Psalm 89:6-15
Deze verzen zijn vol van de lof van God.
Merk op:
I. Waar en door wie God geprezen moet worden.
1. God moet geprezen worden door de engelen hierboven. De hemelen loven Uwe wonderen, o Heere, vers 6, dat is: "De heerlijke bewoners van de bovenwereld bezingen voortdurend Uwen lof. Looft de Heere, Zijn engelen" Psalm 103:20. De werken Gods zijn wonderen, zelfs voor hen, die er het best mee bekend zijn en er het meest mee vertrouwd zijn, hoe meer Gods werken gekend worden, hoe meer zij bewonderd en geprezen worden. Dit moet ons de hemel doen liefhebben, ons doen verlangen om daar te zijn, en daar zullen wij niets anders te doen hebben dan God en Zijn wonderen te loven.
2. God wordt geloofd door de vergaderingen van Zijn heiligen op aarde de lofzang is in stilheid tot Hem in Zion en hoewel zij ver tekort schieten bij de lof van de engelen, behaagt het Gode toch om er nota van te nemen, en acht Hij zich er door geëerd. "Uw getrouwheid en de waarheid Uwer belofte, die rots, waarop de kerk gebouwd is, zullen geprezen worden in de vergadering van de heiligen, die aan deze getrouwheid hun alles verschuldigd zijn, en wier blijvende troost het is, dat er een belofte is, en dat Hij, die beloofd heeft, getrouw is." Van Gods heiligen op aarde wordt verwacht dat zij Hem loven, wie zal het doen, als zij het niet doen? Laat ieder heilige Hem loven, maar inzonderheid de vergadering van de heiligen, als zij bijeenkomen, laat hen zich verenigen in God te loven, hoe meer van hen hoe beter, dan gelijkt het meer op de hemel. Van de eer, (Gode bewezen door de vergadering van de heiligen, spreekt hij nogmaals in vers 8. God is grotelijks geducht in de raad van de heiligen. Heiligen moeten bijeenkomen ter Godsverering, ten einde openlijk hun betrekking tot God te erkennen en elkaar op te wekken om Hem eer te geven, en door de gemeenschap met God te onderhouden ook de gemeenschap van de heiligen te onderhouden. In Godsdienstige bijeenkomsten heeft God de tegenwoordigheid van Zijn genade beloofd, maar wij moeten er ook de tegenwoordigheid van Zijn majesteit zien, opdat de gemeenzaamheid tot welke wij toegelaten zijn, geen de minste minachting zal teweegbrengen, want Hij is vreeslijk in Zijn heiligdommen, en daarom grotelijks te duchten. Een heilig ontzag voor God moet ons aangrijpen en ons vervullen in al ons naderen tot God, zelfs in het verborgen, waaraan zeer wel nog iets toegevoegd kan worden door het plechtige van de openbare bijeenkomst. God moet geëerbiedigd worden boven allen, die rondom Hem zijn, vers 8, die voortdurend bij Hem zijn als Zijn dienaren, of om een bijzondere reden tot Hem naderen. Zie Leviticus 10:3. Diegenen alleen dienen God op Hem welbehaaglijke wijze, die Hem dienen "met eerbied en Godvruchtigheid," Hebreeën 12:28.
II. Wat het is God te loven. Het is Hem te erkennen als een wezen van ongeëvenaarde volmaaktheid, waaraan niemand gelijk is, en waarmee niemand vergeleken kan worden, vers 7. indien er wezens zijn, die er aanspraak op kunnen maken met God te wedijveren, dan moeten zij voorzeker onder de engelen gevonden worden, maar allen staan zij oneindig ver bij Hem achter. Wie mag in de hemel tegen de Heere geschat worden, zodat hij een deel kan opeisen van de eerbied en de aanbidding, die Hem alleen toekomen, of met Hem kan wedijveren om de hulde van de kinderen van de mensen te ontvangen? Zij zijn kinderen van de sterken, maar wie hunner kan bij de Heere vergeleken worden? Edelen zijn de gelijken van vorsten, er is enige gelijkheid tussen hen, maar er is geen gelijkheid tussen God en de engelen, zij zijn Zijn gelijken niet. "Bij wie zult gijlieden Mij vergelijken, die Ik gelijk zij? zegt de Heilige", Jesaja 40:25. Hierop wordt nogmaals de nadruk gelegd, vers 9. Wie is als Gij grootmachtig? Geen engelen, geen aardse potentaat, hoe ook genaamd, is bij God te vergelijken, of heeft een arm gelijk Hij, of kan gelijk Hij met de stem donderen. Uwe getrouwheid is rondom U, dat is: "Uwe engelen, die rondom U zijn, U opwachten met hun lof en gereed zijn om op Uw boodschappen, Uw werk, uit te gaan, zijn allen getrouw." Of liever, "in alles wat Gij doet, naar alle zijden, betoont Gij U getrouw aan Uw woord, boven hetgeen vorst of potentaat, hoe ook genaamd, is." Onder de mensen ziet men maar al te dikwijls dat zij, die het meest instaat zijn om hun woord te breken er het minst zorg voor dragen om het te houden, maar God is beide sterk en getrouw, Hij kan alles doen, maar zal toch nooit onrecht doen.
