2. En het beest dat ik zag, was, wat de romp aangaat een pardel gelijk, dat zo behendige dier met gevlekte huid en koude, wrede aard (
Habakuk 1:8 Jeremia 13:23 Jesaja 11:6), en zijn voeten waren als de voeten van een beer, die lomp en zonder verschoning alles neer treden wat er onder raakt. En zijn mond, die hij had als geheel, buiten de zeven hoofden, was als de mond van een leeuw, die zo ontzettend brult en alles met grote schrik vervult. En de draak, die het dier uit de zee had doen opstijgen, gaf hem naar het hem gegeven recht (
Lukas 4:16) zijn kracht, om geweld te oefenen over leven en vrijheid, over handel en wandel van de mensen zoals het hem behaagde en zijn troon om een koninkrijk op te richten, dat zich over de hele wereld uitstrekte en grote macht, met onbeperkte bevoegdheid om buiten de grenzen van zijn heerschappij te handelen en te regeren, als de tijd van zijn bestuur gekomen zou zijn (
Vers 5).
Niet zoals de meeste uitleggers aannemen het geheel van alle wereldmonarchieën, of de wereldmonarchie in het algemeen, zoals die in de loop van de tijd van de wereld in zeven na elkaar opkomende wereldrijken opstond, stelt dit dier uit de zee met zijn zeven hoofden voor; want het getal van de wereldrijken in hun geheel is door Daniël 7 reeds tot vier beperkt en wij hebben geen recht, om door aanvoeging van voren en achter dit getal tot zeven uit te breiden; ook is het wereldrijk van de laatste tijd slechts een wederopstaan van het Romeinse ("Da 2:38"en "Da 2:43. Ons gezicht handelt integendeel over de verschillemde vormen van het vierde wereldrijk van Daniël (Daniël 7:7), het Romeinse, waaruit ten slotte het wereldrijk van de laatste tijd, afgebeeld onder de tien met kronen versierde hoofden of het anti-christelijke rijk, zich ontwikkelt. Als wij vragen, welke van die vier vormen dus bedoeld wordt, worden wij door de zeven hoofden en tien horens met kronen bepaald gewezen op een rijk of land, dat gedurende zijn geschiedkundige ontwikkeling zeven koningsgeslachten of koningshuizen aanwijst, niet meer en niet minder en dat reeds eenmaal zijn streven en zijn bekwaamheid heeft getoond, om alle overige koninklijke machten tot een monarchie onder zijn heerschappij te verenigen. Zeker kunnen wij nog bij geen enkel rijk of land op aarde zijn geschiedkundige ontwikkeling tot de laatste tijd overzien, dat wij ten opzichte van de 7 dynastieën, die wellicht reeds nu van het begin van zijn eigen bijzonder bestaan kunnen worden aangewezen, met zekerheid zouden kunnen zeggen, dat het niet tot een achtste of negende zal komen. Dit gemis wordt echter rijkelijk vergoed door een dubbel inzicht, dat ons nu reeds de wereldgeschiedenis vergunt. Als namelijk in Hoofdstuk 17:10 van de 7 koningen, waaronder wij niet enkele personen, maar hele regenten-huizen of dynastieën moeten verstaan, wordt gezegd "vijf zijn gevallen", dan hebben wij daaraan de vrij onbedriegelijke maatstaf, om de rijken of landen in ons Europa te beschouwen, die van deze hier alleen in aanmerking zou kunnen komen. Bovendien moet dat land of rijk onder zijn zeven koningshuizen er een bezitten, waaraan het volgende karakteristieke teken wordt gezien. Israël, de vrouw van de Messias zwanger, waarvan wij in Hoofdstuk 12 hebben gelezen, heeft tot zijn koningshuis, dat volgens de bestemming van God het ten deel geworden was, het huis en het geslacht van David gehad. Uit dit huis moest de Messias of Christus voortkomen en David, de stichter van het huis, was in zijn persoonlijk wezen en in zijn eigen geschiedenis vanaf het begin zodanig, dat het tot op zekere hoogte de Christus, die kwam, voorafschaduwde. Dienovereenkomstig moet ook het rijk of land, dat van de antichrist zwanger is, als het nu reeds mogelijk zou zijn het bij name te noemen, reeds een dynastie weten aan te wijzen, welks stichter de toekomstige antichrist, die het nog eens uit zich zal doen