Psalm 74:1-11
Deze psalm heeft tot opschrift: Maschil, een psalm om te onderwijzen. Hij werd geschreven in een dag van beproeving, die bestemd is om te onderwijzen, en het onderwijs, dat hij ons geeft, is in het algemeen: dat het, als wij in nood en benauwdheid zijn, onze wijsheid en onze plicht is, om ons in gelovig en vurig gebed tot God te wenden, en dan zullen wij bevinden dat wij dit niet tevergeefs doen.
Zij klagen hier over drie dingen.
I. Over het misnoegen Gods tegen hen, dat de oorzaak en de bitterheid was van al hun rampen. Zij zien over de werktuigen hunner ellende heen, wwarvan zij wisten dat die geen macht tegen hen gehad konden hebben, indien die hun niet van boven gegeven ware, en zij houden het oog gericht op God, door wiens bepaalde raad zij overgeleverd waren in de handen van de goddeloze en onredelijke mensen. Let op de vrijheid, die zij nemen om hun beklag te doen bij God, vers 1, wij hopen dat het geen te grote vrijheid was, want Christus zelf heeft aan het kruis uitgeroepen: "Mijn God, mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten!" Zo zegt hier de kerk: O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid? Zij spreken hier naar de sombere en treurige bekommernissen, waarin zij toen waren want anders: "Heeft God Zijn volk verstoten Dat zij verre!" Romeinen 11:1. Het volk van God moet niet denken dat zij, omdat zij terneder zijn geworpen, verworpen zijn, dat, omdat de mensen hen verstoten, God het ook doet, en dat, omdat Hij hen voor een tijd schijnt te verstoten, Hij hen in werkelijkheid in eeuwigheid verstoot. Maar dit ernstig beklag geeft te kennen dat zij vreesden, dat God hen zou verstoten, dit vreesden meer dan wat het ook zij, dat zij begeerden door God erkend te worden, wat zij dan ook van de mensen te lijden mochten hebben, begeerden te weten waarom Hij aldus met hen twistte: Waarom zou Uw toorn roken? Waarom verheft hij zich tot zulk een hoogte, dat allen om ons heen er nota van nemen en vragen: "Wat is de ontsteking dezes groten toorns?" Deuteronomium 29:24. Vergelijk vers 20, waar de toorn des Heeren en Zijn ijver gezegd worden te roken tegen de zondaren.
Let op hetgeen zij pleiten bij God, nu zij onder de tekenen van en de vrees voor Zijn toorn liggen.
1. Zij pleiten op hun betrekking tot Hem. "Wij zijn de schapen Uwer weide, de schapen die het U behaagd heeft in Uw weide te brengen, Uw bijzonder volk, dat Gij U hebt afgezonderd en bestemd hebt om U tot eer en heerlijkheid te zijn. Dat de wolven de schapen teisteren is niet vreemd, maar is ooit een herder aldus misnoegd geweest op zijn eigen schapen? Gedenk dat wij Uwe vergadering zijn, vers 2, door U en voor U tot een vergadering gemaakt toegewijd aan Uwen lof, wij zijn de roede, of stam, Uwer erfenis, die Gij U boven alle anderen ten eigendom hebt verkoren, Deuteronomium 32:9, en van wie Gij meer dan van de naburige volken de hulde van lof en dank hebt ontvangen. Ja, iemands erfdeel kan op een grote afstand liggen, maar wij pleiten voor de berg Zion waar Gij gewoond hebt, die de plaats is geweest van Uw bijzondere verlustiging, Uwe woonstede."
2. Zij pleiten op de grote dingen, die God voor hen gedaan heeft, op het ontzaglijk vele, dat Hij aan hen ten koste heeft gelegd. Het is Uwe vergadering, die Gij niet alleen gemaakt hebt door een woord te spreken, maar U vanouds verkregen hebt door vele wonderen van genade, toen zij nog pas tot een volk geformeerd waren, het is Uw erfdeel, dat Gij verlost hebt, toen zij in slavernij verkocht waren. God heeft Egypte tot hun losgeld gegeven, Hij heeft mensen in hun plaats gegeven, en volken voor hun ziel, Jesaja 43:3, 4. "Welaan, Heere, zult Gij nu een volk verlaten, waaraan Gij zoveel ten koste hebt gelegd, en dat U zo dierbaar is geweest?" En indien nu Israëls verlossing uit Egypte een bemoediging voor hen was om te hopen dat Hij hen niet zou verstoten, dan hebben wij nog veel meer reden om te hopen dat God niemand van hen zal verstoten, die Christus verlost heeft door Zijn eigen bloed, want het volk van Zijn verlossing zal tot in eeuwigheid het volk zijn van Zijn lof.
