Psalm 49:16-21
Er wordt hier aan godvruchtige mensen goede redenen gegeven:
I. Waarom zij de dood niet moeten vrezen. Er is geen oorzaak voor die vrees indien zij zo'n lieflijk troostrijk vooruitzicht hebben als David hier heeft op een gelukzalige staat na de dood, vers 16. In vers 15 heeft hij getoond hoe rampzalig de doden zijn, die in hun zonden sterven, hier toont hij aan hoe welgelukzalig de doden zijn, die in de Heere sterven. Het onderscheid in van de mensen uitwendige toestand, hoe groot dit verschil ook is in het leven, bestaat niet bij de dood; rijken en armen ontmoeten elkaar in het graf; maar het onderscheid in van de mensen geestelijke staat, hoewel dit in het leven zo weinig verschil maakt, waar aan allen enerlei wedervaart maakt toch bij de dood een zeer groot verschil. Nu wordt gij vertroost, en gij lijdt smarten De rechtvaardige heeft hoop in zijn dood-zo heeft David hier hoop in God betreffende zijn ziel. De gelovige hoopt op de verlokking van de ziel van het graf en het ingaan tot de heerlijkheid is de grote steun en de blijdschap van de kinderen Gods in de stervensuur Zij hopen:
1. Dat God hun ziel zal verlossen van het geweld van het graf, hetgeen insluit:
a. Dat de ziel er voor behoed wordt om met het lichaam in het graf te gaan. Het graf heeft macht over het lichaam, krachtens het vonnis, Genesis 3:la en het is hard en wreed genoeg in het uitoefenen van die macht, Hooglied 8:6, maar het heeft geen zodanige macht over de ziel. Het heeft macht om het lichaam te doen zwijgen het te kerkeren en te verteren, maar intussen beweegt zich de ziel, en handelt en spreekt vrijer dan ooit tevoren, Openbaring 6:9, 10, zij is onstoffelijk en onsterfelijk. Als de dood de lantaarn verbreekt, blust hij daarmee de kaars niet uit, die er in opgesloten was.
b. De hereniging van de ziel met het lichaam bij de opstanding. De ziel wordt dikwijls genomen voor het leven; dat valt voorzeker wel, voor een tijd, onder de macht van het graf, maar het zal er uit verlost worden ten laatste, als het sterflijke van het leven verslonden wordt. De God des levens, die in de beginne zijn Schepper is geweest, kan en zal ten laatste zijn Verlosser zijn.
c. De verlossing van de ziel van het eeuwig verderf; God zal mijn ziel van de kuil, of de hel, verlossen, van de toekomende toorn, die kuil van het verderf waarin de goddelozen geworpen zullen worden, vers 15 Het is voor stervende heiligen een grote vertroosting, dat zij door de tweede dood niet beschadigd zullen worden, Openbaring 2:11, en daarom heeft de eerste dood geen prikkel en het graf geen overwinning.
d. Dat Hij hen tot zich zal nemen. Hij verlost hun ziel om haar tot zich te nemen, Psalm 31:6. In Uw hand beveel ik mijn geest want Gij hebt hem verlost. Hij zal hen opnemen in Zijn gunst, hen toelaten in Zijn koninkrijk, in de woningen, die voor hen bereid zijn, Johannes 14:2, 3, in de eeuwige tabernakelen, Lukas 16:9.
II. Waarom zij niet moeten vrezen voor de voorspoed en de macht van goddeloze mensen in deze wereld, die, gelijk zij hun trots en blijdschap zijn, dikwijls de afgunst en het verdriet en de verschrikking zijn geweest van de rechtvaardigen, waarvoor echter, alles wel beschouwd, geen rede is. 1. Hij veronderstelt dat zij in de sterke verzoeking zullen zijn om de voorspoed van de zondaren te benijden, en te vrezen dat die overal heer en meester zullen zijn en door hun rijkdom en invloed de Godsdienst en de Godsdienstige mensen ten verderve zullen brengen, en dat zij bevonden zullen worden de ware gelukkigen te zijn; want hij veronderstelt:
a. Dat zij rijk gemaakt zijn, en aldus instaat gesteld om aan allen, die hen omringen, de wet voor te schrijven, alles in hun macht en onder hun bevel te hebben. Pecuniae obedient omnes et omnia Ieder en alles gehoorzaamt aan de gebiedenden invloed van het geld
b. Dat de luister van hun huis van een zeer klein begin grotelijks is toegenomen, hetgeen de mensen natuurlijk hoogmoedig, beledigend en heerszuchtig zal maken, vers 17 Aldus schijnen zij de gunstelingen des hemels en derhalve geducht te zijn.
c. Dat zij zeer op hun gemak en gerust zijn vers 17. In zijn leven zegent hij zijn ziel, hij dacht zich een zeer gelukkig man, zo een als hij wenste te wezen, en een zeer goed man, zo'n als hij behoorde te wezen, omdat hij voorspoedig was in de wereld. Hij zegende zijn ziel, zoals de rijke dwaas, die tot zijn ziel zei: Ziel, neem rust, wees niet beroerd door kommer of zorg over de wereld, of door de verwijtingen en bestraffingen van het geweten. Alles is wel, en zal voor altijd wel blijven. Het is van het uiterste belang om eens na te gaan wat het is, waarin wij onze ziel zegenen, om welke reden wij goede gedachten koesteren van onszelf. "Gelovigen zegenen zich in de God van de waarheid," Jesaja 65:16, en achten zich gelukkig als Hij de hunne is, vleselijkgezinde mensen zegenen zich in de rijkdom van de wereld, en achten zich gelukkig als zij daar overvloed van hebben. Er zijn velen, wier kostelijke ziel onder de vloek Gods ligt, en toch zegenen zij zich. Zij juichen datgene toe in zichzelf, wat God in hen veroordeelt, en spreken van vrede tot zichzelf als God oorlog tegen hen verklaart. Maar dit is nog niet allee.