III. Waar wij in onze lof Gode de eer van moeten geven. Er worden hier verscheidene dingen genoemd.
1. Het gebied, of de macht van God over de onbedwingbaarste schepselen, vers 10. Gij heerst over de opgeblazenheid van de zee, niets is schrikkelijker of dreigender dan deze, de mens is volstrekt onmachtig om haar te beteugelen, zij kan met zich hoger opblazen niet verder komen, niet harder bruisen, niet meer schade aanrichten dan God haar toelaat, wanneer haar baren zich verheffen, kunt Gij ze terstond tot bedaren brengen en de storm in windstilte verkeren." Dit wordt hier aangevoerd als een daad van almacht, wie was de de Heere Jezus wie "de winden en de zee gehoorzaam waren?"
2. De overwinningen, die God behaald heeft over de vijanden van Zijn kerk, Zijn beheersen van de bruisende zee, Zijn stillen van haar baren, was hier een zinnebeeld van, vers 11.. Gij hebt Rahab verbrijzeld, menige trotsen vijand, zoals daar de betekenis van is, inzonderheid Egypte, dat soms Rahab genoemd wordt, hebt Gij verbrijzeld als een verslagene, die volstrekt onmachtig is om nog langer het hoofd te bieden. Het hoofd verbrijzeld zijnde, hebt Gij de overigen verstrooid met de arm Uwer sterkte. God heeft meer dan een wijze om met Zijn vijanden en de vijanden van Zijn kerk te handelen. Wij denken dat Hij hen terstond zal doden, maar soms verstrooit Hij hen, ten einde hen heen te zenden als monumenten van Zijn gerechtigheid, Psalm 59:12. De herinnering aan het verbrijzelen van Egypte is een troost voor de kerk met betrekking tot de tegenwoordige macht van Babylon, want God is nog dezelfde.
3. Het onbetwistbare recht van eigendom dat Hij heeft op al de schepselen van de boven en benedenwereld, vers 12, 13. "De mensen worden geëerd om hun uitgestrekte bezittingen maar de hemel is Uwe, o Heere, ook is de aarde Uwe, daarom loven wij U, daarom vertrouwen wij op U, daarom zullen wij niet vrezen wat de mens ons doen kan. De wereld en haar volheid, al de rijkdom, die zij bevat, al de inwoners ervan, zij zijn allen Uwe want Gil hebt ze gegrond." En die ze gegrond heeft, kan er met recht aanspraak op maken er de eigenaar van te zijn. Hij specificeert:
a. De verst verwijderde delen van de wereld, het noorden en het zuiden, de landen, die om de twee polen liggen, onbewoond en weinig bekend zijn, "Gij hebt ze geschapen, en daarom kent Gij ze, draagt Ge er zorg voor, en ontvangt er de schatting van lof van." Van het noorden wordt gezegd, dat het uitgebreid is over het woeste, maar van de volheid, die ook daar nog is, is God de eigenaar. b. De hoogste plaatsen van de wereld, hij noemt de twee hoogste bergen van Kanaän, Thabor en Hermon, ( de een gelegen naar het westen, de andere naar het oosten), "dezen juichen in Uwen naam, want zij zijn onder de zorg Uwer voorzienigheid, en zij brengen offeranden voort voor Uw altaar." De heuvelen worden gezegd zich te verheugen in hun vruchtbaarheid, Psalm 65:13. Thabor wordt algemeen verondersteld de hoge berg in Galilea te zijn, op welks top Christus van gedaante werd veranderd, en toen mocht hij in waarheid gezegd worden zich te verheugen in de stem, die toen gehoord werd: "Deze is Mijn geliefde Zoon."
4. De macht en gerechtigheid, de goedertierenheid en waarheid, waarmee Hij de wereld regeert en de zaken van de kinderen van de mensen bestuurt, vers 14, 15..
a. God is machtig om alles te doen, want Hij is de Heere, God almachtig. Zijn arm, Zijn hand is met macht, is sterk, beide om Zijn volk te behouden, en om Zijn en hun vijanden te verderven, niemand kan de kracht van Zijn machtige hand weerstaan, of er het gewicht van dragen. Zijn rechterhand is hoog, om de hoogsten te bereiken, zelfs hen, die "hun nest stellen tussen de sterren", Amos 9:2, 3, Obadja: 4. Zijn rechterhand is verheven in hetgeen Hij gedaan heeft, want op duizenderlei wijze heeft Hij Zijn macht doen uitblinken, Psalm 118:16.
b. Nooit heeft Hij gedaan, nooit zal Hij doen, iets dat hetzij onrechtvaardig of onverstandig is, want gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons. Geen van al Zijn voorschriften of raadsbesluiten was ooit in strijd met de regelen van de billijkheid of van de wijsheid, en nooit heeft iemand God van onrechtvaardigheid of dwaasheid kunnen beschuldigen. Sommigen lezen het: gerechtigheid en gericht zijn het toebereiden van Zijn troon, de toebereidselen voor Zijn regering in Zijn raadsbesluiten van eeuwigheid, en de bevestiging ervan in hun gevolgen tot in eeuwigheid zijn alle gerechtigheid en gericht.
c. Altijd doet Hij wat liefderijk is voor Zijn volk en in overeenstemming met het woord, dat Hij heeft gesproken. "Goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen als voorlopers om de weg voor U te bereiden, goedertierenheid in het beloven, waarheid in het volbrengen, waarheid in het houden van Uw woord, goedertierenheid in nog meer te doen dan Gij beloofd hebt." Hoe prijzenswaardig zijn die eigenschappen in grote mannen, hoeveel te meer dan niet in de grote God, in wie zij volmaakt zijn!