Psalm 90:7-11
In de vorige verzen had Mozes de broosheid beweend van het menselijk leven in het algemeen, de kinderen van de mensen zijn als een slaap, en als het gras, maar hier leert hij het volk Israël op bijzondere wijze het vonnis des doods voor God te belijden, waaronder zij zich bevonden, en dat zij door hun zonden over zich gebracht hadden, hun delen in het algemene lot van de sterflijkheid was niet genoeg, zij zijn, zij moeten leven en sterven onder zeer bijzondere tekenen van Gods misnoegen. Hier spreken zij van zichzelf: Wij Israëlieten, vergaan door Uwen toorn, en door Uwe grimmigheid worden wij verschrikt, en onze dagen gaan henen.
1. Hier wordt hen geleerd te erkennen dat de toorn Gods de oorzaak is van al hun ellende. Wij vergaan, wij worden verschrikt, en het is door Uwen toorn, door Uwe grimmigheid, vers 7, onze dagen gaan henen door Uwe verbolgenheid, vers 9. De beproevingen van de heiligen komen dikwijls zuiver en alleen uit Gods liefde, zoals die van Job, maar de bestraffingen van zondaars, en van Godvruchtigen om hun zonden, moeten gezien worden als komende van Gods toorn, want God let op de zonden van Israël, en is er zeer misnoegd over. Wij zijn maar al te zeer gezind om de dood te beschouwen als niets meer dan een schuld aan de natuur, maar zo is het niet, indien de natuur des mensen haar oorspronkelijke reinheid en rechtheid had behouden, dan zouden wij er niets aan verschuldigd geweest zijn, wij zouden er geen schuld aan te betalen hebben gehad, neen het is een schuld aan de gerechtigheid Gods een schuld aan de wet. De zonde is ingekomen in de wereld, en door de zonde de dood. Vergaan wij door het verval van de natuur, zwakheld van de ouderdom, of door een chronische ziekte? Wij moeten het toeschrijven aan Gods toorn. Worden wij verschrikt door een onverwachte slag? Ook dat is de vrucht van Gods toorn, die aldus geopenbaard is van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen.
2. Hen wordt geleerd hun zonden te belijden, die de toorn Gods tegen hen hadden opgewekt, vers 8. Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden. Het was niet zonder oorzaak, dat God toornig op hen was. Hij had gezegd: "Vertoornt Mij niet door uwer handen werk, en Ik zal u geen kwaad doen, " maar zij hadden Hem vertoornd en zullen erkennen dat Hij, in dit strenge vonnis over hen uit te spreken, hen rechtvaardiglijk strafte:
a. Voor hun openlijke minachting van Hem en de beledigingen, die zij Hem hadden aangedaan, Gij stelt onze ongerechtigheden voor U. God had hierin het oog op hun ongeloof en murmureren, hun wantrouwen van Zijn macht en hun minachten van het goede land, dit alles heeft Hij voor zich gesteld toen Hij dat vonnis over hen uitsprak, dat alles heeft het vuur van Gods toorn tegen hen doen ontbranden en het goede van hen onthouden.
