Jesaja 5:8-17
De wereld en het vlees zijn de twee grote vijanden van onze ziel en wij zijn in gevaar van door hen overweldigd te worden, maar wij zijn in geen gevaar als wij zelf er niet aan toegeven, het najagen van de wereld en het toegeven aan het vlees zijn de zonden, over welke de profeet hier in de naam van God het wee uitroept. Deze zonden kwamen toen veel voor onder de mannen van Juda, en waren sommige van de stinkende druiven, die zij voortbrachten, vers 4, om welke God dreigt verderf over hen te zullen brengen, het zijn zonden waartegen wij allen nodig hebben te waken, en waarvan wij de gevolgen moeten vrezen.
I. Er is een wee over hen, die hun hart zetten op de rijkdom van deze wereld, en daarin hun geluk stellen, en hem voor zichzelf vermeerderen door onwettige middelen, vers 8 die huis aan huis trekken en akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer is, geen plaats voor iemand om bij hen te wonen, konden zij slagen, zij zouden alleen in het midden van het land geplaatst zijn, zij zouden bezittingen en ambten monopoliseren. Niet, dat het zonde is voor hen, die een huis en een akker hebben om er nog een bij te kopen, als zij de middelen ervoor hebben, maar hun verkeerdheid is:
1. Dat zij onmatig zijn in hun begeerte om zich te verrijken, en het hun enige zorg is, het enige, waarop zij zich toeleggen, alsof zij niets anders te doen hadden in de wereld. niets anders te zoeken, om niets anders zich te bekommeren hadden. Zij weten nooit wanneer zij genoeg hebben, maar hoe meer zij hebben hoe meer zij zouden willen hebben, zoals de dochters van de bloedzuiger, roepen zij: Geef geef, zij kunnen van hetgeen zij hebben niet genieten, noch er goed mee doen, daar zij op niets anders uit zijn dan om het te vermeerderen. Zij moeten een verscheidenheid hebben van huizen, een winterhuis en een zomerhuis en indien het huis van een ander of de akker van een ander geriefelijker nabij hun huis of hun akker is, zoals Naboths wijngaard bij die van Achab, dan moeten zij dat huis en die akker ook hebben, of zij kunnen niet gelukkig wezen. Het verkeerde is:
2. Dat zij hierin zich niet bekommeren om anderen, ja schadelijk voor hen zijn, zij zouden zó willen leven dat zij niemand anders laten leven, zo willen wonen, dat niemand anders een woning kan hebben, als slechts hun onverzadiglijke begeerten bevredigd worden, doet het er niet toe wat er van anderen wordt, van hen, die om hen heen zijn wordt, bekommeren zij er zich niet om, dat zij inbreuk maken op de rechten van anderen, of welke ontberingen zij veroorzaken aan hen, over wie zij macht hebben, of tegen wie zij in het voordeel zijn, of welke lage en goddeloze middelen zij gebruiken om schatten te vergaderen voor zichzelf. Zij willen zo groot worden, dat zij al de ruimte innemen, en zijn toch niet bevredigd Prediker 5:10, zoals Alexander, die, toen hij dacht de gehele wereld te hebben veroverd, weende omdat er geen andere wereld was, die hij kon veroveren. "Deficiente terra, non impletur avaratia" -Als de gehele aarde gemonopoliseerd was, zou de gierigheid nog naar meer dorsten. Hoe! "Wilt gij alleen in het midden des lands geplaatst worden?" zo lezen het sommigen. Zult gij zo dwaas zijn van dit te begeren, als wij toch zo'n grote behoefte hebben aan de diensten van anderen en zoveel genot hebben in hun gezelschap? Zult gij zo dwaas zijn van te verwachten, dat om onzentwil de aarde verlaten zal worden, Job 18:4, als de aarde toch door grote menigten vervuld moet worden? "An propter vos solos fanta terra creata est" -Is de wijde wereld voor u alleen geschapen? Lyra.