3. Zij wijzen op de rampspoedigen toestand, waarin zij verkeren, vers 3. Hef Uwe voeten op, kom haastelijk om de verwoestingen te herstellen, die in Uw heiligdommen gemaakt zijn, die anders bestendigd zouden worden en onherstelbaar zouden zijn. Soms is er gezegd dat de Goddelijke wraak treft en slaat met ijzeren handen, maar komt met loden voeten, en dan roepen zij, die op de dag des Heeren wachten: Heere, hef Uwe voeten op, verheerlijk U in de uitgangen Uwer voorzienigheid. Als de verwoestingen van het heiligdom lang geduurd hebben, dan zijn wij in verzoeking om te denken dat zij eeuwig zullen zijn maar het is een verzoeking, want God zal Zijn uitverkorenen wreken, zal hen spoedig wreken, al is het ook dat Hij de verdrukkers en vervolgers lang verdraagt.
II. Zij klagen over de gewelddadigheid en wreedheid van hun vijanden, niet zozeer, neen, in het geheel niet, over hetgeen zij gedaan hadden ten nadele van hun wereldlijke belangen, hier zijn geen klachten over het verbranden hunner steden en het verwoesten van hun land, maar alleen over hetgeen zij gedaan hadden aan het heiligdom en de vergaderplaatsen. De belangen van de Godsdienst moeten ons meer ter harte gaan, ons meer aandoen, dan welk wereldlijk belang het ook zij. De verwoestingen van Gods huis moeten ons meer smarten dan het vernielen van onze eigen huizen, want het doet er niet heel veel toe wat er van ons en onze gezinnen wordt in deze wereld, mits Gods naam maar worde geheiligd Zijn koninkrijk kome en Zijn wil geschiede.
1. Hij klaagt over de verwoesting van het heiligdom, zoals Daniël, Hoofdst. 9:17. De tempel te Jeruzalem was de woonstede van Gods naam, en daarom het heiligdom, of de heilige plaats, vers 7. Hierin hebben de vijanden goddelooslijk gedaan, want zij hebben het verdorven, vers 3, in minachting en belediging van God.
a. Zij hebben in het midden van Gods vergaderplaatsen gebruld, daar waar Gods getrouwe volk tot Hem komt in ootmoedig, eerbiedig stilzwijgen, of zacht spreken, brulden zij op ongebonden, luidruchtige wijze, opgeblazen zijnde van hoogmoed, omdat zij zich meester hadden gemaakt van het heiligdom, waarvan zij soms zulke ontzaglijke dingen gehoord hadden.
b. Zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld, de banieren van hun leger hebben zij in de tempel gebracht, (in de tempel, Israëls sterkste kasteel zolang zij zich dicht bij God hielden) als trofeeën van hun overwinning. Daar, waar de tekenen van Gods tegenwoordigheid plachten te wezen, hadden de vijanden nu hun tekenen gesteld. Die vermetele trotsering van God en Zijn macht trof Zijn volk in een gevoelige plaats.
c. In hun hoogmoed hebben zij de graveerselen van de tempel vernield. Evenals vroeger de mensen het zich tot een eer rekenden, om de behulpzame hand te bieden bij het bouwen van de tempel, en de man vermaard werd, die mee hielp om bomen te vellen voor dat werk, zo lieten zij zich nu voorstaan op hun medewerken om hem te verwoesten, vers 5, 6. Evenzo is het dat, gelijk vroeger diegenen vermaard waren als wijzen, die de Godsdienst bevorderden thans diegenen geroemd worden als schrandere personen, die er toe medewerken om hem ter neer te werpen. Sommigen lezen het aldus: "Zij tonen zich als degenen, die bijlen opheffen in een bos," want aldus vernielen zij het graveersel van de tempel, zij maken er even weinig een gewetensbezwaar van om de rijke lambrisering van de tempel neer te werpen, als de houthakkers om bomen te vellen in het woud. Zo verwoed zijn zij op de tempel, dat het gunstigste graveersel, dat men ooit gezien heeft door gemene soldaten stukgeslagen en terneder geworpen wordt, zonder er acht op te slaan dat het een gewijde zaak is, of het als een uitnemend kunstgewrocht te willen sparen.
