8. Uit het geslacht van Zebulon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Jozef waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Benjamin waren twaalf duizend verzegeld.
Dit gericht staat duidelijk in betrekking tot dat in Ezechiel 9 Hetgeen daar voorafgaat, zowel als het volgende, handelt over het verbranden van Jeruzalem en het aftrekken van de heerlijkheid van de Heere uit het heiligdom. Daarom kan hier ook alleen dit verband bestaan en daarom het voorgaande hoofdstuk alleen van Jeruzalems verwoesting en Israël's verstoting worden verstaan. In Ezechiel 9:8 ligt de profeet bij hetgeen hij van het oordeel van God over Zijn volk opmerkt, de vraag op het hart: "Ach, Heere Heere! zult U al het overblijfsel van Israël verderven met uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem? " en tot zijn geruststelling geeft onmiddellijk daarop (Vers 11) de man, die het lijnwaad aan had en het schrijfgereedschap aan zijn zijde, de Heere bericht: "Ik heb gedaan, zoals U mij bevolen had, en met een teken aan het voorhoofd getekend de lieden, die daar zuchten en jammeren over alle gruwelen, die te Jeruzalem plaats hebben. " Zo ontvangt ook hier Johannes op de vraag, die hem bij de openbaring van het oordeel over Jeruzalem niet minder dan vroeger de apostel Paulus bij het zien op Israël's ongeloof (Romeinen 11:1) op het hart moest liggen: "Heeft God dan Zijn volk verstoten? " een troostvol antwoord, omdat hij de overgeblevenen naar de verkiezing van de genade, waarmee Paulus zich daar (Vers 5) vertroost, zelfs naar het getal te weten krijgt. Het getal is nu zeker niet arithmetisch, maar theologisch op te vatten, d. i. : het wil niet te kennen geven, dat er juist zó velen, geen meer en geen minder waren; het getal van de Verbondsgemeente is hierbij vastgehouden als een in zich afgesloten geheel ("Genesis 35:26", 12 maal 12 maal 1000). Het is echter toch een betrekkelijk aanzienlijk getal, waarin elk van de twaalf stammen in duizendvoudige volheid twaalfmaal is vertegenwoordigd, zodat aan het geheel volkomen het karakter van een heilig, algemeen volk van God ook zonder bijvoeging uit de heidenwereld toekomt (vgl. Hoofdstuk 21:16, 17). Het getal van deze uitverkorenen vinden wij weer in Hoofdstuk 14:1, Wij moeten dus over de oordelen, in Vers 1 aangewezen, de hele tijd van de ontwikkeling van de dingen, die tot die tijd zijn voorzegd, in het oog houden. Dat Johannes reeds nu het getal verneemt op een wijze, waaruit hij kan opmaken, hoe dat volk, dat hij als zijn broeders, als zijn bloedverwanten naar het vlees liefheeft, in al zijn stammen of geslachten op gelijkmatige wijze vertegenwoordigd en Gods bondstrouw er volkomen aan betoond is (in een zo volkomen quadraat getal, zegt Bossuet, wordt de eeuwige onveranderlijkheid van de waarheid van God en van Zijn beloften uitgesproken), dat moet hem, nadat hij Israël's val in zijn hele diepte en betekenis voor ogen gezien heeft, versterken, om de verdere ontwikkeling gerust tegen te gaan. Beschouwen wij nu de 12 geslachten van Israël volgens de aanwijzing en de volgorde, zoals zij hier zijn voorgesteld, dan merken wij op: dat 1) de stam Dan niet mee wordt opgeteld en daarentegen Levi wordt genaamd, die anders ontbreekt, als van het gebied van de stammen sprake is; 2) dat van de beide stammen, die voor Jozef gekomen zijn, Efraïm en Manasse, alleen de laatste behouden en in plaats van de eersten weer Jozef zelf genomen is; 3) dat Juda de rij opent, alle verdere rangorde volgens het Oude Testament als opgeheven voorkomt en nu steeds telkens twee tot een paar verbonden zijn. Gezichtspunten van de geschiedenis van de verlossing zijn hierbij beslissend geweest. Juda als de stam, waaraan de belofte van de Messias in het bijzonder gegeven was en waaruit dan ook werkelijk Christus is voortgekomen, staat met recht vooraan. Levi is zo midden tussen de overige stammen geplaatst, dat men ziet, dat de Levitische ceremoniën afgeschaft zijn; nu zijn allen van priesterlijk karakter en hebben niet meer de toegang tot God, de een door de anderen, maar de een met de ander. Dan en Efraïm zijn uitzekert uit het boek des levens. De eerste zette op tot afval van God. (1 Kronieken 8:12 en "Ho 10:9. De tweede keerde op een beslissend ogenblik de Heere en de ware roeping van Israël de rug toe (Psalm 78:9). De naam van Jozef is daarentegen om de voorafbeeldende betekenis van de man ("Genesis 37:2" en "Genesis 45:8 kennelijk te maken, weer hersteld.