voorkomen en zich reeds gepreformeerd, of wat zijn wezen en werken aangaat heeft voorafgeschaduwd. Wij zeggen nu zonder twijfel niet te veel, als wij Frankrijk het land noemen, dat de treurige roeping heeft om eens de antichrist voort te brengen. Vooral is sinds de revolutie van 1789 zijn geschiedenis niets meer dan een "grote smart om te baren" en zijn keizer Napoleon I heeft zich niet ontzien om de mening van koning Gustaaf IV van Zweden, dat hij de reeds verschenen antichrist zou zijn, op deze wijze te verbeteren: "de antichrist zelf ben ik niet, maar wel zijn voorloper. " Heeft nu Frankrijk werkelijk op 7 dynastieën te wijzen: 1) het Karolingische, 2) het Capetingische huis, 3) het huis van Valois, 4) van Valois Orleans, 5) het huis van Bourbon, 6) het huis Buonaparte. 7) het huis Bourbon-Orleans; dan komt het met No. 1-5 geheel overeen "vijf zijn gevallen", terwijl de dynastie van de Bourbons in onze dagen reeds zo goed als teniet gedaan is en de goddelijke leiding in de kinderloosheid van de graaf van Chambord niet te miskennen is. Is vervolgens naar Vers 18 het getal van het dier 666 en moet dit een getal zijn van een mens, niet een, dat moet gevonden worden door een geheime goddelijke, maar door menselijke berekening, waarmee gewezen wordt op de gematria of de kunst, om de getalswaarde van de letters te berekenen Jer 25:26, dan vinden wij ook, dat in de naam van het huis Buonaparte dat getal verborgen ligt. De getalswaarde van de zeven Hebreeuwse letters trbnwwb is 400 + 200 + 2 + 50 + 6 + 6 + 2 = 666. Beschouwen wij de geschiedenis van Frankrijk, zo ver die reeds bekend is en nemen wij voor de verdere gang daarvan aan, dat het huis (Bourbon) Orleans (hetzij na een tussenregering van de graaf Chambord of niet) op een niet al te verwijderd tijdstip op de troon gekomen en die dan ook behouden zal, tot na 4 mensen leeftijden een Napoleon VIII het aflost, dan geeft de op elkaar volging van de dynastieën deze getallenrij: 1, 2. 3, 4, 5 5, 7. 6, (5), 7, 6 en bovengenoemd getal 666 zou ons ook hier weer voor de ogen treden. Zo ook komen bij deze opvatting ook de wereldrijken, als men deze onder de hoofden wil verstaan, waartoe zonder twijfel een zekere aanleiding bestaat, tot hun volle recht; eerst zijn deze vier na elkaar opgetreden, het Chaldeeuwse, Medo-Perzische, Griekse, Romeinse. In het jaar 500 na Christus ontving Karel de Grote te Rome de Rooms-Duitse keizerskroon, waarmee het heilige Roomse rijk ontstond. Dit wordt vervolgens in het jaar 1806 door Napoleon 1 omver gestort; vijf waren er dus gevallen (Hoofdstuk 17:10), hemzelf komt nu als wereldmonarch het getal zes toe. Omdat er nu echter drie van deze naam opstaan en wel in voortgaand naderen tot het doel, verkrijgen wij het volgende schema: 6. 60. 600. Nap. 5. Heilige Roomse Rijk, 4. Romeinse rijk. 3. Alexanders monarchie, 2. Medo-Perzisch rijk. 1. Chald. rijk onder Nebukadnezar. Reeds konden wij bij Daniël 11:37-39 bij het karakteriseren van de antichrist niet nalaten te wijzen op het wezen en de handelwijze van Napoleon I. In die man is hetgeen in Vers 26 van die plaats van zelfverheffing gezegd is, voldoende openbaar geworden, toen hij in het jaar 1798 in Egypte zijn proclamatie gaf en daarin, hoewel voornamelijk slechts misbruik makend van het bijgeloof van de Mohammedanen: "Ik zou zeker van u rekenschap kunnen afeisen over de meest geheime gedachten van zijn hart; want ik weet alles, zelfs dat, wat men tot niemand gezegd heeft. Zalig zij, die de eersten zijn, om zich met een oprecht hart aan mij aan te sluiten". Evenals in de woorden aan de jeugdige aartshertog van Berg: "uw eerste plichten zijn die jegens mij, vervolgens jegens Frankrijk, dan jegens uw volk", zo stelde hij in alles en altijd zich boven alles. Wat hij in zijn catechisme liet leren, dat was ook in ernst de mening van zijn hart, dat hij, die keizer Napoleon eert en dient, God