10. Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten; van alle zijden stromen diegenen toe, die mede van den overvloed willen genieten, afgezien van het groter aantal dienaars en verzorgers, die een rijke nodig heeft, en die hem nieuwe zorg baren; wat nuttigheid hebben dan de bezitters daarvan, meer dan anderen, die slechts weinig bezitten, dan het gezicht hunner ogen, waardoor toch immers hun hart niet kan vertroost en bevredigd worden?
Dit is een belangrijk en heerlijk woord. Een gierigaard heeft nooit genoeg, hij zamelt en schraapt altijd door. Voor wien verzamelt hij het echter? Het spreekwoord zegt te recht: Na goede spaarders komen goede verteerders. Want de Schrift geeft reeds de waarschuwing, en de ervaring van alle tijden leert het, dat alle schatten, in het bijzonder die, welke door onrecht verkregen zijn, òf bij het leven des gierigaards, òf na zijnen dood hare uitdelers of verteerders gehad hebben, en hij, de gierigaard, heeft er niets dan zorg en moeite van. Salomo was ook een rijke koning. Wie had zijne rijke goederen nodig? Zijn hofstoet. Wie verbruikt de goederen der vorsten? Allerlei dienstpersoneel, ruiters, knechten, schrijvers, ambtlieden, en bovendien veel zogenaamde vrienden, die het `t allerminst verdienen. Wie nu rijkdommen verzamelt, die verzamelt ook verteerders. Waartoe kwelt ge u dan, om uwen schat te vermeerderen? Met al uwe goederen kunt gij toch niet meer doen dan uwen buik vullen en uw arm lichaam dekken. Als God u rijkdommen geeft, gebruik dan uw deel, gelijk gij uw aandeel water gebruikt en laat het andere voorbij stromen; doet gij het niet, zo is het toch te vergeefs, dat gij verzamelt..
De gierigaard is de bewaker, niet de heer; de slaaf en niet de bezitter van zijn geld; want het zou hem gemakkelijker vallen iemand iets van zijn eigen vlees mede te delen, dan van zijn begraven goud. Even als iemand, die bevel geeft, om niets van bewaarde dingen aan te raken, zo bewaart hij zijne schatten en houdt ze bijeen; hij ontzegt zich het zijne, als ware het vreemd goed, en het is voor hem ook vreemd goed. Hoe kan hij zich nu den bezitter noemen van datgene, waarvan hij noch het vrije gebruik, noch enig genot heeft?.
En weet gij niet, dat de gierigaard, omdat hij de aardse goederen te lief gekregen heeft, de hemelse heeft verloren; dat hij ogen heeft en niet ziet? Want als het ware blind zijnde, laat hij het goede voor het bedrieglijke, het hemelse voor het aardse, het oneindige en beste voor het nietigste, het zekere voor het twijfelachtige, het heilige voor het onheilige varen en verruilt hetgeen rijk aan vreugde is met hetgeen slechts smarten aanbrengt. In zijne dwaasheid verrijkt hij zich naar het uitwendige en verarmt naar het inwendige; hij klemt zich vast aan vergankelijke nietigheden, hij bezit de aarde en wordt door verschrikkelijke onderaardse machten bezeten. Ja, hij verslindt, om het weer uit te spuwen; hij heeft lief, wat hem in het verderf stort; hij verwerft met inspanning, wat hij verliezen moet, hij bekommert zich, om hetgeen hem smart veroorzaken moet; hij belast zich zelven, opdat hij slechts te sneller in den afgrond zou neerstorten.