Zoveel moest volgens onze plaats bij elke uitlegger vaststaan, dat de 144. 000 verzegelden zijn voorgesteld als leden van het volk van de 12 stammen en als tot Israël behorend beschouwd moeten worden. Zo ergens, dan is hier de klank van de woorden zo duidelijk beslissend, dat men alle verdere bewijsvoering overbodig kan achten. En werkelijk is onder alle volken er niet één, dat als volk door het gericht heen gered wordt, maar slechts enkelen uit de volken zullen het zijn. Uit Israël is het echter een welgetelde schare en het is vast bepaald, hoeveel bewaard worden. Wij herinneren ons hier de voorspelling van Daniël (Hoofdstuk 12:1), waar van een benauwdheid wordt gesproken, zoals die niet geweest is sinds er een volk is; er wordt bijgevoegd: "op die tijd zal Uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt, geschreven te zijn in het Boek. " Wat daar de optekening in het Boek is, dat is op onze plaats de verzegeling; beide keren is het het volk Israël, waaraan een redding beloofd is.
De hier voorgestelde verzegeling is bij gelegenheid van het ontstaan van de tot dusver ingedrongen hoofddwalingen heerlijk vervuld en zal zich ook bij de valse godsdienst, die later ingevoerd zal worden en waarvoor de verzegeling in onze dagen geschiedt, vervullen. In de tijden van het Arianisme was een groot deel van de Kerk in het Oosten rechtgelovig en ook geheel het Westen; en ten slotte, toen de Ariaanse Oost- en Westgothen in Italië, Zuidelijk Frankrijk en Spanje gevestigd waren, waren toch nog de Franken onder Clovis, als volk en vele volken in Zuidelijk Europa rechtgelovig. In weerwil van de Islam hielden velen in het Oost Romeinse rijk zich aan de waarheid en de Moslimwereld kon Europa niet met haar dwaalleer bederven. Ook onder het Pausdom waren er volken en enkele personen gedurende de Middeleeuwen, die, ofschoon ook in zekere mate aan het bijgeloof van Rome overgegeven, toch over het algemeen de leer zuiver bewaarden. Huss stierf te midden van de Romeinse duisternis de marteldood in 1415. De Hervormers plaatsten het Evangelielicht in al zijn helderheid weer voor de ogen van de hele wereld op de kandelaar en het bestraalt sinds drie en een halve eeuw ieder, die zien wil, ofschoon Rome nog altijd aan zijn dwalingen vasthoudt. En ook in de toekomst zal God lieden bewaren en Zijn 7. 000 afzonderen, die hun knieën niet voor de toekomstige Baäl zullen buigen (Romeinen 11:2-5). God kan Zijn oprechte kinderen tot de zaligheid bewaren en zal ze eenmaal, te midden van alle bezwaar, aan Zijn almachtige hand tot de zaligheid leiden.