eert en die dient. Wat de overige dynastieën van Frankrijk aangaat, de Roomse stoel heeft ze met de naam van allerchristelijkste koningen versierd, zoals die titel eerst in Lodewijk XI (van 1461-1483) een koning is gegeven, die Gods wet zoals nauwelijks een ander despoot van de Middeleeuwen met voeten heeft getreden en wiens geestelijke overmacht over allen, met wie hij te doen had, alleen in dienst stond van onbegrensde heerszucht, zo komt hij aan ieder, die de zaken volgens Christelijke maatstaf afmeet, voor als een godslastering als een illustratie op de woorden van onze teksten op zijn hoofden was een naam van godslastering". Daardoor wordt op een hun allen gemeenschappelijke naam (wellicht in tegenstelling tot hetgeen op het voorhoofd van de hogepriester stond geschreven Exodus 28:36): Nsvl vdq d. i. "heilig de satan" ten minste zijn dat 7 letters en daaronder als eerste K: Karolingers, en als laatste N: Napoleon) als aanwijzing van hetzelfde karakter gewezen; zodat dus niet bedoeld is, dat ieder hoofd zijn eigen bijzondere naam zou hebben gehad. Er mogen nu in de lange tijdruimte van meer dan 1200 jaren enkele vorsten in Frankrijk zijn geweest, die in gezindheid en handelwijze beter waren, zodat men hen niet onder de categorie van lastering kon brengen, er is ook in het geheel alleen sprake van hoofden, of van verschillende koningshuizen en op deze allen kan die categorie worden toegepast, als men zich hun voornaamste vertegenwoordigers voorstelt. Dat enkele uitzonderingen op de geldigheid van de titel voor het geheel geen inbreuk maken, is reeds na de opmerking bij Hoofdstuk 10:7 daardoor te kennen gegeven, dat in Vers 5 met 1260 dagen maar 42 maanden zijn genoemd. Bij de beschrijving van de gedaante van het dier, welks lichaam als dat van een pardel, welk, voeten als beren voeten en welks muil als een leeuwemuil is, terwijl ook de twee horens niet ontbreken, herinnert men zich de vier dieren in Daniël 7:2-8 Wij hebben hier dus niet te doen met een zelfstandige, nieuwe wereldmacht, die naast die vier als vijfde werd gesteld maar met een, die het wezen van de andere in zich samenvat, hun karakteristieke tekenen weer opvat en in een bijzonder opzicht nog meer bepaald uitdrukt, ten slotte het streven, om de hele wereld onder een bestuur te dwingen, in de staat van de eenheid, met de 10 vazallen-rijken onder haar oppergezag werkelijk bereikt. Wat nu in de eerste plaats het slanke en gevlekte panterlichaam aangaat, zo onderscheidt zich het Franse volk door een bijzondere vlugheid en behendigheid boven alle volken van de aarde; nationaliteit en taal zijn inderdaad een mengsel van het Romeinse en het Germaanse, van Latijn en Celtisch. Hoe het met zijn lompe berenvoeten reeds alles op de aarde heeft vertrapt, ondanks alle pochen op de roem de meest beschaafde natie van de aarde te zijn, hoeven wij voor hen, die de geschiedenis kennen, niet in het bijzonder op te tellen en nu is de naam, die zij zichzelf geven van "de grote natie" het prestige, dat men met zo grote zelfverbeelding zich heeft toegekend en de stem van een aangematigde en ook in tijden van verachtering niet opgegeven zelfverheerlijking, die de aardbodem in vrees en schrik houdt, sterk genoeg, om het attribuut van leeuwemuil te rechtvaardigen: Wij moeten ons intussen ook de plaats (Hosea 13:7 v) herinneren, waar God Zijn afgevallen, ondankbaar volk dringt: "Ik werd voor hen als een felle leeuw, als een luipaard loerde Ik op de weg. Ik ontmoette hen als een beer, die van jongen beroofd is en scheurde het slot van hun harten en Ik verslond ze aldaar als een oude leeuw". Frankrijk met zijn leeuwemuil en zijn berenvoeten en zijn panters behendigheid heeft dus zeker een goddelijke missie onder de volken van Europa; het is die, om de afgevallen, ondankbare Christenen te straffen, in bestendige vrees te houden en als het laatste uur komt, te verslinden.
