Jesaja 56:9-12
Door een zeer plotselinge verandering van stijl gaat de profeet hier van woorden van vertroosting over tot woorden van bestraffing en overtuiging en gaat op die wijze voort in het grootste gedeelte van de volgende drie hoofdstukken. Daarom menen sommigen dat hier een nieuwe rede begint. Hij had het volk verzekerd dat God op de bestemde tijd het uit de gevangenschap bevrijden zou, hetgeen bedoeld was tot vertroosting van hen die leven zouden ten tijde dat God dit doen zou. Hier toont hij nu wat hun zonden en overtredingen waren, om welke God hen in gevangenschap deed gaan en dit was bestemd tot overtuiging van hen die in zijn tijd leefden, ongeveer honderd jaren voor de ballingschap, en die nu bezig waren met de maat van nationale zonden te vervullen en hetgeen God over hen brengen zou, te rechtvaardigen. God zou hen verwoesten door de felheid van hun vijanden, ter wille van de valsheid hunner vrienden.
I. Zware oordelen worden hier aangekondigd, vers 9. De schapen van Gods weide worden thans gemaakt tot schapen voor de slachter, om te vallen als slachtoffers van Zijn gerechtigheid en daarom worden de beesten van de woestijn en uit het woud geroepen om te komen en hen te verscheuren. Zij zijn roofdieren, en voldoen daardoor aan hun eigen woeste aard, maar God staat hun toe het te doen, ja, Hij gebruikt hen als zijn dienaren om het te doen, de uitvoerders van Zijn gerechtigheid, ofschoon zij dat niet zo bedoelen en hun hart er niet aan denkt. Dit ziet in de eerste plaats op de aanval op hen door de Babyloniërs en het verscheuren door dat volk, maar verder doelt het op de verwoesting van Jeruzalem en het Joodse volk door de Romeinen, nadat de verstrooiden onder hen, vers 8 vermeld, tot de Christelijke kerk vergaderd waren. De Romeinse legers kwamen tegen hen op als beesten des velde om hen te verscheuren en namen spoedig hun plaats uit de rij van de volken weg. Wanneer God bloedig werk te doen heeft, roept Hij de roofdieren uit de wouden om daarvoor gebruikt te worden.
II. Hier wordt de reden voor deze oordelen gegeven. De herders, die de wachters van de kudde moesten zijn, om de nadering van de roofdieren te ontdekken, hen af te weren, en de schapen te beschermen, waren verraderlijk en zorgeloos, letten niet op hun werk, maakten geen ernst van de taak die hun toevertrouwd was, en zo werden de schapen gemakkelijk een prooi van de roofdieren. Dit ziet op de valse profeten die leefden ten tijde van Jesaja, Jeremia en Ezechiël, die het volk in zijn boze wegen vleiden, en het zeiden dat het vrede zou hebben al ging het daarop voort, en op de priesters, die hen daarin steunden, en op de goddeloze vorsten, de zonen van Josia, die kwaad deden voor het aangezicht des Heeren, en de andere overheden onder hen, die het vertrouwen schonden, verraderlijk en heiligschennend waren, en inplaats van de bres toe te metselen, waardoor Gods gerichten hen zouden overvallen, die wijder maakten, en de toorn des Heeren al heftiger deden ontbranden in plaats van die zo mogelijk te doen bedaren. Zij hadden gerechtigheid en gericht kunnen handhaven, vers 1, maar zij verlieten die beide, Jeremia 5:1. Het kan ook zien op hen die de wachters des volks waren in de tijd onzes Zaligmakers, de overpriesters en de schriftgeleerden, die de tekenen van de tijden behoorden te onderscheiden, en het volk de naderende komst van de Messias hadden moeten aankondigen, maar in plaats daarvan zich tegen Hem verzetten, en alles deden wat zij konden om het volk te beletten Hem te leren kennen en om vooroordeel tegen Hem te verwekken.
Het is een zeer treurige schildering die hier van deze wachters gegeven wordt. Wee u, gij land, dat zulke leidslieden hebt! 1. Zij hebben geen verstand van of gevoel voor hun taak, zij zijn schandelijk onwetend aangaande hun werk, en-zelf zo slecht onderwezen-geheel onbekwaam om anderen te leren. Deze wachters zijn blind, en dus geheel ongeschikt om de wacht te houden. Indien de zieners niet zien kunnen, wie zal er dan voor ons zien? Indien het licht, dat in u is duisternis is, hoe groot zal de duisternis zijn! Christus noemt de Farizeën "blinde leidslieden van de blinden," Mattheus 15:14. De beesten des velds komen om te verscheuren en de wachters zijn blind en bemerken het niet. Zij zijn allen onwetend, herders die niet verstaan kunnen, vers 10, 11, zij weten niet hoe de schapen moeten behandeld worden en kunnen hen niet met verstand leiden, Jeremia 3:15.