b. Voor hun meer verborgen afwijken van Hem. Gij stelt onze heimelijke zonden, die, welke niet verder gaan dan het hart en op de bodem zijn van al de openlijke daden, in het licht Uws aanschijns, Gij hebt deze ontdekt, en ze ook in rekening gebracht, en ze ons doen zien, daar wij ze tevoren hadden voorbij gezien. Heimelijke zonden zijn bekend aan God, en er zal voor afgerekend worden. Met hen, die in hun hart terugkeren naar Egypte, die in hun hart afgoden oprichten, zal gehandeld worden als met afvalligen en afgodendienaars. Zie de dwaasheid van hen die hun zonden pogen te bedekken, want zij kunnen ze niet bedekken. 3. Hen wordt geleerd om zichzelf te beschouwen als stervende en voorbijgaande, en evenmin te denken aan een lang leven als aan een aangenaam leven, want het raadsbesluit, dat tegen hen was uitgegaan, was onherroepelijk, vers 9. Al onze dagen gaan henen door Uwe verbolgenheid, onder de tekenen van Uw misnoegen en, hoewel wij niet geheel beroofd zijn van het overblijfsel van onze jaren, zullen wij die toch waarschijnlijk doorbrengen als een gedachte, als een verhaal, dat verteld wordt. De acht en dertig jaren, die daarna doorgebracht werden in de woestijn, waren geen onderwerp voor de gewijde geschiedenis, want weinig of niets wordt ons meegedeeld van hetgeen van het tweede tot het veertigste jaar met hen is voorgevallen. Nadat zij uit Egypte gekomen waren, werd hun tijd weggebeuzeld, het was niet waard om het onderwerp te zijn van een geschiedverhaal, het was slechts een sprookje, dat verteld wordt want het was niets meer dan een tijdverdrijf, zoals het vertellen van sprookjes, waarmee zij die jaren in de woestijn doorbrachten. Gedurende al die tijd vergingen zij, terwijl een ander geslacht aan het opkomen was. Toen zij uit Egypte kwamen, "was er onder hun stammen niemand, die zwak was," Psalm 105:37, maar nu waren ze allen zwak. Hun blij vooruitzicht op een voorspoedig roemrijk leven in Kanaän had plaats gemaakt voor het treurig vooruitzicht op een vervelend moeizaam leven en een roemloze dood in de woestijn, zodat hun gehele leven thans even ijdel en onbeduidend was als ooit een winteravond-sprookje geweest is. Dat is van toepassing op de staat van een ieder van ons in de woestijn van deze wereld. Wij brengen onze jaren door, wij brengen ze ten einde, ieder jaar en alle jaren, als een vertelsel dat men doet, als de adem van onze mond in de winter (naar sommiger opvatting) die spoedig verdwijnt, als een woord, dat spoedig gesproken is en dan vervliegt in de lucht. Het doorbrengen van onze jaren is als het doen van een verhaal, het vertellen van een geschiedenisje. Een jaar, dat voorbij is, is als een verhaal, dat verteld is. Sommige van onze jaren zijn als een aangenaam verhaal, andere als een tragische geschiedenis, de meeste zijn gemengd, maar alle kort en voorbijgaand, wat lang was in het doen, het geschieden, kan in weinig tijds verhaald worden. Onze jaren kunnen, als zij voorbij zijn gegaan, evenmin herroepen worden als het woord herroepen kan worden, dat wij hebben gesproken. Het verlies, de verkwisting van onze tijd door onze schuld en dwaasheid, kan aldus betreurd worden, wij behoorden onze jaren door te brengen, zoals men zaken doet, met zorg en vlijt, maar helaas, wij brengen ze door als met het vertellen van een sprookje, op ijdele, nutteloze, zorgelooste wijze, zonder er acht op te geven.