Hier ontmoeten wij nu in de vierde schildering van het 1260 jarige tijdsverloop een met schrikwekkende uitvoerigheid geschilderd beest. De zee, waaruit het opstijgt, is in het algemeen de zee van de volksverhuizing in het Westen, in welks golven het heidens-Romeinse wereldrijk verzwolgen is. Uit deze zee kwamen het tienkoningschap en het pausdom, nadat de volken vaste woonplaatsen verkregen hadden, voort, als opvolgers van het oude Romeinse wereldrijk. De draak had zich als een monster met zeven hoofden en tien horens tegenover de vrouw gesteld; hier verschijnt een beest, dat, naar het lichaam weliswaar een pardel gelijkt, maar in zijn zeven hoofden en tien horens nauwkeurig met de draak overeenkomt, zo zelfs dat de draak op zijn hoofd kronen draagt, het zeedier evenwel de kronen op de horens en op de hoofden namen van de lastering vertoont. De draak is onzichtbaar en beduidt de duivel, die de gemeente in het onzichtbare belaagt en zich met zijn zeven hoofden en tien horens als heer van de wereld voordoet. Het beest uit de zee is een wereldhistorische, zichtbare verschijning, waarin de draak zich verbergt; het voert zijn bevelen uit en dient zo in de eerste plaats de draak en vervolgens zichzelf. De zeven hoofden van de draak zijn een nabootsing van de zeven ogen (of horens) van het Lam; de duivel wil zoals Jezus Christus wereldbeheerser zijn; daarom draagt hij kronen op al de zeven hoofden. De tien horens beduiden de tien staten van Europa, waarop na de volksverhuizing het Pausdom rust en die hun heerschappij in bijna alle delen van de aarde laten gelden. De zeven hoofden van het beest wijzen niet zeven koninkrijken aan, die naast elkaar bestaan, omdat zich op de hoofden geen kronen bevinden. Het pausdom is slechts een van de zeven wereldrijken van de draak, dat juist door het ene hoofd, dat verwond is, aangewezen wordt. Alle hoofden dragen namen van de lastering, in zoverre dit beest niet de draak, maar het pausdom is. De kronen van de draak komen met de lasternamen van het pausdom overeen; omdat het het Evangelie vervalst heeft, lastert het bovenal God, In zoverre het zich voorts de macht over de gewetens van de mensen en over hun lichamen en over hun eigendom in deze wereld en over hun afgescheiden zielen in de andere wereld, met een monsterachtige onbeschaamdheid aanmatige en dan nog met een even voorbeeldeloze huichelarij beweert, dat het deze macht van de Zoon van God ontvangen heeft en in Zijn naam en op Zijn bevel uitoefent, lastert het God zonder ophouden, van zijn eerste aanvang af tot aan zijn verdwijning toe. Zijn mond wordt met de leeuwenmond van het eerste Daniëlitische dier, dat op de Babylonische wereldmacht wees, vergeleken. De leeuwenmond is het zinnebeeld van het vreselijk gehuil, dat het uitstoot en alles wijd en zijd doet schrikken. Daarmee zijn in het pausdom de aanmatigende beweringen van de Pausen, omdat zij plaatsbekleders van Christus, opvolgers van de Apostel Petrus en de rechtmatige Heere van de wereld zijn, gemeend; vervolgens de banbullen en banbliksems, de vervloeking van andersdenkenden in Christelijke dingen, van de zogenaamde ketters enz. Zo verenigen zich dus in dit beest de liet van de tijger, het vertreden van de beer en het gebrul van de leeuw, de drie eigenschappen van de drie eerste wereldrijken, tot een natuur, dier gelijke in de schepping van God in geen enkel dier te vinden is. Eindelijk komt nog het ontzettendste: de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht. De kracht van de draak is de innerlijke levensgrond van het beest uit de zee, afgezien nog van zijn tien gekroonde horens, die de troon van de draak beduiden. Reeds in de zeven zendbrieven is van satansscholen en in de brief aan Pergamus van de troon van de satan sprake. De troon is het zinnebeeld van de koninklijke heerschappij. De kracht, waardoor dit dier innerlijk en onzichtbaar bezield wordt, is die van de draak; uiterlijk en zichtbaar is het tien-koningschap zijn troon, die het zich juist door deze kracht verwierf en tegelijk daarmee, naar binnen en naar buiten, onzichtbaar en zichtbaar, de grote macht, waarmee het sinds zijn troonsbestijging heerst.
