Prediker 5:1-2
Salomo's bedoeling met ons weg te drijven van de wereld door ons haar ijdelheid te tonen, is ons heen te drijven naar God en onze plicht, opdat wij niet wandelen op de weg van de wereld, maar naar godsdienstige regels, noch steunen op de rijkdom van de wereld, maar op godsdienstige voordelen, en daarom
I. Zendt hij ons hier naar het huis Gods naar de plaats van de openbare aanbidding, naar de tempel, die hij zelf met zeer grote onkosten had gebouwd. Toen hij met leedwezen nadacht over al zijn andere werken, Hoofdstuk 2:4, heeft hij daar geen berouw van gehad, maar er met genoegen aan gedacht, maar hij maakt er geen melding van, opdat hij de schijn niet zou hebben van er met hoogmoed aan te denken. Hier zendt hij hen er heen, die meer van de ijdelheid van de wereld wensen te weten en het geluk wensen te vinden, dat tevergeefs in het schepsel wordt gezocht. Toen de psalmist in verlegenheid en verwarring was, is hij in Gods heiligdom gegaan, Psalm 73:17. Laat onze teleurstellingen in het schepsel onze ogen heenwenden naar de Schepper, laat ons de toevlucht nemen tot het Woord van Gods genade en dat raadplegen, tot de troon van Zijn genade en daar bidden. In het Woord en het gebed is een balsem voor iedere wond.
II. Beveelt hij ons om ons daar goed te gedragen, opdat wij ons doel niet missen, waarvoor wij er gekomen zijn. Godsdienstige verrichtingen zijn geen ijdele dingen, maar als wij ze verkeerd behandelen, dan worden zij ijdel voor ons. En daarom
1. Moeten wij er ons toe begeven met alle ernst en zorg. Bewaar uw voet, houd hem niet terug van het huis Gods zoals in Spreuken 25:17 noch ga er langzaam heen, als iemand, die onwillig is om tot God te naderen, maar geef wel acht op uw gang, weeg de gang van uw voet opdat gij geen valse stap doet. Begeef u tot de aanbidding van God met een plechtige pauze, en neem de tijd om u ervoor te bereiden, er niet overhaast heengaande, hetgeen haastig zijn met de voeten genoemd wordt, Spreuken 19:2. Bewaar uw gedachten van af te dwalen van het werk, bewaar uw genegenheden van uit te gaan naar verkeerde voorwerpen, want in de bezigheid van Gods huis is werk genoeg voor de gehele mens, en het is nog veel te weinig om er in gebruikt te worden. Sommigen denken dat het een toespeling is op het bevel, dat aan Mozes en Jozua gegeven werd, om hun schoenen uit te trekken van hun voeten, Exodus 3:5, Jozua 5:15, ten teken van onderworpenheid en eerbied. Houd uw voeten rein, Exodus 30:19.
2. Wij moeten er ons voor oppassen dat het offer, dat wij brengen, niet de offerande zij van de zotten, van goddeloze mensen, want zij zijn zotten, en hun offer is de Heer een gruwel, Spreuken 15:8, dat wij niet het gescheurde en het kreupele en het zieke tot een offer brengen, want er is ons duidelijk gezegd dat het niet aangenomen zal worden, en daarom is het dwaasheid om het te brengen, dat wij niet vertrouwen op het teken en de ceremonie en het uitwendige van de godsdienstige verrichting, zonder te letten op de zin en de betekenis ervan want dat is de offerande van de zotten, lichamelijke oefening zonder meer is een bespotting. Geen anderen dan dwazen zullen denken daarmee Hem te behagen, die een geest is en het hart eist, en zij zullen hun dwaasheid inzien, als zij bespeuren hoeveel vergeefse moeite zij gedaan hebben, en dat wel uit gebrek aan oprechtheid. Zij zijn dwazen, want zij bedenken niet dat zij kwaad doen, zij denken God en zichzelf goed te doen, een goede dienst te bewijzen, als zij in werkelijkheid God een grote belediging aandoen, en hun eigen ziel grovelijk bedriegen door hun geveinsde vroomheid. De mensen kunnen kwaad doen zelfs als zij belijden goed te doen, en zelfs dan, als zij het niet weten en het niet bedenken. Zij weten niet anders dan kwaad te doen, zo lezen het sommigen. Een goddeloos hart kan niet anders dan verkiezen te zondigen, zelfs bij een godsdienstige handeling. Of, zij bedenken niet dat zij kwaad doen, zij handelen in de blinde, op goed geluk af, recht of verkeerd, Gode behagende of niet behagende, het is hun om het even.
3. Opdat wij niet aan de zotte een slachtoffer brengen, moeten wij tot Gods huis komen met een hart geneigd om onze plicht te kennen en te doen. Wij moeten bereid zijn om te horen.
a. Wij moeten naarstig acht geven op het Woord van God, gelezen of gepredikt. "Wees snel om de verklaring te horen, die de priesters geven van de offers, de bedoeling en betekenis ervan uitleggende, en denk niet dat het genoeg is om te staren op hetgeen zij doen want het moet een redelijke dienst zijn anders is het een slachtoffer van de zotte."
b. Wij moeten besluiten om ons te voegen naar de wil van God, zoals hij ons bekend is gemaakt, horen is dikwijls genomen voor gehoorzamen, en dat is beter dan slachtoffer, 1 Samuël 15:22 Jesaja 1:15, 16. Wij komen dan in de rechte gezindheid tot heilige plichten, als wij komen met dit in ons hart: Spreek, Heer, want Uw knecht hoort. Laat het woord des Heeren komen zei eens een godvruchtig man, en al had ik zes honderd hoofden, ik zou ze buigen voor het gezag ervan.
