Spreuken 30:15-17
Hij had tevoren. gesproken van hen, die de armen verteren, vers 14, en van hen had hij het laatst gesproken, als van de slechtste van de vier geslachten, die daar vermeld worden, nu spreekt hij hier van hun onverzadelijkheid in dit te doen. De gemoedsgesteldheid, die hen er toe drijft, bestaat uit wreedheid en hebzucht deze zijn twee dochters van de bloedzuiger, het echte kroost ervan, die nog altijd roepen: "Geef, geef, geef meer bloed, geef meer geld", want de bloedgierigen zijn nog bloeddorstig, dronken zijnde van bloed, voegen zij dorst toe aan hun dronkenschap, en zullen haar nog zoeken. Ook zij, die het geld liefhebben zullen nooit van geld verzadigd zijn. En terwijl zij aldus uit deze twee beginselen de armen verteren, zijn zij zelf voortdurend in onrust, zoals Davids vijanden, Psalm 59:15, 16.
1. Ter nadere verklaring hiervan specificeert hij vier andere dingen, die onverzadelijk zijn, bij welke deze verteerders of verslinders vergeleken worden, en die niet zeggen: Het is genoeg, of, Het is rijkdom. Zij, die altijd begeren, zijn nooit rijk. Deze vier dingen nu, die altijd om meer roepen, zijn:
a. Het graf, waarin menigten vallen, en waarin altijd nog meer vallen, en het verzwelgt hen allen, en geeft er geen van terug. De hel en het verderf worden niet verzadigd, Hoofdst. 27:20. Als het onze beurt wordt, zullen wij het graf gereed voor ons vinden, Job 17:1.
b. De gesloten baarmoeder, die ongeduldig is onder haar beproeving van onvruchtbaar te zijn, en evenals Rachel roept zij: Geef mij kinderen.
c. De aarde, die van water niet verzadigd wordt in tijd van droogte inzonderheid in warme landen die de regen nog indringt, die in grote overvloed op haar valt, maar binnen korte tijd vraagt zij om meer.
d. Het vuur dat als het zeer veel brandstof verteerd heeft, nog altijd de ontvlambare stoffen blijft verslinden, die erin geworpen worden. Even onverzadelijk zijn de verdorven begeerten van de zondaren, en zo weinig voldoening smaken zij in de vervulling ervan.
2. Hij voegt er een ontzettende bedreiging bij voor de ongehoorzame kinderen, vers 17, ter waarschuwing aan het eerste van deze vier boze geslachten, het geslacht, dat zijn ouders vloekt, vers 11, en hier toont hij aan:
A. Wie tot dit geslacht behoren, niet alleen zij, die hun ouders vloeken in drift en hartstocht, maar:
a. Zij, die hen bespotten, al is het dan ook maar met een minachtend oog, met verachting op hen neerziende vanwege hun lichaamsgebreken, of hen zuur en wrevelig aanziende als zij hen onderwijzen, of hun iets gebieden, ongeduldig zijnde onder hun bestraffing, en toornig op hen. God neemt kennis van de wijze waarop kinderen op hun ouders zien, en zal met hen afrekenen voor de glurende blik en het boze oog, zowel als voor de boze taal die tot hen gesproken wordt.
b. Die het verachten hen te gehoorzamen, die het beneden zich achten om onderdanig te zijn aan hun ouders, inzonderheid aan de moeder, het verachten, om door haar bestuurd en in bedwang te worden gehouden, en zo moet zij, die hen met smart gebaard heeft, met nog grotere smart hun reden verdragen.
B. Wat hun oordeel zal wezen. Zij, die hun ouders onteren, zullen als gedenktekenen gesteld worden van Gods wraak, zij zullen als het ware in ketenen worden opgehangen, opdat de roofvogels hun de ogen zullen uitpikken, die ogen, waarmee zij hun goede ouders zo minachtend hebben aangezien. De dode lichamen van boosdoeners mochten niet de hele nacht blijven hangen maar reeds voor het invallen van de nacht zullen de raven hun de ogen uitgepikt hebben. Als de mensen de ongehoorzame kinderen niet straffen, zal God het doen, hun de grootste smaadheid aandoen, die zich hoogmoedig gedragen jegens hun ouders. Velen, die tot een schandelijk einde zijn gekomen, hebben bekend dat het goddeloze leven, dat hen er toe gebracht heeft, begon met het verachten van het gezag hunner ouders.