18. Uwe herders, de over de kudde uws legers geplaatste oversten, zullen sluimeren, in doodslaap, o koning van Assur! uwe voortreffelijken, wien de bevordering van `s rijks welvaart ten plicht is gezet, zullen zich tot de rust des doods leggen, uw herderloos volk zal zich op de bergen, welke het in het noorden omgeven, na de verwoesting van zijn land wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen, zij zullen daar ellendig omkomen.
In den grondtekst zijn in dit en het vorig vers alleen vormen van den tegenwoordigen tijd gebruikt. Het toekomstige gericht Gods aan Ninevé is den Profeet zo goddelijk zeker, dat het voor zijn oog als reeds nu voltooid voorkomt.