Terwijl de gemeente van de Heere zuchtte onder de vervolgingen, waaraan zij van de kant van de ongelovige wereldheerschappij was blootgesteld, kondigde haar Johannes in de zeven zegels de grote strafgerichten aan, waardoor God wraak zou nemen over het vergoten bloed van Zijn dienaren, en de trotse overmoed van de goddelozen verbreken. Vooral wanneer onder het zesde zegel de luister van de vorsten taant, alle kerkelijke en burgerlijke inrichtingen in de landen vaneen gescheurd worden en een algemene verwarring ten troon stijgt, schijnt het ook voor de uitverkorenen onmogelijk om aan de ellenden te ontkomen, die het gevolg van de opgenoemde straffen zijn. Tegen dit bekommerend vooruitzicht is het tussentafereel gericht, in Hoofdstuk 7 opgetekend, waarin de Heere Zijn vrienden een tweeledige troost aanbiedt. Ten eerste, dat Hij Zijn beschermende hand over hen zal uitstrekken, wanneer de oorlog en al zijn verschrikkingen de hele wereld beroeren zullen (vers 1-8). Ten tweede, dat Hij hen na korte beproeving van deze tijd in Zijn hemelse heerlijkheid opnemen zal (Vers 9-17). Zoals God eenmaal Lot redde uit de verwoesting van Sodom en Gomorra; zoals Hij eenmaal Egypte sloeg en Gosen spaarde, waar Israël zich ophield; zoals Hij aan Zerubbabel de troostbelofte gaf van hem te zullen maken als een zegelring te midden van de toenmalige wereldberoeringen; zoals Hij eens het volk van Juda gedurende de vernietiging van het Perzische rijk en de kleinere staten in zijn nabijheid beschermde en door Zacharia de troost gaf: "Ik zal Mij rondom mijn huis legeren vanwege het heirleger, vanwege de doorgaanden en vanwege de wederkerenden, opdat de drijver niet meer door hen doorgaat; want nu heb Ik het met Mijn ogen aangezien; " evenzo wil Hij ook onder de vreselijke plagen van de zegel Zijn beveiligende rechterhand over de gelovigen uitstrekken volgens Zijn beloften. Omdat al deze strafgerichten, bijzonder ook de grote beroeringen in de landen niet toevallig zijn, maar door God worden bestuurd, opdat Zijn liefde voor de gelovigen zorgt en Zijn rijk uit de laagte opgeheven wordt, kunnen die voor Zijn volk niet verderfelijk zijn; dat volk kan rustig en getroost de verwoestingen op aarde aanschouwen, omdat deze niets anders zijn dan de barensweeën van een betere wereld. Daarom kan het geen bevreemding wekken, dat in het eerste gedeelte van dit Hoofdstuk de aarde nog niet voorkomt als getroffen door de strafgerichten; want in dat tafereel wordt juist niet zozeer melding gemaakt van de plagen over en de ondergang van de wereld, als wel veel meer van de bewaring van de gelovigen. Beiden zijn van elkaar onderscheiden en het ene staat nevens het andere. In Vers 9 worden zij genoemd "een grote schare, die niemand tellen kan" en deze ontelbare menigte kon niet beter aangeduid worden, dan door het getal 144. 000. Het twaalftal behoort eigenaardig tot de Kerk, volgens het getal van de twaalf hoofden van de Israëlitische stammen in het Oude en twaalf apostelen in het Nieuwe Verbond. Uit deze beide in twaalf delen verdeelde bronnen is de "grote schare" van de gelovigen voortgekomen en tot een onafzienbaar grote stroom aangewassen. Als men het getal 12 met zichzelf vermenigvuldigt en de dan ontstane enkelen tot duizenden maakt, krijgt men het getal 144. 000. Deze honderd vier en veertig duizend gelovigen, wier bewaring gedurende de plagen op aarde zo-even geschilderd is, komen in vers 9 voor als de ontslapenen, die zich in de hemelse heerlijkheid bevinden. Alle ware leden van de Kerk, die geleefd hebben sinds de tijd van de Apostelen, die nog leven en die leven zullen in de toekomst, tot op de jongste dag, die allen hebben de dubbele belofte, dat God de Heere hen in tijdelijke oordelen tegen alle schade beveiligt en dat zij ingaan in de rust, die er overblijft voor het volk van God voor de troon van het Lam. Hun getal is als de dauwdruppels in het morgenrood, ontelbaar groot. De derde trap van hun heil is, dat zij, na de jongste dag, burgers zijn van het nieuwe Jeruzalem op de verheerlijkte aarde. Wanneer de verzegelden gezegd worden te zijn "uit alle geslachten