Elk jaar ging voorbij als een verhaal, dat verteld wordt, maar wat was het aantal ervan? Gelijk zij ijdel, nutteloos waren, zo waren zij ook weinige, vers 10, zeventig of tachtig op zijn hoogst, hetgeen verstaan kan worden, hetzij:
a. Van het leven van de Israëlieten in de woestijn. Allen, die geteld waren, toen zij uit Egypte kwamen, van twintig jaren oud en daarboven, moesten binnen acht en dertig jaren sterven. Zij hadden alleen diegenen geteld, die ten heire konden uittrekken, van wie de meesten, naar wij kunnen onderstellen, tussen twintig en veertig jaren oud waren, en dus allen gestorven moesten zijn voor zij tachtig jaren oud waren, en velen voor dat zij zestig jaren oud waren, en misschien nog veel eerder, zodat hun leven ver achterbleef bij dat hunner vaderen. En wat hen betreft die zeventig of tachtig jaren oud werden, zij lagen onder het vonnis van wegtering, en daar zij er aan moesten wanhopen om ooit uit die woestijntoestand te komen was hun kracht hun leven, niets dan moeite en verdriet dat anders door de blijdschap en de genietingen van Kanaän tot een nieuw leven zou zijn geworden. Zie welk werk de zonde doet. Of b. Van het leven van de mensen in het algemeen sedert de dagen van Mozes. Voor Mozes' tijd leefden de mensen gewoonlijk honderd, of bijna en vijftig jaren, maar sedert zijn tijd is zeventig of tachtig de gewone levensduur, die slechts door weinigen overschreden wordt en door zeer velen niet wordt bereikt. Wij achten dat diegenen een mensenleeftijd hebben geleefd, en zo ruim een deel van leven gehad hebben als zij reden hadden te verwachten, die zeventig jaren oud zijn geworden, en hoe kort een tijd is dat, vergeleken bij de eeuwigheid? Mozes was de eerste, die Goddelijke openbaring in geschrifte heeft gebracht die tevoren door overlevering door de mensen werd gebracht, ook waren nu de wereld en de kerk tamelijk genoeg bevolkt, en daarom bestonden nu de redenen niet meer van vroeger voor de lange duur van het menselijk leven. Indien sommigen door een sterk lichaamsgestel de leeftijd van tachtig jaren bereiken, dan hebben zij van die kracht toch weinig vreugde of genot, zij dient slechts om hun ellende te verlengen en hun dood moeizamer te maken, want ook zelfs hun kracht is dan moeite en verdriet, veel meer dus hun zwakheid, want de jaren zijn gekomen in welke zij geen lust hebben. Of wel, het kan aldus genomen worden: Onze jaren zijn zeventig, en de jaren van sommigen zijn vanwege hun kracht tachtig, maar de breedte onzer jaren, (want dat is van de laatste woorden de betekenis, veeleer dan kracht) de gehele uitgestrektheid ervan van de kindsheid tot de ouderdom, is niets dan moeite en verdriet. In het zweet onzes aanschijns moeten wij brood eten, ons gehele leven is moeizaam en verdrietig, en misschien wordt het in het midden van de jaren, waarop wij rekenen afgesneden, en dan vliegen wij daarhenen, en zo leven wij de helft van onze dagen niet ten einde.
4. Door dit alles wordt hen geleerd ontzag te hebben voor de toorn Gods, vers 11. Wie kent de sterkte Uws toorns?
a. Niemand kan haar ten volle begrijpen. De psalmist spreekt als iemand, die bevreesd is voor Gods toorn, verbaasd en ontzet is over de grootte en kracht ervan. Wie weet hoe ver de kracht van Gods toorn reiken kan, en hoe diep zij kan wonden? De engelen, die gezondigd hebben, kennen bij ervaring de kracht van Gods toorn, veroordeelde zondaren in de hel kennen haar, maar wie van ons kan haar ten volle begrijpen of beschrijven?
b. Weinigen denken er zo ernstig over als zij moesten. Wie kent haar zo, dat hij van die kennis een goed gebruik maakt? Zij, die spotten met de zonde en Christus licht achten, Hem niet tellen, kennen voorzeker de kracht niet van Gods toorn. Want gelijk Uwe vrees is, zo is Uwe verbolgenheid, vers 11. Gods toorn is gelijk aan de vrees, die de meest nadenkende en ernstigste mensen er voor hebben. Al hebben de mensen nog zo'n grote vrees voor Gods toorn, zij is niet groter dan er reden voor is en de aard van de zaak meebrengt. God heeft in Zijn woord Zijn toorn niet schrikkelijker voorgesteld dan het werkelijk is, ja, wat in de andere wereld gevoeld en ondervonden wordt, is oneindig erger dan wat in deze wereld gevreesd wordt. Wie is er onder ons, die bij dat verterend vuur wonen kan?