Hetgeen nu bij Daniël de vier dieren zijn, wordt bij Johannes tot een dier samengevat en vandaar de beschrijving, die er in het tweede vers van gegeven wordt; want terwijl Daniël de wereldheerschappijen, die als vijanden van God en Zijn volk optraden, ieder afzonderlijk beschouwt, is de voorstelling bij Johannes die van een doorlopende macht, die zich in vijandschap stelt tegen God, van de aanvang af, toen God Zich uit Abrahams zaad een volk ten eigendom uitverkoor, tot aan de afloop van de eeuwen en van de huishouding van de dingen op aarde. De pardel of luipaard vindt men op verschillende plaatsen van het Oude Verbond als een wreed, maar vlug en sterk dier. Het maakt hier het hoofdbeeld uit, de romp, terwijl van de leeuw alleen de mond en van de beer alleen de voeten genoemd worden. Het bontgevlekte luipaard is een beeld van de vlekken van de zonde: "Zal ook een moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? zo zullen jullie ook kunnen goed doen, die geleerd bent kwaad te doen. " Het beest heeft "voeten als beren voeten", waardoor het aangrijpende, aanvallende wordt aangeduid van de wereldheerschappij; immers de beer bedient zich daartoe van zijn klauwen. Ook Daniël plaatst de beer in een aanvallende houding, terwijl bij de "leeuw" al het vreselijke in de mond (muil) bestaat.
Zoals de vrouw de Gods-gemeente in haar geheel voorstelt, zo het Beest het wereldrijk door alle tijden heen, beginnende van dat tijdstip, dat Godsrijk en wereldrijk zich afscheiden en er een tegenstelling op aarde zichtbaar wordt. Want evenmin als in het voorgaande door Johannes uitsluitend de Christelijke gemeente wordt bedoeld; evenmin hier slechts de Romeinse wereldheerschappij van zijn tijd, of het een of het andere ontwikkelings-tijdperk van het Romeinse rijk. Hiertegen getuigt de beschrijving van het Beest, dat de reeds verlopen wereld-monarchieën in zich sluit van leeuw, beer en pardel. Men mag ook niet veronderstellen dat Johannes zich het vierde dier van Daniël uit de vroegeren te samengesteld had gedacht. Daniël beschrijft ons zelf dit vierde beest; en wanneer nu aan Johannes dit vierde beest met uitsluiting van de anderen getoond moest worden, zo zou toch niets ongeschikter hebben kunnen gebeuren, dan juist de vroegere beesten daarin op te nemen. Ook kan men niet zeggen dat de eerste wereld-monarchieën voorgesteld worden als in het Romeinse rijk ingelijfd; was dit het geval, dan zou in Daniëls profetie de leeuw ook in de beer en deze later in de pardel ingelijfd, zijn voorgesteld. Veel meer is de enige natuurlijke verklaring van Hoofdstuk 13:2, dat dit beest de wereld-heerschappij in haar geheel betekent, dat zij in verschillende hoofden (monarchieën) aan het licht treedt. Bovendien hebben de beesten en de wijze, waarop zij in het apocalyptische Beest zijn verenigd: "dat pardellijf", "die berenpoot", "die leeuwemuil" ieder eigenaardig wel hun verklaring. De pardel wijst op listige en afgerichte valsheid, behendigheid en wreedheid; de berenpoten, die op de voetzolen gaan, op koelbloedige, sluipende, maar onbeschaamde en vermetele stappen met grote volharding; de leeuwemuil op hoogmoedig gebrul en vraatzuchtige verovering; het geheel te samen genomen, op list en woede.