van de kinderen van Israël", heeft men niet te denken aan het Israël van het Oude Verbond, maar aan het hele volk van God, zowel in dat als in het Nieuwe Verbond. Reeds in het eerste verkondigt de Heere, dat Hij de bozen uitroeit uit Israël, Zijn volk, ofschoon zij naar het lichaam afstammelingen zijn van Abraham (zoals hier ten teken daarvan de stam Dan ontbreekt), terwijl de gelovig geworden Heidenen deel verkrijgen aan het burgerrecht. Zo spreekt de Heere: "Maar het zal geschieden, dat u het zult doen vallen in erfenis voor jullie en voor de vreemdelingen, die in het midden van u verkeren, die kinderen in het midden van u gewonnen zullen hebben: en zij zullen voor jullie zijn als een inboorling onder de kinderen van Israël; zij zullen met jullie in erfenis vallen, in het midden van de stammen van Israël. Ook zal het geschieden, in de stam, waarbij de vreemdeling verkeert, aldaar zult u (hem) zijn erfenis geven, spreekt de Heere Heere". Opgeheven is zo het onderscheid van de volken, dat ten dage van het Oude Verbond nog hier bestond en hier wordt alleen gesproken over het geestelijk Israël, het ware volk van God, de Christelijke gemeente, die een levende voortzetting is van de gemeente van de heiligen onder het Oude Verbond; want die allen, zowel de gelovigen uit de Joden als die uit de Heidenen, hebben onder de oordelen behoefte aan troost en bescherming. De Heere Jezus noemt zelf Zijn Kerk met de naam van "Israël". En wanneer zo in de volgende verzen de afzonderlijke stammen van Jakob's zonen worden opgenoemd, heeft men daaraan de geestelijke betekenis te hechten van de éne heilige, algemene Kerk van de gelovigen en niet die van de eigenlijke stammen, waaronder de geslachtsrekening aanvankelijk reeds ten tijde van de Babylonische ballingschap en geheel sinds de verwoesting van Jeruzalem heeft opgehouden.
Sommigen nemen dit voor goede engelen, die ook somwijlen tot uitvoering van Gods oordelen in de wereld worden gebruikt en verstaan door deze vier engelen, die macht hadden om de aarde en de zee met onstuimige winden en stormen te beschadigen, of die op te houden, zodanige instrumenten, die God door een rechtvaardig oordeel in alle delen van de aarde heeft gebruikt om de Arabieren, Agarenen, Moren, Saracenen en andere wrede volken in het Oosten en Zuiden en de Gothen, Vandalen, Longobarden, Hun en andere huns gelijken in het Westen en Noorden op te wekken, om het hele Roomse rijk te overlopen en te verstoten, zoals zulke zwarigheden onder de gelijkenissen van winden en stormen vaak worden verstaan (Jeremia 49:36; 51:1 welke verstoringen aan het Roomse rijk vóór de opstand van de antichrist zijn geschied, zoals door Paulus betuigd wordt te zullen geschieden (2 Thessalonicenzen. 2:7). Daarop is gevolgd dat God om de Christengemeente in het midden van deze verwoesting in wezen te houden, deze uittekeningen van de verzegelden uit alle natiën door deze andere engel heeft laten doen, zoals dergelijke aantekeningen ten tijde van de verwoestingen van het Israëlitische land door de Babyloniërs en ASSYRIËRS op Gods last door de engel zijn gedaan (Ezechiel 9:4), omdat deze profetie hier werkelijk op ziet. Anderen verstaan door deze vier engelen zoveel kwade geesten, die als instrumenten van de satan in het oprichten van het antichristendom daartoe voornamelijk in alle gewesten hebben gearbeid, opdat de werkingen van Gods Geest, die ook wordt vergeleken met de wind (Johannes 3:8 Handelingen 2:2), mocht worden gestuit en verhinderd. De getrouwe en rechtzinnige leraars alom gedempt en tot stilzwijgen gebracht, tot verdorringen en verdervingen van de rechtzinnige godsdienst, omdat een kracht van de dwaling, van de tekenen, van de leugens onder haar is gezonden, zoals Paulus 2 Thessalonicenzen 2:7 enz. getuigt. Daarop heeft God nochtans deze uittekeningen van Zijn uitverkorenen uit alle geslachten willen doen, om Zijn gemeente zelf in het midden van allen dezen nog altijd te behouden, zoals Hij gedaan heeft in Israël, als Hij die zevenduizend heeft behouden, die hun knieën voor Baäl niet hadden gebogen (1 Koningen 19:18 Romeinen 14:4, 5).
