Lukas 12:41-53
Hier is:
I. De vraag, die Petrus aan Christus deed bij gelegenheid van de voorgaande gelijkenis, vers 41. Heere! zegt Gij deze gelijkenis tot ons, die Uw gestadige volgelingen zijn, tot ons, die leraren zijn, of ook tot allen, die komen om door U onderwezen te worden, tot al de hoorders en, in hen, tot alle Christenen? Evenals zo dikwijls, was Petrus ook nu de woordvoerder der discipelen. Wij hebben reden om God te danken, dat er zulke ijverige, voortvarende mensen zijn, die de gaven hebben om zich te uiten, hun gedachten in woorden te brengen, laat de zodanige zich wachten voor hoogmoed. Nu wenst Petrus dat Christus zich nader zal verklaren, dat Hij den pijl der voorgaande gelijkenis zal richten naar het doel, dat Hij er mede op het oog had. Hij noemt het ene gelijkenis, omdat zij belangrijk en leerrijk is. Heere, zei Petrus, was zij bestemd voor ons alleen, of voor allen? Hierop geeft Christus een direct antwoord, Markus 13:37. Hetgeen ik u zeg, dat zeg Ik allen: Waakt. Hier echter schijnt Hij aan te tonen, dat de apostelen er in de eerste plaats belang bij hadden. Het is voor ons allen van belang om voor ons zelven te nemen, wat Christus in Zijn woord voor ons bedoeld heeft, en dus hieromtrent te vragen: Zegt gij dit tot ons? Tot mij? Spreek. Heere, want Uw knecht hoort. Behoort mij dit woord? Spreek het tot mijn hart.
II. Christus' antwoord op deze vraag, gericht tot Petrus en de overige discipelen. Indien hetgeen Christus tevoren gezegd heeft hen niet inzonderheid aangaat, maar hen en ook andere Christenen, die allen moeten waken en bidden om Zijne komst, als Zijne dienstknechten, dan is toch hetgeen volgt meer bijzonder van toepassing op leraren, die de huisbezorgers zijn van Christus' huis. Onze Heere Jezus nu zegt hun hier:
1. Wat hun plicht is als huisbezorgers, en wat er aan hun zorg is toevertrouwd.
a. Zij zijn aangesteld om, onder Christus, de bestuurders te zijn van het huisgezin Gods, onder Christus, wiens het huis is. Leraren ontlenen aan Christus de macht om het Evangelie te prediken, en de inzettingen van Christus te bedienen, en de zegelen van het verbond der genade uit te delen.
b. Hun opdracht is om aan Gods kinderen en dienstknechten hun bescheiden deel spijze te geven, het deel dat geschikt voor hen is, en voor hen bestemd is, overtuiging, vermaning en vertroosting aan die dit nodig hebben. Suum cuique -aan ieder het zijne, Dit is het woord der waarheid recht te snijden, 2 Timotheus 2:15.
c. Het hun "ter rechter tijd" te geven, op den tijd en de wijze, die meest gepast zijn voor den aard en den toestand van hen, die gevoed moeten worden, een woord ter rechter tijd met den moede.
d. Hierin moeten zij zich getrouw betonen en wijs, getrouw aan hun Meester, die hen op dien post van vertrouwen gesteld heeft, en getrouw aan hun mededienstknechten, ten wiens behoeve zij daar geplaatst zijn, en wijs, om van de gelegenheid gebruik te maken om hun Meester te eren en het gezin te dienen. Leraren moeten zo wel bekwaam als getrouw zijn.
2. Wat hun geluk zal zijn, indien zij zich getrouw en wijs betonen, vers 43. Zalig is de dienstknecht, a. Die doet, en niet lui of traag is, niet aan gemakzucht toegeeft. Zelfs de bestuurders der huishouding moeten "doende" zijn, en zich tot aller dienstknechten maken.
b. Die alzo doende is, doende zoals hij behoort doende te zijn, hun het deel der spijze gevende, door openbare prediking en bijzondere toepassing.
c. Die gevonden wordt alzo doende, als zijn Heere komt, die volhardt tot den einde, in weerwil van de moeilijkheden, die hij op zijn weg ontmoet. Nu wordt zijn geluk, zijne zaligheid voorgesteld door de bevordering van een huisbezorger, die zich in de lagere rangen van den dienst getrouw en bekwaam heeft betoond, hij zal tot hoger en meer omvattenden dienst bevorderd worden, vers 44, Ik zeg ulieden, dat hij hem over al zijne goederen zal zetten, zoals Jozefs bevordering aan het hof van Farao. Leraren, die van God de genade ontvangen om getrouw te zijn, zullen verdere genade verkrijgen om overvloedig beloond te worden voor hun getrouwheid in den dag des Heeren.