Dit wordt het geschiktst verklaard voor de nieuwe Roomse heerschappij, die in deze stad, over de tijd van de vertreding van de heilige stad, en van de vlucht van de Christelijke kerk, die in de woestijn is opgericht, zich over de hele Christenheid voornamelijk in het Westen heeft uitgestrekt. Welke heerschappij, zo zij tweeërlei is, namelijk een wereldse, die de antichrist boven alle koningen, prinsen en republieken directelijk of indirectelijk uitsteekt en de geestelijke, die hij over alle bisschoppen, abten, prelaten en priesters in de Kerk aanneemt, zo worden deze beiden geusurpeerde machten in dit gezicht onder de gedaante van deze twee beesten duidelijk voorgesteld, zoals hier namaals ook door de koninklijk opgesmukte hoer, die op dit beest zit, en vergezeld is door de valse profeet; want dit is eigen aan de Apostel in dit schrift, dat verscheidene eigenschappen en werkingen van personen door verscheidene gezichten vertoond worden, zoals hier te voren vertoond wordt (Hoofdstuk 2) door de Christelijke kerk en zijn voorhoven en Hoofdstuk 12, door een vrouw met de zon bekleed: ja zoals Christus zelf vaak wordt ingevoerd als een Lam, soms als een Engel en Priester van de hemel en als een overwinnaar zittend op een wit paard.
De paus van Rome is de Antichrist. Dit volgt in vier bewijsredenen genomen. 1. van zijn naam ateinovLateinos, uitmakende een getal van 666. 2. van zijn zitplaats of stoel, het zevenbergig Rome. 3. van zijn opvolging en tijd van de openbare vertoning, de vorige regeerders van Rome volgende en tegelijk voor de dag komende met de kroning van de tien horens, dat is koningen, die uit de vernietiging van het keizerrijk sproten, waardoor hij zijn macht uitvoert. 4. van zijn gedrag, dat in zeven zaken aangewezen wordt. De Antichrist komt op uit de zee, niet eigenlijk, maar oneigenlijk genomen. Hier betekent de zee ongestadigheid, woeling, verwarring, die als een zee alles overstromen (Jeremia 51:42): een zee is over Babel gerezen, door de veelheid van haar golven is zij bedekt (Jesaja 57:20): De goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten. Toen de Kerk verlost was van de dwingelandij van de heidense keizers, raakte het alles in verwarring, velerlei ketterijen namen in de Kerk de overhand. Daarbij kwam een verschrikkelijke hoogmoed; ieder wilde in de Kerk de eerste zijn. Daardoor raakte de Kerk onder vier hoofdbisschoppen; en van vier kwam het op twee, namelijk van Rome en Constantinopel; hierbij raakte in het burgerlijke alles overhoop. Toen Constantijn Rome verlaten had en zijn zetel te Bijzantium, nu Constantinopel genoemd, genomen had, vielen de Gothen, Wandalen, Longobarden en andere volken in het westerse keizerrijk en in Italië, en maakten het westerse keizerrijk teniet; dan wordt hij uit het midden weggedaan, die hem, de Antichrist, weerhield (2 Thessalonicenzen 2:7). In deze verwarring trok de bisschop van Rome alles aan zich, terwijl hij zich, zoveel in hem was, beijverde tot hij alleen voor het hoofd van de kerk erkend werd. Het gezicht was een vertoning van opkomen uit de zee en de betekenis is het opkomen van de paus, de Antichrist uit verwarringen. De zeven hoofden zijn zeven bergen, waarop de vrouw zit. Door de horens strijden de gehoornde beesten, daarmee verweren zij zich en beschadigen anderen. Deze tien horens zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen (toen Johannes dit schreef), maar als koningen macht ontvangen op een uur met het