Na dezen zag ik nadat de vervolgingen van de Kerk onder de Heidense keizers, door de opening van de zegels geopenbaard waren. De Kerk zou na die tijd geen vrede hebben, daar kwam wel een half uur stilzwijgen, ten tijde van Constantijn de Grote, maar die kort rust van uitwendige vervolgingen gaf oorzaak tot het broeden van allerlei ketterijen als van de Donatisten, Arianen, Photinianen, Apollinaristen, Pelagianen. Semi-Pelagianen, Nestorianen en Entychianen, waaruit ten slotte de paus is voortgekomen, die zich als een God in de tempel van God gezet heeft, alles onder zijn macht heeft gekregen, zelfs de koningen de voet op de nek zette, alles met ketterijen en afgoderijen vervulde en zich dronken gedronken heeft van het bloed van de heiligen. Deze oordelen zouden de Kerk meer schade toebrengen dan de Heidense vervolgingen, daarom bereidt en versterkt de Heere Jezus Zijn kerk daartegen in dit kapittel. Men stelt doorgaans vier gewesten als: Oost, West, Zuid en Noord, daarnaar worden de vier hoofdwinden genaamd en al de winden tot vier en zestig toe, krijgen van die hun benamingen. Soms betekenen winden lichamelijke plagen (Psalm 11:6), soms ketterijen en dwalingen in de leer (Judas 1:12). Waterloze wolken, die door de winden omgevoerd worden (Efeze 4:14). En omgevoerd worden met alle wind van de leer door de bedriegerijen van de mensen, door arglistigheid, om listig tot dwaling te brengen. Dus wordt het hier genomen, want de antichrist zou met verleidende geesten en leringen van de duivelen komen, door geveinsdheid van de leugensprekers (1 Timotheus 4:1, 2). Op de vier gewesten stonden vier engelen, gedienstige geesten, die tot nut van de uitverkorenen en tot straf van de goddelozen uitgezonden werden; want deze weerhielden de ketterijen totdat de dienstknechten van God bewaard waren (Vers 3). Deze hielden "kratountas" met geweld vasthoudende, bedwingende, weerhoudende, de duivelen en de ketterse mensen tomende, de echte oorzaken van ketterijen, dat zij hun dwalingen niet konden voortzetten; begonnen zij het hier of daar, dan op deze, dan op die wijze, de engelen waren er meteen bij en verbraken hun aanslagen. Opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enige boom. De aarde ligt open voor de winden, de stormen maken de zee onstuimig en de hoge bomen, die hun kruin in de lucht opsteken, zijn het meest aan de stormwinden onderworpen; zo hebben de ketterijen de meesten vat op de aardsgezinde mensen, wier deel is in dit leven en op de ongestadige mensen, die niet bevestigd zijn in de waarheid, maar kinderen zijn in het verstand, onvast en van een verdorven verstand; als ook op de hoogmoedige mensen, op hun gaven en aanzien, dat zij in de Kerk hebben, omdat zij toch zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven en ontworteld; deze, zo ras er wat nieuws ter baan komt, zijn gereed het meteen te omhelzen en hun hart is bekwaam om zelf ketterijen op te geven, waardoor zij meer eer en roem in de wereld zoeken. De wijze van bewaring is door verzegeling; hier wordt de persoon vertoond, de persoon, die de verzegeling doet, de tijd, wanneer de verzegeling geschiedde en de personen, die verzegeld worden. De persoon, die de verzegeling doet, wordt beschreven Vers 2. En ik zag een andere engel opkomen van de opgang van de zon, hebbende het zegel van de levenden van God. Het is een visioen of gezicht, waarin men bijzonder acht moet geven op het oogmerk; sommige omstandigheden dienen om de zaak duidelijker te vertonen, het oogmerk hier is de nauwe zorg te openbaren, die de Heere over Zijn uitverkorenen zou dragen, opdat zij met de