2. Van het weinigje kennis, dat ze nog hadden maken zij geen gebruik, de een was even erg als de ander. Gelijk zij blinde wachters waren, die het kwaad niet onderscheiden konden, zo waren zij stomme honden, die er niet voor waarschuwen konden. En waarom zouden er honden bij de kudden zijn, indien niet om de herder te doen ontwaken en de wolf af te schrikken? Zo waren dezen, zij die belast waren met de zorg voor zielen, bestraften de mensen nooit om hun fouten, zegden hun nooit wat daarvan het einde zijn zou, spraken hun nooit van de oordelen Gods, -die over hen zouden losbarsten, zij blaften tegen Gods profeten en beten naar hen, zij worgden de schapen, maar verzetten zich hiertegen de roofdieren en de dieven.
3. Zij waren zeer vadsig en gaven zich geen moeite, zij beminden de rust en haatten het werk, zij waren altijd slaperig, lagen voortdurend neer en hadden het sluimeren lief Zij werden niet, door vermoeidheid of droefenis door de slaan overvallen gelijk de discipelen maar zij gingen liggen met het doel om te slapen, en zeiden: Ziel, neem rust. Nog een weinig slapers!" Het staat slecht met een volk wanneer zijn herders sluimeren, Nahum 3:18. Gezegend is Gods volk, want zijn herder, de wachter Israels slaapt en sluimert nooit
4. Zij waren gierig en zeer wereldsgezind. "En deze honden zijn ook sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden," al hebben zij nog zoveel, het dunkt hun te weinig, zij hebben het zilver zo lief dat zij er nooit genoeg van hebben, Prediker 5:10. Bij alles vragen zij niet, wat ze doen moeten, maar hoe ze iets verkrijgen kunnen. Indien zij hun loon maar ontvangen, hebben zij er geen zorg voor of het werk al dan niet gedaan wordt, zij voeden de schapen niet maar scheren ze. Elk ziet zijns weegs uit, denkt alleen aan zijn eigen belang, let volstrekt niet op het algemene welvaren. Het was ook de klacht van Paulus tegen de wachters van zijn tijd, Filipp. 2:21. "Zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Jezus Christus is". Ieder hunner is bezig met zijn eigen partij te bevorderen, zijn eigen mening te verkondigen, zijn eigen gezin te bevoordelen, en alles naar zijn eigen zin te regelen, terwijl de algemene belangen van het volk jammerlijk verwaarloosd en verzuimd worden Zij allen keren zich naar hun weg, elkeen naar zijn gewin, elk uit zijn einde. Ieder hunner zoekt naar winst van alle kanten, maar elk vooral in zijn eigen buurt, waar hij zeker is dat hem niets ontgaat en dat hij alles krijgen zal wat te krijgen is. Die het hun niet in de mond stopt, kan er zeker van zijn dat zij hem niet zullen helpen, ja zij bereiden de krijg tegen hem, Micha 3:5.
5. Zij zijn volslagen epicuristen, overgegeven aan hun vermaken, nooit beter in hun element dan bij drinkgelagen, vers 12. Komt, zeggen zij, ik zal de wijn zoeken. Zij hebben het maar te bevelen, hun kelders zijn beter voorzien dan hun studeervertrekken. Wij zullen sterken drank zuipen, en ons dronken drinken. Zij waren dikwijls dronken, niet onvoorziens of bij ongeluk, neen, zij waren dronkaards. Deze wachters nodigden elkaar en spoorden elkaar aan om bovenmatig te drinken, of zij haalden het volk over om bij hen te zitten en mee te drinken, en versterkten de mensen zo in hun boze wegen en verhardden hun harten, inplaats van hen te vermanen. Hoe konden zij denken dat er enig kwaad stak in dronkenschap, als de wachters zelf daaraan meededen en er in voorgingen.
6. Zij waren zeer naijverig en vol vertrouwen op de duur van hun voorspoed en toestand, morgen zal zijn als vandaag en nog overvloediger. Wij zullen morgen orde lusten nog meer kunnen botvieren dan heden. Zij dachten volstrekt niet aan hun eigen vergankelijkheid en sterflijkheid, ofschoon zij door hun uitspattingen hun leven verkortten en hun dood verhaastten. Zij hadden geen vrees voor Gods oordelen ofschoon zij Hem dagelijks tergden en zichzelf vatbaar maakten voor Zijn toorn en wraak. Zij hadden nooit een oog voor de onzekerheid van alle zinnelijke vermaken en genietingen hoewel zij door het genieten er van zelf vergingen en met de vermaken zelf verdwenen. Zij besloten voort te gaan op die vervloekte weg, hoezeer hun geweten er ook tegen getuigde, en morgen even lustig te zijn als heden. Maar beroemt u niet op de dag van morgen, want wellicht zal vannacht uw ziel opgeëist worden.