacht, die spreekt en het is er en door de adem van de lippen doodt. Hoe Christus met het zwaard van Zijn mond Zijn vijanden neerhouwt, wijst in een voorspellend voorbeeld Johannes 18:5 aan. (vgl. Handelingen 9:4 v.).
Vele uitleggers menen het: "Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede", zo te moeten opvatten: alleen de legers van de antichrist en diens aanhang worden vernield, de volken daarentegen, waaruit zij zijn verzameld, bestaan nog voort. Hun heeft het tot hiertoe ontbroken aan een onbuigzaam strenge, met de rechtvaardigheid nauwkeurig overeenstemmende, waarachtig heilige en ook werkelijk heiligende tucht! Die zal nu onder de scepter van Christus worden uitgeoefend en deze zal al het heidense in de harten onweerstaanbaar neerhouwen. Dat strijdt echter tegen de uitspraken in Hoofdstuk 13:15, en 14:9, welke onder het bestuur van de antichrist geen middelplaats mogelijk is; men moet of het dier aanbidden en zijn teken aannemen, of lichamelijk omkomen en zich door de Heere in een andere wereld laten overplaatsen. Die dus hier te lande overblijven zijn, ook als zij de strijdstocht tegen Jeruzalem niet meemaken, als grijsaards, zwakken, vrouwen en kinderen, evenwel aanbidders van het dier en moeten eveneens drinken van de wijn van de toorn van God. Het wordt dus met de hele, door de antichrist beheerste wereld weggeruimd. Men mag dus niet met Bengel zeggen: "de ijzeren roede dient tot het onderwerpen van degenen, die overblijven; deze dient integendeel volgens Psalm 2:9 om te verpletteren (vgl. Jesaja 30:14 er bij het in Hoofdstuk 11:13 genoemde oordeel nog velen over, bij wie de gedachte aan een heilige en heiligende tucht door de moeilijke ervaring, die men heeft gemaakt, zeker op de juiste plaats is. Wat de inhoud van het 16e vers aangaat, kan men de beschrijving ook zo opvatten, dat die een titel zowel in het kleed geborduurd is, als ook op de heup in een vorm, die de plaats van de schede van het zwaard innam, was aangebracht. Evenals het ene de macht symboliseert, zo ook het andere de pracht van zijn Koningswaarde tegenover de antichrist, wie de satan meent alle rijken van de wereld en hun heerlijkheid te hebben overgegeven, die hij eens aan Hem, de Zoon van God tevergeefs aanbood (Mattheus 4:8 v.).