aanstaande dwalingen niet ver weggesleept zou worden; dit wordt door een andere engel dan de vier overige getoond in natuur, in persoon en last: de Heere Jezus is zelf de Engel van Gods aangezicht, de Engel van het Verbond. Hij kwam van het Oosten, waar de zon opgaat om het aardrijk te verlichten, te verwarmen en te verkwikken; zo was Zijn werk van verzegeling tot verlichting, troost en verkwikking van de uitverkorenen; Hij had het zegel van God, die van eeuwigheid leeft en almachtig en getrouw is en blijft. De tijd dat de storm zou komen, was nabij, daar was haast en de zaak, die geschieden zou, was van groot gewicht; daarom riep de Engel met een grote stem, in als machthebbende gebood Hij de vier engelen de storm te weerhouden, totdat Hij Zijn werk gedaan zou hebben; dat was de dienstknechten van God, de uitverkorenen, de gelovigen te tekenen met een zegel of teken, zoals de huizen van de kinderen van Israël getekend werden, waardoor de slaande engel hun huizen voorbijging. Hij zou ze verzegelen aan hun voorhoofden; de herders tekenen hun schapen, de soldaten dragen het teken van hun koning, men placht de slaven ook te tekenen en in vele landen, bijzonder in Afrika, is het nog gebruikelijk de nieuwgeboren kinderen te tekenen; zo zouden de ware gelovigen ook een zichtbaar teken hebben, dat zij tot de antichrist niet behoorden, zij zouden de ware leer vasthouden en die belijden en openbaar tonen dat zij tot de antichrist niet behoorden, dat zij vrij waren van zijn bijgeloof en afgoderijen; maar dat zij de Heere in waarheid dienden. Wel een groot getal in zulke tijden, in zichzelf aangemerkt, maar klein in vergelijking van die, die door de wind van de dwalingen weggevoerd werden; hier wordt een zeker getal genoemd, wegens de nauwe kennis van God van hen, die de Zijnen zijn, waarvan niet één verloren kan gaan; daar waren 144. 000 niet één min of meer, zij waren uit de geslachten van de kinderen van Israël; de stammen van Israël maakten de Kerk van God uit, daarom wordt de Kerk van God van het Oude Testament vaker Israël genoemd en als hier van geslacht gesproken wordt, dan moet men het op de hele Kerk overbrengen, uit allerlei natiën, talen en volkeren bestaande. Om nog nader de nauwe kennis en bewaring van God van de Zijnen te tonen, zo worden de stammen opgeteld en uit iedere stam wordt een juist getal aangetekend. Uit het geslacht van Juda waren twaalf duizend verzegeld, uit het geslacht van Ruben enz. twaalf maal twaalf duizend, 144. 000. Dan wordt uitgelaten, die stam zijnde, waarin Jerobeam de zoon van Nebat, de gouden kalveren oprichtte, die daar ook tot hun verwoesting bleven en Simson, die anders uitgelaten wordt, omdat hij geen aan elkaar palend erfland had, wordt hier gemeld en Efraïms naam wordt met de naam van Jozef bedekt, als zijnde het hoofd van de afvalligen; de andere stammen worden niet in orde, maar door elkaar verhaald, om te tonen dat er in het Nieuwe Testament geen onderscheid is van natie, volk en geslacht, maar alleen op ware godzaligheid gezien wordt. Zij verblijden zich over de grote weldaad van God, dat zij van onder de antichrist verlost, in het licht en tot de waarheid waren gekomen. Zij waren met al hun hart genegen om God de eer daarvan te geven. Zij wilden de genade, die zij ontvangen hadden, niet verbergen maar openbare belijdenis daarvan doen en wensten dat de hele wereld het hoorde, daarom riepen zij met een grote stem en verklaarden dat al hun zaligheid in God, uit God en door God was en daarom ook tot Hem terugkeren moest, dat het alles was door de trouwe Borg Jezus Christus, de Koning van Zijn Kerk.