Wat nu gedreigd wordt als de straf voor deze zonde, is: dat noch de huizen, noch de akkers, waarnaar zij zo begerig haakten, hun enig voordeel of gewin zullen opleveren, vers 9, 10. God fluisterde het de profeet in het oor, zoals hij in een gelijksoortig geval spreekt, Hoofdstuk 22:14, het werd voor mijn oren geopenbaard door de Heer der heerscharen, zoals God een zaak voor Samuëls oor had geopenbaard, 1 Samuël 9:15, het was hem, alsof hij het nog in zijn oren hoorde weerklinken, maar hij heeft het op de daken verkondigd zoals hij het behoorde te verkondigen Mattheus 10:27.
a.Dat de huizen, waar zij zo hun hart op gezet hadden onbewoond zullen zijn, lang ledig zullen staan, en hun dus geen huur zullen opleveren, en bouwvallig zullen worden. Vele huizen zullen tot verwoesting worden, de mensen, die erin moesten wonen, gedood zijnde door het zwaard door hongersnood of pestilentie, of weggevoerd zijnde in ballingschap. Of wel, de handel stilstaande, en het land tot armoede zijnde vervallen, zijn zij, die eigenaars van huizen zijn geweest, huurders geworden, of moeten zich elders een goed heenkomen zoeken, zelfs grote fraaie huizen die bewoners, of huurders moesten lokken, zijn uit schaarste van huurders, voor een zeer lage huurprijs te krijgen, en zullen ledig staan. God heeft de aarde niet tevergeefs geschapen, maar haar geformeerd opdat men daarin wonen zou, Hoofdstuk 45:18. Maar de plannen van de mensen worden dikwijls verijdeld, en wat zij formeren beantwoordt niet aan het doel. Ons spreekwoord zegt: dwazen bouwen huizen voor wijzen om er in te wonen, maar soms gebeurt het dat niemand er in woont. God heeft velerlei middelen om de volkrijkste steden te ontvolken.
b. Dat de akkers, waaraan hun hart zo gehecht was, onvruchtbaar zullen zijn, vers 10. Tien bunders wijngaard zullen slechts een hoeveelheid druiven opleveren dat er maar een paar liter wijn van komt, en een homer zaads zal slechts een efa geven, die het tiende was van een homer, zodat zij vanwege de onvruchtbaarheid van de grond, of de ongunstige weersgesteldheid, niet meer dan het tiende deel van hun zaad terugkrijgen. Zij, die hun hart zetten op de wereld, zullen rechtvaardiglijk teleurgesteld worden in hun verwachtingen ervan.
II. Hier is een wee over hen, die zich verlustigen in de genietingen van de zinnen, vers 11,12. Zinnelijkheid verderft de mensen even gewis en zeker als wereldsgezindheid en verdrukking. Gelijk Christus een wee heeft uitgesproken over de rijken, zo heeft Hij ook een wee uitgesproken over hen, die nu lachen en verzadigd zin, Lukas 6:24, 25, en vrolijk en prachtig leven, Lukas 16:19.
Merk op:
1. Wie de zondaren zijn, tegen wie dat wee wordt uitgesproken.
a. Het zijn dezulken, die aan de drank verslaafd zijn. Van de drank maken zij hun werk, zij hebben er hun hart op gezet en overladen er zich mede. Zij staan vroeg op om sterke drank na te jagen, zoals landlieden en kooplieden om hun beroep te volgen, alsof zij bang waren om tijd te verliezen van hetgeen het meest verkeerde gebruik is van de tijd. Terwijl gewoonlijk zij, die aan de drank zijn, zich des avonds bedrinken, als hun werk van de dag afgedaan is, verwaarlozen deze hun zaken, verlaten ze geheel en al, om zich aan de dienst van het vlees te wijden, want zij zitten de gehele dag bij hun beker, blijven er bij tot in de nacht, totdat de wijn hen heeft verhit, hun lusten heeft ontstoken, losbandigheid en lichtmisserij volgen op dronkenschap, de hartstochten worden opgewekt, want bij wie anders is gekijf en wonden zonder oorzaak? Spreuken 23:29-33. Zij maken geheel en al een beroep van dronkenschap en zij zoeken de beschutting van de nacht niet voor dit werk van de duisternis, zoals mensen, die er zich voor schamen, maar achten het een vermaak om bij dag te pierewaaien. Zie 2 Petrus 2:13.