3. Welk een ontzettende afrekening er zijn zal, indien zij verraderlijk en ontrouw bevonden worden, vers 45, 46. Indien die dienstknecht twistziek en onheilig begint te worden, dan zal hij ter verantwoording geroepen en streng gestraft worden. Wij hebben dit alles reeds gehad in Mattheus, en daarom zullen wij hier slechts opmerken,
a. Dat onze beschouwing van Christus' wederkomst als iets van nog zeer verre de oorzaak is van al deze ongeregeldheden, die de gedachte er aan schrikkelijk voor ons maken. Hij zegt in zijn hart: Mijn heer vertoeft te komen. Christus' lankmoedigheid wordt zeer dikwijls verkeerdelijk opgevat als Zijn vertoeven, Zijn uitstellen, ter ontmoediging van Zijn volk, en ter bemoediging van Zijne vijanden.
b. De vervolgers van Gods volk worden gewoonlijk overgelaten aan hun gerustheid en hun zinnelijke lusten, zij slaan hun mededienstknechten, en dan gaan zij eten en drinken met de dronkaards, gans onbekommerd over hun eigen zonden en over het lijden hunner broederen, zoals de koning en Haman, die zaten en dronken toen de stad Susan verward was. Aldus drinken zij, om het geroep van hun eigen geweten te smoren.
c. De dood en het oordeel zullen ontzettend wezen voor alle goddelozen, maar inzonderheid voor slechte leraren. Het zal hen overvallen, ter ure, die zij niet weten. Het zal de beslissing voor hen zijn ter eindeloze ellende, zij zullen afgescheiden worden, en hun deel zal gezet worden met de ontrouwen.
4. Welk ene verzwaring het zijn zal van hun zonde en hun straf, dat zij hun plicht gekend, maar niet gedaan hebben, vers 47, 48: Die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns heren, en hem niet gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden, zal zwaarder straf ontvangen, maar hij, die dezelve niet geweten heeft, die zal met weinige slagen geslagen worden, uit aanmerking hiervan zal zijne straf verzacht worden. Hier schijnt ene toespeling te zijn op de wet, die onderscheid maakte tussen zonden, bedreven uit onwetendheid, en zonden, bedreven met opgeheven hand, Leviticus 5:15 enz., Numeri 15:29, 30, evenals ook op een andere wet betreffende het aantal slagen, gegeven aan een boosdoener, naar den aard der misdaad, Deuteronomium 25:2, 3. Nu is
a. onwetendheid omtrent onzen plicht enigszins ene verschoning van onze zonde. Hij, die den wil zijns heren niet geweten heeft, door zorgeloosheid, of onachtzaamheid, of omdat hij niet zo goed in de gelegenheid geweest is als anderen om tot de kennis er van te komen, en gedaan heeft dingen, die slagen waardig zijn, zal wèl geslagen worden, want hij zou zijn plicht beter hebben moeten weten, doch met weinige slagen, ten dele, niet geheel, is zijne onwetendheid hem ene verontschuldiging. Zo hebben de Joden door onwetendheid Christus ter dood gebracht, Handelingen 3:17, 1 Corinthiërs 2:8, en Christus heeft voor hen gepleit op die onwetendheid, en ter hunner verontschuldiging aangevoerd: Zij weten niet wat zij doen.
b. Het kennen van onzen plicht is ene verzwaring onzer zonde. Die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns heren, maar toch zijn wil niet gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden. God zal hem rechtvaardiglijk meer straf opleggen wegens zijn misbruik van de middelen der kennis, die Hij hem gegeven heeft, en waarvan anderen een beter gebruik zouden hebben gemaakt, omdat er zeer veel moedwil en minachting uit spreekt als men zondigt tegen kennis. Hoeveel zwaarder straf zullen diegenen dus waardig geacht worden, behalve nog de vele slagen, die hun eigen geweten hun geeft! Kind, gedenk. Er wordt een goede reden hiervoor bijgevoegd: Een iegelijk, dien veel gegeven is, van dien zal veel geëist worden, inzonderheid als het hem gegeven werd als een aanvertrouwd pand, waarvan hij rekenschap verschuldigd is. Hun, die grotere geestesgaven hebben dan anderen, meer kennis, meer geleerdheid, meerdere bekendheid met de Schriften, aan hen is veel gegeven, en dienovereenkomstig zal hun verantwoording moeten zijn.
