Jesaja 64:6-12
Gelijk wij de Klaagliederen van Jeremia hebben, zo hebben wij Klaagliederen van Jesaja, de inhoud van beide is dezelfde, de verwoesting van Jeruzalem door de Chaldeën en de zonde van Israël, die daarvan de oorzaak was. Alleen met dit onderscheid: Jesaja ziet die op een afstand en klaagt er over door de Geest van de profetie, en Jeremia zag: de vervulling.
In deze verzen:
I. Belijdt en beweent het volk van God in zijn beproeving zijn zonden, daarbij God rechtvaardigende over de beproevingen en zichzelf Gods barmhartigheid onwaardig keurende, en daardoor trekt het nut van de kastijding en wordt voor de verlossing bereid. Nu zij onder de goddelijke bestraffing verkeerden, hadden zij niets om op te vertrouwen dan de goddelijke barmhartigheid en de voortduring daarvan. Onder hen was er niemand, om hen te helpen ben te ondersteunen, voor hen in de bres te staan of als voorspraak op te treden, want zij waren allen met zonden besmet en daardoor buiten staat om tussen te treden, allen zorgeloos en nalatig in hun plicht en daarom onbekwaam om voorspraak te zijn.
1. Er was een algemeen bederf van zeden onder hen, vers 6. Wij allen zijn als een onreine en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed. Wij zijn als overdekt met melaatsheid en moeten daarom buiten de samenleving gesloten worden. Het volk in zijn geheel was als onder ceremonieële besmetting, zodat het tot de voorhoven van de tabernakel niet mocht naderen, het was als aangetast door een of andere walgelijke ziekte, van de hoofdschedel tot de voetzool was er niets dan wonden en zweren, Hoofdstuk 1:6. Wij werden door de zonden allen niet alleen verwerpelijk voor Gods gerechtigheid, maar afschuwelijk voor Zijn heiligheid, want de zonde is een afschuwelijk ding, hetwelk de Heere haat. Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed.
a. De besten van onze zijn zo, wij allen zijn zo verdorven en besmet, dat zelfs zij in ons midden, die voor rechtvaardigen gehouden worden, slechts gelijk vuile lompen zijn, die op de mesthoop moeten geworpen worden, in vergelijking met onze vaderen, die vrolijk waren en de gerechtigheid deden, vers 5.
b. De beste van onze handelingen zijn zo. Er is niet alleen een algemene verbastering van zeden, maar een algemeen gebrek in onze godsdienstige verrichtingen bovendien. Hetgeen als offerande van de gerechtigheid dienen moet, is als het onderzocht wordt, gescheurd, lam en ziek en daarom is het beledigend voor God en verwerpelijk. Onze handelingen, al schijnen zij nog zo rechtmatig, zijn als vuile lompen, lompen die ons niet bedekken kunnen en ons slechts verontreinigen, indien wij er voor onze rechtvaardigmaking op steunen en menen dat wij daardoor iets bij God kunnen verdienen. Ware boetvaardigen werpen hun afgoden als vuile lompen weg, Hoofdstuk 30:22, die zijn in hun ogen walgelijk, daardoor erkennen zij dat hun gerechtigheid in Gods ogen zo is dat Hij nog niet hen naar streng recht handelen moet. Onze beste deugden zijn zo gebrekkig en komen zoveel te kort, dat zij als lompen zijn, en er kleeft bovendien zoveel zonde en bederf aan, dat zij zijn als vuile lompen. Indien wij het goede doen willen, ligt het kwade ons bij, en de ongerechtigheid van onze heilige dingen zou onze ondergang zijn, indien wij onder de wet waren. 2. Er was een algemene koudheid van toewijding onder hen, vers 7. De maat van ongerechtigheid van het volk was overstromend vol, en er werd niets gedaan om haar te ledigen.
a. In zekeren zin werd het gebed verwaarloosd. Er is niemand die Uw naam aanroept, niemand die U vraagt om genade voor bekering te bewijzen en onze zonden weg te nemen, om barmhartigheid te betonen in de verlichting en verwijdering van de oordelen, welke onze zonden over ons gebracht hebben. Daarom zijn de mensen zo slecht, omdat zij niet bidden, Psalm 14:3,4. Zij zijn allen afgeweken, want zij roepen de Heere niet aan. Het staat treurig met een volk, wanneer het gebed verkwijnt.