4. Wij moeten zeer bedachtzaam zijn in ons naderen en spreken tot God, vers 2. Wees niet te snel met uw mond, hetzij in het doen van gebeden, of betuigingen, of beloften, uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht. Als wij in het huis Gods zijn, in de plechtige bijeenkomst voor de aanbidding Gods, dan zijn wij in bijzondere zin voor Gods aangezicht en in Zijn tegenwoordigheid, daar, waar Hij beloofd heeft Zijn volk te ontmoeten, waar Zijn oog op ons is, en onze ogen op Hem behoren te zijn. Wij hebben iets te zeggen, iets uit te spreken voor God, als wij in het volbrengen van heilige plichten tot Hem naderen, Hij is iemand met wie wij te doen hebben, met wie wij zeer gewichtige zaken hebben. Als wij komen zonder een boodschap zonder iets te zeggen te hebben, dan zullen wil zonder enig nut of voordeel behaald te hebben weer weggaan. Wat wij afspreken voor Gods aangezicht, moet uit het hart komen, en daarom moeten wij niet te snel wezen met onze mond, in ons gebed moet onze tong onze gedachten niet voorbij spreken, de woorden van onze mond moeten altijd het voortbrengsel zijn van de overdenking van ons hart. Voor God zijn gedachten woorden, en woorden zijn slechts wind indien zij niet de uitdrukking zijn van de gedachten. Lippenwerk is, al is het nog zo fraai bewerkt, slechts verloren werk in de Godsdienst, als het niet meer dan dat is, Mattheus 15:8, 9.
d. Het is niet genoeg dat hetgeen wij zeggen uit het hart komt, het moet komen uit een kalm, bedachtzaam hart, en niet uit een plotselinge opwelling van hartstocht. Gelijk de mond niet roekeloos moet zijn, zo moet het hart niet haastig wezen, wij moeten niet slechts denken, maar tweemaal denken eer wij spreken als wij spreken, hetzij van God in de prediking, of tot God in het gebed, en niets uiten, dat onbetamelijk of ondoordacht is, 1 Corinthiers 14:15.
5. Wij moeten in de tegenwoordigheid Gods spaarzaam zijn met onze woorden, wij moeten eerbiedig en voorzichtig zijn, niet met evenveel vrijmoedigheid en zorgeloosheid van Godspreken als wij van elkaar spreken, niet uitspreken wat zo maar in onze gedachte opkomt, niet de dingen telkens en nogmaals herhalen, zoals wanneer wij tot elkaar spreken opdat hetgeen wij zeggen begrepen en onthouden zal worden en indruk zal teweegbrengen. Neen, als wij tot God spreken, dan moeten wij bedenken: A. Dat er tussen Hem en ons een oneindige afstand is. God is in de hemel, waar Hij in heerlijkheid regeert over ons en over al de kinderen van de mensen, waar Hij gediend wordt door een ontelbare schare van heilige engelen en ver verheven is boven al onze dankzegging en lof. Wij zijn op de aarde, de voetbank van Zijn troon, wij zijn gering, ongelijk aan God en ten enenmale onwaardig om enigerlei gunst van Hem te ontvangen, of om enigerlei gemeenschap met Hem te hebben. Daarom moeten wij zeer bezonnen, ootmoedig en ernstig zijn, en eerbiedig zijn in ons spreken tot Hem, zoals wij zijn als wij spreken tot een zeer aanzienlijk man, die zeer ver onze meerdere is, en laat als teken hiervan, onze woorden weinig zijn, opdat zij goed gekozen zijn, Job 9:14. Hiermede worden niet alle lange gebeden veroordeeld, indien zij niet goed waren, de Farizeeën zouden ze niet gebruikt hebben om er hun vroomheid mee te bewijzen, Christus bad de gehele nacht door en ons wordt gezegd te bidden zonder ophouden, maar het veroordeelt zorgeloos en harteloos bidden, ijdele herhalingen, Mattheus 6:7, het Paternoster op te zeggen en te tellen. Laat ons tot God en van Hem spreken in Zijn eigen woorden, woorden die de Schrift ons leert, en laat onze woorden, de woorden, die wij zelf bedenken, weinig zijn, omdat wij, niet sprekende naar de regel, verkeerd zouden spreken.
B. Dat het vermenigvuldigen van woorden in onze gebeden ze tot offeranden van de zotten zal maken. Gelijk verwarde, schrikwekkende dromen, die de slaap storen en onrustig maken, een bewijs zijn van haast en gejaagdheid in ons werk, waarvan ons hoofd vervuld is, zo zijn vele woorden, haastige woorden, die in het gebed gebruikt worden, een bewijs van dwaasheid, heersende in ons hart, onwetendheid omtrent God en onszelf, geringe gedachten van God en zorgeloze gedachten omtrent onze eigen ziel. Zelfs in gewone gesprekken wordt een dwaas gekend aan de veelheid van de woorden, zij, die het minst weten, praten het meest, Hoofdstuk 10:11, inzonderheid in gebeden, daar zal ongetwijfeld hij, die dwaas is van lippen, omgeworpen worden, Spreuken 10:8, 10. Diegenen zijn wel waarlijk dwaas, die denken dat om hun vele spreken hun gebed verhoord zal worden.