III. Voorts spreekt Christus nog over Zijn eigen lijden, dat Hij verwachtte, en over het lijden Zijner volgelingen. Hij wil dat ook zij in de verwachting daarvan zullen leven. In het algemeen, vers 49 :Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen. Hieronder verstaan sommigen de prediking van het Evangelie, en de uitstorting des Geestes, heilig vuur. Christus heeft dit gezonden om de wereld te louteren, haar schuim te zuiveren, haar kaf te verbranden, en het was reeds ontstoken. Het Evangelie was begonnen gepredikt te worden, er waren reeds inleidingen tot, of voorbereidingen van, de uitstorting des Geestes. Christus doopte met den Heiligen Geest en met vuur, deze Geest daalde neer in vurige tongen. Maar naar hetgeen volgt schijnt er veeleer het vuur der vervolging onder verstaan te moeten worden. Christus is er de werker niet van, daar het de zonde is der brandstichters, der vervolgers, maar Hij laat het toe, ja meer, Hij verordineert het, als een louterend vuur ter toetsing van de vervolgden. Dit vuur was reeds ontstoken in de vijandschap der vleselijk- gezinde Joden jegens Christus en Zijne volgelingen. Wat wil Ik, indien het alrede ontstoken is? Wat gij doet, doe het haastelijk, "Indien het alrede ontstoken is, wat wil ik? Zal Ik op de uitblussing er van wachten? Neen, want het moet over Mij komen, en over allen, en het zal ter heerlijkheid Gods zijn."
1. Hij zelf moet veel lijden, Hij moet heengaan door het vuur, dat alrede ontstoken is, vers 50. Ik moet met een doop gedoopt worden. Beproevingen worden bij vuur en ook bij water vergeleken, Psalm 66:12 :69:2, 3. Het lijden van Christus was van beiderlei aard. Hij noemt het een doop, Mattheus 20:22, want Hij was er mede besprengd, zoals Israël gedoopt was in de wolk, en er in gedompeld, zoals Israël gedoopt was in de zee, 1 Corinthiërs 10:2. Hij moet besprengd worden met Zijn eigen bloed, en met het bloed Zijner vijanden, Jes 63:3. Zie hier,
a. Christus' voorzien van Zijn lijden, Hij wist wat Hij moest ondergaan, en hoe noodzakelijk het was dat Hij het zou ondergaan. Ik moet met een doop gedoopt worden. Hij noemt Zijn lijden met een naam, die het verzacht, het is een doop, geen verdelgende vloed, Ik moet er in gedompeld worden, niet er in verdrinken, en met een naam, waardoor het geheiligd wordt, want de doop is een heilige plechtigheid. Christus heeft zich in Zijn lijden toegewijd aan de eer Zijns Vaders, en zich zelven tot priester geheiligd in eeuwigheid, Hebreeën 7:27, 28.
b. Christus' voortvarendheid om dat lijden te ondergaan: Hoe word Ik geperst, totdat het volbracht zij! Hij verlangde naar den tijd, wanneer Hij zal lijden en sterven, het oog hebbende op de heerlijke uitkomst van dat lijden. Het is een toespeling op een vrouw in barensnood, in pijn om te baren, en die hare pijnen welkom heet, omdat zij de geboorte verhaasten van het kind, en zij wenst de pijnen scherp en sterk. opdat het werk er door bespoedigd worde. Christus' lijden was de arbeid Zijner ziel, dien Hij blijmoedig onderging, in de hoop dat Hij daardoor zaad zal zien, Jesaja 53:10, 11. Zo had Hij Zijn hart gezet op de verlossing en zaligheid van den mens.