b. Het gebed werd zeer achteloos gebracht. Indien er al hier en daar een was die Gods naam aanriep, dan deed hij het met grote onverschilligheid. Er is niemand die zich opmaakt dat hij U aangrijpt. Bidden is God aangrijpen door het geloof de hand leggen op de beloften en de verzekeringen die God gegeven heeft van zijn genegenheid tot ons en daarop te pleiten. Het is Hem vasthouden als iemand die on het punt staat om ons te verlaten, Hem ernstig te bidden om ons niet te verlaten, of indien dat reeds geschied is, Hem te smeken om terug te keren. Het is Hem die met ons worstelt, vasthouden, want het zaad van Jakob worstelt ook met Hem en overwint. Indien wij God aangrijpen, dan doen wij als de schipper die met zijn haak de kust aangrijpt alsof hij die tot zich trekken kon, maar in werkelijkheid trekt hij zichzelf naar de kust, zo indien wij waarlijk bidden, brengen wij God niet tot ons, maar onszelf tot God. Zij die God door het gebed zo willen aangrijpen dat zij Hem overmogen, moeten zichzelf daartoe aanvuren, al wat in ons is moet daarop gericht zijn, al onze gedachten er mee bezig, al onze aandoeningen er door opgewekt zijn, -het is altijd nog zwak genoeg! In overeenstemming daarmee moet al wat in ons is in het werk gesteld en opgeroepen worden tot de dienst, wij moeten opwekken de gave die in ons is door een onafgebroken beschouwing van de belangrijkheid van het werk dat voor ons is en er onze gehele ziel op zetten, want hoe kunnen wij verwachten dat God in de weg van barmhartigheid tot ons komen zal, indien er niemand is die dat doet, indien zij die belijden bidders te zijn niets zijn dan lediggangers?
II. Zij erkennen dat al hun droefenissen niets anders zijn dan de gevolgen van hun eigen zonden en van Gods toorn.
1. Zij hebben al hun onheilen door hun eigen dwaasheid zelf over zich gebracht. Wij zijn allen onrein, daarom vallen wij allen af als een blad, vers 6, niet alleen verwelken wij en verliezen onze schoonheid, maar wij vallen af als bladeren in de herfst. Onze belijdenis van de godsdienst verwelkt en wij worden droog en saploos, onze voorspoed verwelkt en gaat te niet, wij vallen zwak en verachtelijk op de grond en onze misdaden voeren ons weg als een wind. Zij jagen ons in de gevangenschap, gelijk de wind in de herfst komt aanstormen en de afgevallen bladeren wegvaagt, Psalm 1:3,4. Zondaren worden afgerukt en dan weggevoerd door de heftige wind van hun eigen ongerechtigheden, die hen doen verwelken en hen afrukken.
2. God bracht hun onheilen over hen door Zijn toorn, vers 7. Gij verbergt Uw aangezicht voor ons. Gij zijt op ons misnoegd en weigert ons te hulp te komen. Geen wonder dat, zo zij zich maakten tot een onrein ding, God met afkeer Zijn aangezicht van hen afwendde. Maar dat was niet alles: Gij doet ons smelten door middel van onze ongerechtigheden. Dit is dezelfde klacht als in Psalm 90:7, 8. Wij vergaan, of eigenlijk: wij smelten weg, "door Uw toorn." God had hen in de smeltkroes geworpen, niet om hen als schuim te verteren, maar om hen als goud te louteren, opdat zij gereinigd en vernieuwd mochten worden. III. Zij beroepen zich op hun betrekking tot God als hun God, en pleiten daar nederig op en bevelen zich naar aanleiding daarvan bij Hem aan, vers 8. Doch nu, Heere, Gij zijt onze Vader: ofschoon wij ons zeer ongehoorzaam en ondankbaar jegens u gedragen hebben, toch blijven wij erkennen dat Gij onze Vader zijt, en ofschoon Gij ons hebt gekastijd, hebt Gij ons toch niet verworpen. Ofschoon wij dwaas en zorgeloos zijn, arm en veracht, en door onze vijanden vertreden worden, toch zijt Gij onze Vader, daarom keren wij met berouw tot U weer, gelijk de verloren zoon tot zijn vader terug kwam, U bevelen wij ons in onze gebeden aan, van Wien anders dan van onze Vader zouden wij verlichting en hulp verwachten? Wij zijn onder de toorn van een Vader, die met ons verzoend zal worden en de toorn niet eeuwig behouden zal. God is hun Vader
1. Door de Schepping, Hij gaf hun het aan zijn, formeerde hen tot Zijn volk, maakte hen zoals het Hem behaagde. Gij zijt onze pottenbakker en wij allen zijn het werk van Uw handen. Daarom zullen wij niet met U twisten, hoe Gij ook met ons handelt, Jeremia 18:6. Zelfs mogen wij hopen dat Gij ons gunstig behandelen zult dat Gij ons zult nieuw maken, nieuw vormen ofschoon wij onszelf mismaakt en misvormd hebben. Wij zijn wel allen als een onreine, maar wij zijn ook allen het werk van Uw handen. Neem daarom onze onreinheid weg opdat wij geschikt mogen worden voor Uw dienst het gebruik waarvoor wij bestemd zijn. Wij zijn het werk van Uw handen daarom verlaat ons niet, Psalm 138:8.
