Openbaring 14:6-12
In dit gedeelte van het hoofdstuk zien wij drie engelen of boodschappers van den hemel gezonden om kennis te geven van den val van Babylon, en van de dingen, die aan deze grote gebeurtenis voorafgingen en er op volgden.
I. De eerste engel werd gezonden met een boodschap, die er aan voorafging, en dat was het eeuwig Evangelie te verkondigen, vers 6, 7. Merk op:
1. Het Evangelie is een eeuwig Evangelie, het is dat naar zijn aard en het zal het zijn in zijne gevolgen. Alle vlees is als gras, maar het woord des Heeren bestaat in eeuwigheid.
2. Het is een geschikt werk voor een engel dat eeuwig Evangelie te verkondigen, de waardigheid en de moeilijkheid van dat werk brengt het mede. En toch hebben wij dezen schat in aarden vaten!
3. Het eeuwig Evangelie is van groot belang voor de gehele wereld, het is zeer te wensen dat het bekendgemaakt worde aan alle natie, en geslacht, en taal, en volk.
4. Het Evangelie is het grote middel, waardoor de mensen gebracht worden tot de vreze Gods en tot het brengen van heerlijkheid aan Hem. De natuurlijke godsdienst is niet genoeg om ons in de vreze Gods te bewaren, of om Hem heerlijkheid van de mensen te verzekeren, het is het Evangelie, dat de vreze Gods doet herleven en Zijn heerlijkheid over de wereld verbreidt.
5. Wanneer de afgoderij in de gemeente binnenkruipt, worden door de verkondiging van het Evangelie, door de kracht des Heiligen Geestes, de mensen bekeerd van de afgoden om den levenden God te dienen, als de Schepper van den hemel, de aarde, de zee en de fonteinen der wateren, vers 7. Aanbidding van enigen anderen God dan van Hem, die de wereld geschapen heeft, is afgoderij.
II. De tweede engel volgt op dezen en verkondigt den werkelijken val van Babylon. De prediking van het eeuwig Evangelie had de grondslagen van het anti-christelijk rijk in de wereld geschokt en zijn val verhaast. Door Babylon wordt algemeen Rome verstaan, dat vroeger genoemd was Sodom en Gomorra, om haar goddeloosheid en wreedheid, en nu voor de eerste maal Babylon geheten wordt om haar hoogmoed en afgoderij. Merk op:
1. Hetgeen God besloten en voorzegd heeft, zal zo zeker geschieden alsof het reeds gebeurd was.
2. De grootheid van het pauselijk Babylon zal niet instaat zijn om haar val te voorkomen, maar zal dien nog vreeslijker en merkwaardiger maken.
3. De goddeloosheid van Babylon in het bederven, bedriegen en dronken-maken van al de volken rondom haar, zal haar val rechtvaardigen en aantonen Gods gerechtigheid in haar uiterste verwoesting, vers 8. Haar misdaden worden aangehaald als de rechtvaardige oorzaak van haar vernietiging. III.- Een derde engel volgt de beide anderen, en waarschuwt allen voor de goddelijke wraak, die allen zal overvallen, welke hardnekkig gewijd blijven aan de belangen van den antichrist, nadat God op die wijze zijn val afgekondigd heeft, vers 9, 10. Indien iemand (nadat deze bedreiging tegen Babylon afgekondigd en reeds ten dele vervuld is) blijft volharden in zijn afgoderij, zijn belijdenis van onderwerping aan het beest en van bevordering van zijn zaak, dan zal hij drinken uit den wijn van den toorn Gods, die onvermengd ingeschonken is in den drinkbeker Zijns toorns, hij zal voor eeuwig naar ziel en lichaam ellendig worden, Jezus Christus zal deze straf op hem toepassen en de heilige engelen zullen het aanschouwen en goedkeuren. Afgoderij, zowel de heidense als de paapse, is een vervloekte zonde van nature, en zal noodlottig blijken te zijn voor hen, die er in volharden, nadat de Voorzienigheid hen gewaarschuwd heeft. Zij, die weigeren uit Babylon uit te gaan, nadat zij zo geroepen werden, en besluiten in haar zonden te blijven delen, moeten ook haar plagen ontvangen. De schuld en het verderf van zulke onverbeterlijke afgodendienaars zal dienen om de uitnemendheid van de lijdzaamheid en gehoorzaamheid der heiligen des te meer in het licht te stellen. Deze genaden zullen beloond worden met zaligheid en heerlijkheid. Wanneer het verraad en de opstand van de anderen zal gestraft worden met eeuwige verwoesting, dan zal tot eer van de heiligen gezegd worden: Hier is de lijdzaamheid der heiligen, vers 12. Gij hebt vroeger gezien hoe zij de lijdzaamheid beoefenden, nu ziet gij hoe dat beloond wordt.