Een merkwaardig bijvoegsel wordt hier beschreven van dat oordeel, dat in het voorgaande zinnebeeld was getekend, de bewaring van de uitverkorenen, die het zuivere geloof in Christus Jezus belijden, uit die hooggaande rampen, die de vijanden van de Kerk in de laatste tijd zouden treffen. Want hoewel er zeer grote en verschrikkelijke bewegingen in de wereld en door geheel Europa zouden zijn, die ook de uitverkoren gelovigen met recht vrees zouden aanjagen, verzekert nochtans de Heere door dit gezicht, dat Hij door Zijn voorzienigheid zou zorg dragen, dat zij daardoor geen schade zouden lijden, maar dat Hij Zijn Kerk, die snel over al haar vijanden zal zegepralen, gunstig zal bewaren. Van deze weldaad wordt nu eerst verklaard de veronderstelling, die is dat oordeel zelf, dat zo-even beschreven is, dat door vier engelen ten uitvoer moest worden gebracht, maar die ten enenmale stonden onder de macht van de Voorzienigheid van God; ten tweede wordt het gevolg, dat is de weldaad zelf, zinnebeeldig verklaard onder het vertoog van de verzegeling van de uitverkorenen uit de twaalf stammen van Israël. Het zinnebeeld van de vier winden is overgebracht uit de profetieën van het Oude Testament, waarop doorgaans in de Openbaring ezinspeeld wordt; want van deze wordt gewag gemaakt Daniël 7:2 en Jeremia 49:36 ; en op die plaatsen geven de vier winden duidelijk te kennen of zware oordelen van God, of, die betekenis hier nabij komt, sterke bewegingen in de wereld, die door de goddelijke Voorzienigheid verwekt zouden worden, welke betekenis op deze plaats zeer wel past. Deze worden hier voorgesteld als zijnde in de macht van vier engelen, die doorgaans in het woord van God worden geleerd, dat zij zijn uitvoerders van de goddelijke raadsbesluiten en dienaars van Zijn Voorzienigheid, waardoor te kennen wordt gegeven, dat er geen grote bewegingen in de wereld verwekt worden, die niet afhangen van Gods raad en Voorzienigheid. De verzegeling betekent de krachtdadige werking van de Heilige Geest in de uitverkorenen van God, die de ware Kerk uitmaken in het midden van de verbasterde en bedorven Kerk, zodat zij het zuivere geloof in Christus en de oprechte betrachting van de godsdienst verkiezen en openlijk belijden en het tegen de verzoekingen van de Satan en vervolgingen van de vijanden van de waarheid volstandig aankleven. Deuteronomium 144. 000 moeten worden verstaan geestelijk van de belijders van de evangelische waarheid, die de ware Kerk tegenover de vals-christelijke zouden uitmaken. Hetgeen wij dan uit dit gedeelte van de profetie leren, is, dat God een grote ramp in deze wereld zou verwekken, die de Heilige Geest in een zinnebeeld levendig had afgemaaid. De hele Europese wereld zou in grote beweging zijn. De winden zouden van alle kanten uitbreken. Alle vorsten en koningen zouden uit oorzaak van de godsdienst onder de wapenen zijn. Alle inwoners van Europa zouden met vreze voor de grote rampen, die hen boven het hoofd hingen, bevangen worden. De uitkomst echter, hoezeer die ook aan allen grote bekommering zou aanjagen, zou voor de belijders van de Evangelische waarheid heilzaam zijn, maar voor de goddelozen verderfelijk. Want God zou door Zijn bijzondere zorg en door Zijn Voorzienigheid maken, dat zij uit deze ramp behouden zouden ontkomen, en dat zij het zaad zouden zijn van de Kerk, die na de verdrukking van deze dagen tot een beter staat hersteld zou worden.
Het bepaalde getal moet onbepaald worden verstaan, niet alsof er juist zo velen waren in het geheel, of in elk geslacht een gelijk getal, maar om aan te tonen, dat zij bijzonder dus door God bepaald en bij Hem bekend waren; dat, schoon het verval zeer groot en algemeen was, er nochtans een aanmerkelijk getal overgelaten zou worden, zoals die 7. 000 ten tijde van Elia, om aan te tonen, dat dit getal in vergelijking met de hele wereld, die het beest achterna volgen, zeer klein zou zijn (Jesaja 10:22). Dit getal wordt onder de twaalf geslachten verdeeld, om aan te tonen, dat de Heere hen niet maar in het gros of in het algemeen te samenstelt, maar dat de bijzondere personen, die dit geheel uitmaken, door Hem bepaald en verzegeld zijn door een tellend getal en door een geteld getal, alsmede om Gods soevereiniteit en welbehagen aan te tonen in het verkiezen van sommigen uit elk geslacht en in Zijn zorg voor hen, die Hij uitverkoren heeft, uit welk geslacht zij mochten zijn.
Is wellicht de stam van Dan hier niet genoemd, omdat volgens de aantekening bij Genesis 49:16-18, niet onwaarschijnlijk, de verrader van de Heere, Judas Iskariot, uit die stam voortkwam?