2. Door het verbond. Daarop wordt gepleit vers 9. Zie, Heere, en aanschouw toch, wij zijn allen Uw volk, wij zijn al het volk dat Gij in deze wereld hebt, dat openlijk Uw naam belijdt. Wij worden Uw volk genoemd-onze naburen beschouwen ons als zodanig, en daarom heeft hetgeen wij lijden ook betrekking op U en kan de verlossing, die wij behoeven, alleen van U verwacht worden. Wij zijn Uw volk, en zou niet een volk zijn God zoeken? Hoofdstuk 8:19. Wij zijn de Uwen, help ons! Psalm 119:94. Wanneer wij door Gods voorzienigheid gekastijd worden, moeten wij vasthouden aan onze verbondsbetrekking met Hem.
IV. Zij houden bij God aan om afwending van Zijn toorn en om vergeving hunner zonden, vers 9. Heere, wees niet zozeer verbolgen, ofschoon wij het wel verdiend hebben, en gedenk niet eeuwiglijk onze ongerechtigheden. Zij bidden niet uitdrukkelijk om wegneming van de oordelen, waaronder zij verkeren, dat laten zij aan God over.
1. Zij bidden dat God met hen verzoend moge worden, en dan kunnen zij rustig zijn hetzij de beproeving aanhoudt of weggenomen wordt. Wees niet in eeuwigheid verbolgen, maar laat Uw toorn gestild worden door de genade en het medelijden van een vader. Zij vragen niet: Heere, kastijd ons niet, want dat kan nodig zijn, maar: kastijd ons niet in Uw toorn en in Uw grimmigheid. God verbergt Zijn aangezicht in een kleine toorn.
2. Zij bidden dat zij niet mogen behandeld worden zoals hun zonden verdiend hebben. Gedenk niet eeuwiglijk onze ongerechtigheden. De zonde is zo'n kwaad, dat zij verdient eeuwiglijk gedacht te worden, en dat is hetgeen waarvoor zij vrezen, dat eeuwigdurend gevolg van de zonde. Zij bewijzen dat zij zich waarlijk vernederen onder de hand Gods, die meer bevreesd zijn voor de schrik van Gods toorn en de noodlottige gevolgen van de zonde, dan voor enig oordeel van welke aard ook, omdat zij de zonden beschouwen als de prikkel des doods.
V. Zij brengen in het hof des hemels een zeer droevig verslag van de betreurenswaardige toestand, waarin zij verkeren en de verwoesting, waaronder zij kermen. 1. Hun eigen huizen liggen in puin, vers 10. De steden van Juda waren door de Chaldeën verwoest en de inwoners waren weggevoerd zodat er niemand was om ze te herstellen of er enige aandacht aan te wijden Zij zouden dus binnen weinige jaren een volkomen wildernis worden. Uw heilige steden zijn een woestijn geworden. De steden van Juda worden heilige steden genoemd, omdat het volk Gode een koninklijk priesterdom was. De steden hadden synagogen, waarin God werd gediend, en daarom bewenen zij haar verwoesting en wijzen er op in hun gebed tot God, niet zozeer omdat die steden zo schoon, rijk en oud waren, maar omdat zij heilige steden waren, waarin Gods naam werd gekend, beleden en aangeroepen. Deze steden zijn een woestijn geworden, haar schoonheid is vernietigd, zij zijn zelfs niet meer bewoonbaar. "Zij hebben al Gods vergaderplaatsen in het land verbrand," Psalm 74:8. Zelfs waren het niet alleen de kleinere steden die tot onbezochte wildernissen gemaakt waren, maar ook Zion is een woestijn geworden, de stad van David ligt zelfs in puin Jeruzalem, dat schoon was van gelegenheid en een vreugde van de gehele aarde, is nu misvormd, en de schaamte en aanfluiting van de gehele aarde geworden, die edele stad is een hoop puin en gruis, een verlaten bouwval. Zie welke verwoestingen de zonde over een volk brengt, en hoe een uitwendige belijdenis daartegen niet waarborgen zal, indien heilige steden goddeloze steden worden, zullen zij het eerst van alle in een woestijn veranderd voorden, Amos 3:2.