b. Het zijn de zodanigen, die zich overgeven aan vrolijkheid, zij hebben hun maaltijden, en zij zijn zo vrolijk gestemd, dat zij geen middagmaal of avondmaal kunnen hebben zonder muziek van allerlei muziekinstrumenten zoals David, Amos 6:5, zoals Salomo, Prediker 2:8, de harp en luit, de trommel en pijp moeten de wijn begeleiden, opdat alle zinnen gestreeld worden, heffen zij de trommel en de harp op, Job 21:12. Het gebruik van muziek is op zichzelf wettig en geoorloofd, maar als het gebruik ervan overmatig wordt, als wij er ons hart op zetten, er de tijd voor misbruiken, zodat het geestelijke en goddelijke genietingen verdringt en het hart van God aftrekt, dan wordt het zonde voor ons.
c. Het zijn de zodanigen, die nooit aan iets ernstigs denken, zij slaan geen acht op de werken des Heeren letten niet op Zijn macht, goedheid en wijsheid in de schepselen, waarvan zij misbruik maken en die zij van de ijdelheid onderwerpen, noch op de milddadigheid van Zijn voorzienigheid, waarmee Hij hun die goede dingen geeft, die zij tot het voedsel en de brandstof maken van hun lusten. Gods oordelen hebben hen reeds aangegrepen, en zij zijn onder de tekenen van Zijn misnoegen, maar zij zien de hand Gods niet in al deze dingen, Zijn hand is opgeheven, maar zij willen niet zien, omdat zij zich niet willen storen in hun genoegens en genietingen, niet willen denken aan hetgeen God met hen doet.
2. Wat de oordelen zijn, die tegen hen gedreigd en ten dele reeds ten uitvoer gebracht worden. Er is hier voorzegd:
A. Dat zij verdreven zullen worden, het land zal deze dronkaards uitspuwen, vers 13. Daarom zal Mijn volk-zij noemden zich Zijn volk en waren er trots op-gevankelijk weggevoerd worden, het is even zeker dat zij weggevoerd zullen worden, alsof zij het reeds waren, omdat het geen wetenschap heeft, hoe zouden zij ook wetenschap kunnen hebben, nu zij zich door hun onmatig drinken tot zotten hebben gemaakt? Zij geven zich uit voor vernuftige lieden, maar dewijl zij er niet op letten dat God met hen twist, en niets doen om zich met Hem te verzoenen, kunnen zij in waarheid gezegd worden geen wetenschap te hebben, en de reden is, dat zij er geen willen hebben zij zijn onnadenkend en eigenzinnig, en daarom worden zij verdelgd uit gebrek aan wetenschap.
B. Dat zij verarmd zullen worden, en gebrek zullen hebben aan datgene wat zij met overdadigheid gebruikt en dus misbruikt hebben, zelfs hun heerlijken zullen honger lijden, aan honger onderworpen zijn en er door gedood worden, en hun menigte zal verdorren van dorst, beide de groten en aanzienlijken en het gewone volk komen om uit gebrek aan brood en water, dat is het gevolg van het mislukken van het koren, vers 10, want de koning zelf wordt van het veld gediend, Prediker 5, 8. En als de wijnoogst faalt, dan worden de dronkaards geroepen om te wenen om de nieuwe wijn, die van hun mond is afgerukt, Joël 1:5, en niet zozeer, omdat zij er nu gebrek aan hebben, als wel omdat zij er misbruik van hebben gemaakt toen zij hem hadden. Het is rechtvaardig in God om de mensen gebrek te laten hebben aan hetgeen zij in overdaad hebben misbruikt.
C. Dat menigten zullen omkomen door hongersnood en het zwaard, vers 14. Daarom zal het graf zich wijd opsperren. Tofeth, de algemene begraafplaats, blijkt te klein te zijn voor de grote menigte, die begraven moet worden, zodat zij genoodzaakt zijn haar te vergroten, het graf doet zijn mond open zonder maat, nooit zeggende: het is genoeg, Spreuken 30:15, 16. Het kan verstaan worden van de plaats van de verdoemden-weelde en zinnelijkheid vullen dit gebied van duisternis en afgrijzen, daar worden zij gepijnigd, die een god hebben gemaakt van hun buik, 16:25, Filipp. 3:19.