d. Zij hebben een goede naam onder hun naburen "de mensen loven u, verheffen u hemelhoog omdat gij uzelf goeddoet, voor u en uw gezin al die rijkdom hebt verworven." Het is het gevoelen van al de kinderen van deze wereld dat zij het best voor zichzelf handelen, die het meeste doen voor hun lichaam door schatten op te hopen, ofschoon zij terzelfder tijd niets doen voor de ziel, niets voor de eeuwigheid; en aldus "zegenen zij de gierigaard, die de Heere verafschuwt," Psalm 10:3 Indien de mensen onze rechters waren, het zou onze wijsheid zijn om ons aldus in hun goede mening aan te bevelen, meer wat zal ons de goedkeuring van de mensen baten zo God ons veroordeelt? Dr. Hammond verstaat dit van de Godvruchtige tot wie hier gesproken wordt want het staat in de tweede persoon, niet van de goddeloze van wie gesproken wordt; "Hij heeft in Zijn leven Zijn ziel gezegend, maar gij zult geloofd worden omdat gij uzelf goeddoet. De wereldling verheerlijkte zichzelf, maar gij, die niet zoals hij, goed spreekt van uzelf, maar uzelf goeddoet, gij zult geloofd worden, indien niet door de mensen dan toch door God, hetgeen u tot eeuwige eer zal wezen.
2. Hij wijst op hetgeen genoegzaam is om de kracht van de verzoeking weg te nemen, daar hei er ons toe leidt om voorwaarts te zien naar het einde van de voorspoedige zondaars, Psalm 73:17 "Denk aan hetgeen zij zijn zullen in de andere wereld, en gij zult geen reden zien om hen te benijden voor hetgeen zij zijn en hebben in deze wereld." A. In de andere wereld zullen zij niet het minste genot of voordeel hebben van hetgeen, waarop zij nu zo verzot zijn. Het is een ongelukkig en rampzalig deel, dat niet zolang zal duren als zij moeten duren, vers 18 Als hij sterft, het wordt als vaststaand aangenomen dat hij zelf naar een andere wereld gaat, maar hij zal niets medenemen van hetgeen hij zolang vergaderd en opgehoopt had. De grootsten en rijksten kunnen daarom niet de gelukkigsten wezen, omdat zij dan geen nut of voordeel zullen hebben van hun leven in deze wereld; gelijk zij er naakt in gekomen zijn, zo moeten zij er ook naakt uitgaan. Maar zij, die in de andere wereld iets te tonen hebben van hun leven in deze wereld, die door genade kunnen zeggen dat, hoewel zij er verdorven en zondig en geestelijk naakt in gekomen zijn, zij vernieuwd en geheiligd en goed gekleed met de gerechtigheid van Christus er uit gaan; zij, die rijk zich in de genade en vertroosting des Geestes, hebben iets, dat zij in hun sterven zullen meenemen. iets, waarvan de dood hen niet kan beroven, ja, dat de dood nog verbeteren zal. Maar wat betreft wereldlijke bezittingen: gelijk wij niets in de wereld gebracht hebben (wat wij hebben, hebben wij van anderen), zo "is het openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen," maar het aan anderen moeten laten, 1 Timotheus 6:7 Ze zullen neerdalen, maar hun eer, wat zij hun eer genoemd en geacht hebben en waarin zij roemden, zal hen niet nadalen om de versmaadheid van de dood en het graf weg te nemen of te verminderen, hen te doen vrijspreken in het oordeel, of de smarten van de hel te lenigen. Genade is eer, die met ons zal opgaan, maar geen aardse eer zal ons nadelen.
B. In de andere wereld zal het hen te slechter gaan om hun misbruiken van de rijkdom en de voorspoed, die zij in deze wereld genoten hebben, vers 20 De ziel zal komen tot het geslacht van haar vaderen, tot hun wereldsgezinde goddeloze vaderen, wier woorden zij goedkeurden, in wier voetstappen zij gewandeld hebben, van hun vaderen, die naar het woord van God niet hoorden, Zacheria 1:4 Zij zullen heengaan naar de plaats, waar diegenen zijn, die nooit het licht zullen zien, nooit de minste vertroosting of blijdschap zullen smaken, daar zij tot de buitenste duisternis veroordeeld zijn. Wees dus niet bevreesd voor de pracht en macht van goddeloze mensen, want het einde van de mens, die in waarde is, zal, zo hij niet wijs en goed is, ongelukkig zijn, indien hij geen verstand heeft, is hij eerder te beklagen dan te benijden. Een dwaas, een goddeloze, in waarde in eer, is in werkelijkheid even verachtelijk als welk beest ook op de aarde; hij is gelijk de beesten, die vergaan, vers 21, ja het is beter een dier te zijn dan een mens, die zich de beesten gelijk maakt. Mensen in waarde, die verstand hebben, die hun plicht kennen en doen, hem nauwgezet en van harte doen, zijn als goden en kinderen des Allerhoogsten. Maar mensen in waarde die geen verstand hebben, die hoogmoedig zijn, en zinnelijk, en verdrukkend, zijn als beesten, en zij zullen vergaan als de beesten roemloos voor zover deze wereld betreft, hoewel niet als de beesten met kwijtschelding voor hetgeen betreft een andere wereld. Laat voorspoedige zondaars dan bevreesd zijn voor henzelf, maar laat zelfs lijdende heiligen niet voor hen vrezen.