2. Gods huis is een puinhoop, vers 11. Daarover weeklagen zij in de voornaamste plaats dat de tempel met vuur verbrand was, maar zodra die gebouwd was, werd hun gezegd wat hun zonden er van maken zouden, 2 Kronieken 7:21 :Dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal een ieder die voorbijgaat, zich ontzetten.
Merk op met hoeveel aandoening zij de verwoesting van de tempel bewenen.
a. Het was ons heilig en heerlijk huis, het was een zeer kostbaar gebouw, maar Zijn heiligheid was in hun ogen zijn grootste schoonheid, en daarom was de ontheiliging daarvan het ergste deel van hun ellende en dat hen het meest griefde, nu de heilige diensten niet meer er in voortgezet konden worden.
b. Het was de plaats waarin onze vaderen U loofden met hun offeranden en lofliederen. Hoe vreeslijk dat het nu in puin en as ligt, nadat het gedurende eeuwen de heerlijkheid van hun volk geweest was. Het verzwaarde het tegenwoordig ontbreken van de liederen Zions, dat hun vaderen zo menigmaal God daarmee geloofd hadden. Zij vragen Gods belangstelling in hun lot door er op te wijzen, dat dit het huis was, waarin Hij geloofd werd en brengen Hem ook het verbond met hun vaderen in herinnering door melding te maken van de lof hunner vaderen.
3. Al onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden, al wat zij begeerlijks en heerlijks hadden, alle dingen die zij in de dienst van God gebruikten, niet alleen het gereedschap van de tempel, de altaren en de tafel, maar ook bijzonder hun sabbaten en nieuwe manen, al hun godsdienstige feesten, die zij gewoon waren met blijdschap te vieren, hun priesters en plechtige vergaderingen, alles was verdwenen. Gods kinderen houden hun geheiligde dingen voor de meest begeerlijke, beroofd van de heilige instellingen en de genademiddelen, zijn zij ontbloot van al hun gewenste dingen. Wat hebben zij meer? Zie hier hoe God zijn belangen en die van Zijn volk ineengeweven heeft, wanneer zij spreken van de steden, welke zij zelf bewoonden, noemen zij die uw heilige steden want die waren Gode gewijd, en wanneer zij spreken van de tempel, waarin God woonde, zeggen zij ons heilig huis en noemen al zijn vaten onze gewenste dingen, want zij waren aan die tempel en al zijn belangen hartelijk verbonden. Indien wij op die wijze God betrekken in al onze belangen door ze aan Zijn dienst te wijden en zelf belangstellen in al hetgeen Hem betreft door dat na aan ons hart te houden, dan kunnen wij met gerustheid beide aan Hem overlaten, want dan zal Hij voor beide zorgen.
VI. Zij besluiten met een aandoenlijke vraag: nederig God wijzende op hun tegenwoordige beproevingen, vers 12. Heere, zoudt Gij U over deze dingen inhouden? Of: kunt Gij U aan deze dingen onttrekken? Kunt Gij zien dat Uw tempel verwoest is, zonder U dat aan te trekken en het te wreken? Heeft de ijverige God vergeten ijverig te zijn? Psalm 74:22. Sta op, Heere, handhaaf Uw eigen zaak! Heere Gij zijt beledigd, Gij zijt belasterd, en zoudt Gij stilzwijgen en er geen kennis van nemen? Zullen de hoogste beledigingen, die men U kan aandoen, ongewroken blijven? Wanneer wij verongelijkt worden, zwijgen wij, omdat niet ons de wraak toekomt, en omdat wij een God hebben aan Wien wij onze zaak kunnen overlaten. Wanneer God in Zijn eer aangetast is, kan men met grond verwachten, dat Hij zal spreken van wraakneming daarover. Zijn volk schrijft Hem niet voor wat Hij zeggen moet, maar het bidt, gelijk hier. Zwijg niet, o God, Psalm 83:1, Zwijg niet, O God mijns lofs, Psalm 109:1. Spreek tot overtuiging van Uw vijanden, spreek tot vertroosting en verlichting van Uw volk. Zoudt Gij stilzwijgen en ons zozeer bedekken? Of: ons voor altijd verdrukken? Het is een zware beproeving voor de Godvrezenden, te zien dat Gods heiligdom verwoest ligt en dat God niets doet om het weer uit de puinhopen te doen verrijzen. Maar God heeft gezegd dat Hij niet eeuwiglijk zal twisten, en daarom mag Zijn volk er op vertrouwen dat hun droefenissen niet eeuwig zullen duren, maar licht en van korten duur zijn.