D. Dat zij vernederd en verlaagd zullen worden, al hun eer in het stof zal worden gelegd. Dat zal krachtdadig gedaan worden door de dood en het graf. Hun heerlijkheid zal nederdalen, niet alleen op de aarde, maar in de aarde, zij zal hen niet nadalen, Psalm 49:18, om hen aan de andere kant van de dood van enige dienst te zijn, maar zij zal sterven en met hen begraven worden. Armzalige heerlijkheid, die aldus zal verwelken! Hebben zij geroemd in hun aantal? Hun menigte zal neerdalen in de kuil, Ezechiël 31:18, 32:32. Hebben zij geroemd in het aanzien, dat zij hadden in de wereld? Hun pracht zal aan een einde wezen, hun gejuich zal verstommen. Hebben zij geroemd in hun vrolijkheid? De dood zal haar in weeklagen veranderen, hij die zich verblijdt, en nooit weet wat het is om eens ernstig te zijn, zal heengaan naar de plaats waar geween is en rouwklagen. Aldus zullen de gewone man en de aanzienlijke man elkaar ontmoeten in het graf en onder vernederende oordelen. Al is iemand ook nog zo hoog, de dood zal hem laag doen liggen en al is iemand ook nog zo gering, de dood zal hem nog geringer maken, in het vooruitzicht daarvan moeten de ogen van de hovaardigen vernederd worden, vers 15. Het betaamt hun laagte zien, die weldra laag gelegd zullen worden.
3. Wat de vruchten van dit oordeel zijn zullen.
A. God zal worden verheerlijkt, vers 16. Hij die de Heer der heerscharen is en de heilige God, zal verhoogd en geheiligd worden in het recht en de gerechtigheid van deze beschikkingen. Zijn gerechtigheid moet erkend worden in diegenen te vernederen, die zichzelf verhogen, en hierin is Hij verheerlijkt:
a. Als een God van onweerstaanbare macht, hierin zal Hij verheerlijkt worden als de Heer der heerscharen, die machtig is om de sterksten te verbreken, de hoogmoedigsten te vernederen en de ontembaarsten te temmen. Macht wordt niet anders verhoogd dan in gerechtigheid. Het is de eer van God, dat hoewel Hij een machtige arm heeft gerechtigheid en gericht toch altijd de vastigheid zijn van Zijn troon, Psalm 89:14, 15.
b. Als een God van onbevlekte reinheid, Hij die heilig is, oneindig heilig is, zal geheiligd worden, zal als zodanig erkend worden in de rechtvaardige straf over hoogmoedige mensen. Als hoogmoedige mensen vernederd worden, dan wordt de grote God geëerd en behoort door ons geëerd te worden.
B. Godvruchtige mensen zullen geholpen en ondersteund worden, vers 17, dan zullen de lammeren weiden naar hun wijze, de zachtmoedigen van de aarde, die het Lam volgen die vervolgd werden en beangstigd door deze trotse verdrukkers, zullen rustig en kalm weiden in de grazige weiden, en er zal niemand wezen, die hen verschrikt. Zie Ezechiël 34:14. Als de vijanden van de kerk afgesneden zijn, dan hebben de gemeenten vrede, zij zullen weiden naar hun welbehagen, zo lezen het sommigen. Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven, en zich verlustigen in grote vrede. Zij zullen weiden naar hun orde of naar hun vermogen, zo lezen het anderen naar zij in staat zijn om het Woord te horen het Woord dat het brood des levens is.
C. Het land zal verwoest en een prooi worden van de naburige volken, de verwoeste plaatsen van de vetten, de bezittingen van de rijken, die op hun gemak en in weelde leefden, zullen gegeten worden door de vreemden, die niet met hun verwant waren. Gedurende de ballingschap werden de armen in het land gelaten om wijngaardeniers en akkerlieden te zijn, 2 Koningen 25:12, dat waren de lammeren, die weidden in de weiden van de vetten, welke overgelaten werden om door vreemden te worden gegeten. Toen de kerk van de Joden, deze vetten, verwoest was, werden hun voorrechten overgedragen aan de heidenen, die gedurende lange tijd vreemden waren geweest, en de lammeren van Christus kudde waren hun welkom.