d. Zij staken het in brand, en alzo hebben zij het geschonden, het ter aarde toe ontheiligd vers 7. De Chaldeen verbrandden het huis Gods dat statige, kostbare gebouw, 2 Kronieken 36:19. En de Romeinen hebben "er niet een steen op de anderen gelaten," Mattheus 24, 2, hebben het met de grond gelijk gemaakt, totdat Zion, de berg van Gods heiligheid, door Titus Vespasianus als een akker werd geploegd.
2. Hij klaagt over de verwoestingen van de synagogen, vers 8, of profetenscholen, die voor de ballingschap reeds in gebruik waren, of schoon veel meer daarna. Daar werd Gods Woord gelezen en verklaard, en Zijn naam aangeroepen en geloofd, zonder altaren of offers. Ook deze werden door hen gehaat, Laat ons hen tezamen uitplunderen, niet alleen de tempel, maar al de plaatsen van Godsverering, en met deze de aanbidders zelf, laat ons hen tezamen verderven, laat hen in dezelfde vlammen worden verteerd. Ingevolge dit goddeloze besluit hebben zij al Gods vergaderplaatsen in het land verbrand, ze alle verwoest. Zo groot was hun woede tegen de Godsdienst, dat de huizen aan de Godsdienst gewijd, omdat zij aan de Godsdienst gewijd waren, met de grond gelijk werden gemaakt, opdat de aanbidders van God Hem niet zouden verheerlijken en elkaar niet zouden stichten door in plechtige vergaderingen bijeen te komen.
III. Wat al deze rampen nog ten zeerste verzwaarde, was dat zij hoegenaamd geen vooruitzicht hadden op hulp of uitkomst, het einde ervan niet konden voorzien, vers 9. Wij zien de tekenen van onze vijanden in het heiligdom gesteld, maar onze tekenen zien wij niet, geen van de tekenen van Gods tegenwoordigheid, geen hoopgevende aanduidingen van naderende verlossing, er is geen profeet meer om ons te zeggen hoelang de ellende duren zal, en wanneer de dingen, die ons betreffen, een einde zullen nemen, opdat de hoop op uitkomst ten laatste ons zou ondersteunen onder onze ellende. In de Babylonische gevangenschap hadden zij profeten, en was hun gezegd hoe lang de gevangenschap zou duren, maar het was de dag van de wolk en van de donkerheid, Ezechiël 34:12, en zij hadden nog de troost niet van die genaderijke openbaringen, God heeft eenmaal gesproken ja tweemaal, goede en troostrijke woorden, maar zij letten daarop niet
Merk op: Zij klagen niet: "Wij zien onze legers niet, er zijn geen krijgslieden om onze legers aan te voeren, geen, die met onze heiren uittrekken" maar, "geen profeten, niemand om ons te zeggen hoe lang."
Dit brengt hen er toe om hun beklag te doen bij God, als vragende:
1. Om Zijn eer te handhaven, vers 10. Hoe lang, o God, zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uwen naam in eeuwigheid lasteren? In de verwoesting van het heiligdom moet ons in de eerste plaats de eer Gods ter harte gaan, dat die niet lijde door de lasteringen van hen die Zijn volk vervolgen om Zijnentwil, omdat zij de Zijnen zijn, en daarom moeten wij niet vragen: "Hoe lang zullen wij gekweld worden?" maar: "Hoe lang zal God worden gelasterd?"
2. Om Zijn macht aan te wenden, vers 11. "Waarom trekt Gij Uwe hand, ja Uw rechterhand af, en strekt Gij haar niet uit om Uw volk te verlossen en Uwe vijanden te verdoen? Trek haar uit het midden van Uwen boezem, en wees niet "als een versaagd man, als een held, die niet kan of niet wil verlossen?," Jeremia 14:9. Als de macht van de vijanden het dreigendst is, dan is het troostrijk om de toevlucht te nemen tot Gods macht.