beest (Hoofdstuk 12:3) had de rode draak de tien horens virtualiter, in het vermogen in zich en zullende uit hem voortkomen; maar de horens waren nog niet gekroond. Zij hadden het koninkrijk nog niet ontvangen. Zij regeerden toen nog niet, maar zij kregen macht om te regeren, de koninklijke hoeden, dat is kronen, over dezelfde tijd, als het pauselijk beest macht ontving, die in het jaar 606 voor het hoofd van de Kerk uitgeroepen werd, toen het Westerse rijk verwoest was door de Gothen en Wandalen, die het keizerrijk onder zich in verscheidene koninkrijken verdeelden. Deze koningen waren de horens van het beest, omdat hij door hen zijn wil uitvoerde. De zeven hoofden worden beschreven van hun opschrift, dat hun natuur en werk te kennen geeft. Op de hoofden was een naam van godslastering, daarin waren zij gelijk. Zij onteerden God, zij schreven God toe hetgeen met Zijn heilige natuur niet overeenkomt. Zij ontkenden van God wat Hem toekomt, zij eerden andere dingen naast en boven God, Hem tot smaadheid en oneer, die toch Zijn eer geen anderen geven wil. Het is op te merken dat op deze zeven hoofden de naam van godslastering was, want ook in dit opzicht zullen zij naderhand voorkomen. Als een godslasterend hoofd wordt de wond genezen.
Men past dit het beste toe op het Rooms antichristelijk rijk. Het is een beest gelijk, werelds naar de vorm van de wereldse monarchieën en veelheid van leden, wijde uitgestrektheid, gedaante en wijze van regering, grote kracht en tirannie. De zee, waaruit het opkomt, is het Westerse en Europese werelddeel, of men kan er de afgrond door verstaan, omdat het uit de oude ketterijen en heidense zeden is voortgekomen. Zijn "opkomen" vertoont, hoe het verborgen ontvangen en gekweekt is, voordat het in het openbaar aan de dag kwam (2 Thessalonicenzen 2:7-8). Wat Vers 1 verder meldt verstaat men van de grote kracht en koninklijke majesteit, te zien in de drievoudige kroon van de paus (zie verder bij Hoofdstuk 17:9-12). De samengestelde gedaante van pardel, leeuw en beer toont de wreedheid, welke die van het heidens Rome overtreffen. In het bijzonder kan men denken bij de pardel aan de gevlekte meningen van heidense ketterijen, onder valse godsdiensten en bij de berenvoeten aan de vastheid van dit rijk door canones, besluiten enz., terwijl de draak het zijn kracht geeft, aan het antichristendom zijn kracht en werking verleent.
Wij hebben hier een groot en geheimzinnig koninkrijk onder het zinnebeeld van een groot en wreed wild dier, dat Johannes zag uit de zee opkomen, namelijk in navolging van de dieren bij Daniël (7:3). Men moet hier dus denken aan enige volken, die in deze tijd, waarin deze openbaring aan Johannes geschied is, voor barbaren werden gehouden, zoals de Franken, Germanen, Engelsen, Bohemers en in het algemeen de Noordse volken. Wij aarzelen hier niet te erkennen het rijk van het verborgen Babylon of vals Christelijk Rome, de vervolgster van de heiligen, dat uit de overblijfselen van het oude verwoeste Roomse rijk in het Westen zal worden geboren en zich vertonen zal in tien machtige koninkrijken van Europa, die zich omwille van de godsdienst met Rome zullen verenigen en aan haar bijgeloof en wreedheid voor een tijd ten dienste zullen staan, dat Johannes gezien heeft omstreeks ten tijde van Gregorius VII, d. i. op het einde van de 11 de eeuw voortgekomen te zijn uit de zee van de Noordse volken en met een uitwendige vreselijke gedaante in de wereld verschenen is.