2. Hij zegt aan hen, die Hem omringen, dat ook zij moeilijkheden en verdrukkingen te verdragen zullen hebben, vers 51. Meent gij dat Ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde? u een vreedzaam bezit te geven van de aarde, en uitwendigen voorspoed op de aarde? Hiermede wordt te kennen gegeven, dat zij bereid waren aan zulke gedachten plaats te geven, ja, dat zij in de mening verkeerden, dat het Evangelie overal op aarde welkom zal geheten worden, dat alle mensen het zullen omhelzen, en zich dus zullen beijveren om de predikers er van een gerust en aangenaam leven te doen leiden, en hen in hoog aanzien te houden, dat Christus, indien Hij hun al geen pracht en macht zou geven, hun tenminste vrede zou geven, en hierin waren zij aangemoedigd door onderscheidene plaatsen in het Oude Testament, die spreken van den vrede in het koninkrijk van den Messias, hetgeen zij gaarne wilden verstaan van uitwendigen vrede. Maar, zegt Christus, "gij zult u vergissen, de uitkomst zal het tegendeel doen zien, vleit u dus niet met een ijdele hoop. Gij zult bevinden
a. Dat de uitwerking van de prediking des Evangelies verdeeldheid zal zijn. Niet alsof doel en strekking van het Evangelie niet was om de kinderen der mensen onder elkaar te verenigen, hen in heilige liefde saam te verbinden, indien allen het wilden aannemen, zou dit er het gevolg van zijn. Maar er zijn zeer velen, die het niet slechts niet willen ontvangen, maar het tegenstaan, wier bederf er door geprikkeld wordt, en die verwoed zijn op hen, die het wèl ontvangen, en zo betoont het zich niet als de oorzaak, maar als de aanleiding tot verdeeldheid. Terwijl de sterke gewapende zijn huis bewaakte, In de heidenwereld was al wat hij had in vrede, alles was rustig, want allen gingen een weg, de sekten der filosofen verdroegen zich met elkaar, kwamen tamelijk wel met elkaar overeen, en dit was ook zo met de aanbidders van verschillende godheden. Maar toen het Evangelie werd gepredikt, en velen er door werden verlicht, en van de macht van Satan bekeerd werden tot God, toen was er beroering, er ontstond een geluid, er ontstond beweging, Ezechiël 37:7. Sommigen onderscheidden zich door het Evangelie te omhelzen, en anderen vertoornden zich omdat zij dit deden. Ja, en onder hen, die het Evangelie ontvingen, zal nog verschil van gevoelen komen in ondergeschikte zaken, waardoor mede verdeeldheid zal ontstaan, en Christus laat dit toe om heilige redenen, 1 Corinthiërs 11:18, opdat de Christenen onderlinge verdraagzaamheid zouden leren en beoefenen. Romeinen 14:1, 2.
b. Dat deze verdeeldheid ook particuliere gezinnen zal binnendringen, en de prediking van het Evangelie aanleiding zal geven tot onenigheid onder de naaste bloedverwanten, vers 53 :De vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader, als de een Christen wordt en de ander niet, want de een, die Christen wordt, zal zich beijveren om door bewijsvoering en tederheid ook den ander hiertoe te bewegen, 1 Corinthiërs 7:16. Niet zodra was Paulus bekeerd, of hij sprak en handelde tegen de Griekse Joden, Handelingen 9:29. Die in het ongeloof volhardt, zal geprikkeld zijn en degene haten en vervolgen, die door zijn geloof en zijne gehoorzaamheid getuigt tegen zijn ongeloof en ongehoorzaamheid en ze veroordeelt. Een geest van dweepzucht en vervolging zal de sterkste banden van bloedverwantschap en natuurlijke liefde verbreken, zie Mattheus 10:35, 24:7. Zelfs moeders en dochters twisten met elkaar over den Godsdienst, en zij, die niet geloven, worden zo heftig en honend, dat zij bereid zijn hen, die geloven, over te leveren in de handen van bloedgierige vervolgers, hoewel zij hun anders zeer na en dierbaar zijn. Wij zien in de Handelingen, dat overal, waar het Evangelie kwam, vervolging werd opgewekt, het werd overal tegen gesproken, er ontstond geen kleine beroerte vanwege den weg des Heeren. Laat de discipelen van Christus zich dus geen vrede op aarde voorspiegelen, want zij worden gezonden als schapen in het midden der wolven.