Jesaja 53:4-9
In deze verzen hebben wij:
I. Een verdere mededeling van het lijden van Christus, veel was vroeger gezegd, maar hier wordt meer bekend gemaakt, van de zeer lage toestand, waartoe Hij zichzelf vernederde, en waardoor Hij gehoorzaam werd tot de dood, ja de dood des kruises.
1. Hij had smarten en krankheden, daarmee was Hij bekend en vertrouwd, Hij deinsde er niet voor terug. Wanneer smarten en krankheden Hem toebedeeld werden, droeg Hij die en morde niet tegen Zijn lot, Hij droeg ze, deed geen poging om ze te ontkomen en zonk niet er onder neer. De last was zwaar en de weg lang, maar Hij werd niet vermoeid doch volhardde tot het einde, totdat Hij zeggen kon: Het is volbracht!
2. Hij had slagen en wonden, Hij werd verwond en verbrijzeld en bedroefd. Zijn smarten wondden Hem, Hij gevoelde er pijn en leed door zij tastten Hem aan in Zijn teerste delen voornamelijk toen God onteerd werd en God Hem aan het kruis verliet. Voortdurend werd Hij met de tong gekwetst, Hij werd belasterd en tegengesproken, de slechtste hoedanigheden werden Hem toegeschreven, van alle mogelijke kwaad werd Hij beschuldigd, en eindelijk werd Hij met slag op slag door de hand mishandeld.
3. Hij had wonden en geselstriemen, Hij werd gegeseld, niet volgens de milde toepassing van de Joodse wet, die niet toestond om meer dan veertig slagen te geven ook aan de ergste misdadigers, maar op de wijze van de Romeinen. En Zijn geseling was ongetwijfeld zoveel gestrenger, omdat Pilatus bedoelde die toe te dienen als vervanging van de kruisiging, ofschoon zij er de voorbereiding voor werd, Hij werd gewond in handen, voeten en zijde en ofschoon bepaald was dat geen been aan Hem gebroken zou worden, was er nauwelijks een plekje aan Zijn gehele lichaam dat onverlet bleef, (hoe genadig dat wij, ook indien wij geroepen worden om voor Hem te lijden, het zo vreeslijk zwaar niet hebben!) maar van Zijn met doornen gekroond hoofd tot zijn voetzolen, die aan het kruis genageld werden, was Hij een en al wonde.
4. Hij werd verongelijkt en verdrukt, vers 7. Hij werd onrechtvaardig en met hardheid behandeld. Hetgeen waaraan Hij geheel onschuldig was, werd Hem ten laste gelegd, hetgeen Hij niet verdiend had, moest Hij ondergaan, naar ziel en lichaam werd Hij bedroefd. Zijn verdrukking trok Hij zich aan, of schoon Hij geduldig was, werd Hij er niet gevoelloos onder, maar Hij mengde Zijn tranen met die van andere verdrukkers, die geen trooster hebben, omdat aan de zijde van de verdrukkers macht was, Prediker 4:1. Verdrukking is een zware beproeving, zij heeft menigen wijze gek gemaakt, Prediker 7:7, maar onze Heere Jezus, ofschoon Hij verdrukt en bedroefd was, bleef Hij meester van Zijn ziel.
5. Hij werd veroordeeld en gevangen genomen, hetgeen wordt uitgedrukt door de woorden: van gevangenis en oordeel genomen, vers 8. Toen God Hem zonde voor ons gemaakt had, werd er verder tegen Hem opgetreden als een misdadiger, Hij werd vervolgd, in verzekerde bewaring genomen, gevangene gemaakt, voor de rechtbank gebracht, beschuldigd, onderzocht, veroordeeld, overeenkomstig de vormen van de wet. God leidde dat proces tegen Hem, liet Hem naar aanleiding daarvan veroordelen en sloot Hem op in de gevangenis van het graf, waarvan de ingang met een groten verzegelde steen gesloten werd. 6. Door een ontijdigen dood werd Hij afgesneden uit het land van de levenden, ofschoon Hij Zijn leven zo nuttig mogelijk besteed had en zoveel goede daden verricht had, alle van die aard, dat niemand denken zou dat men Hem om een daarvan stenigen zou. Hij is afgesneden uit het land van de levenden en Zijn graf is bij de goddelozen gesteld, want Hij werd gekruisigd tussen twee moordenaren, alsof Hij de slechtste van de drie ware. En toch was Hij bij de rijken in Zijn dood, want Hij werd begraven in het uitgehouwen graf van Jozef, een aanzienlijk raadsheer. Ofschoon Hij met de misdadigers stierf, en volgens de gewone wijze van handelen met misdadigers, met hen begraven zou zijn in de plaats waar Hij gestorven was, had God hier voorzegd en het door Zijn voorzienigheid zo beschikt, dat Zijn graf bij de onschuldigen zou zijn, bij de rijken, zodat zelfs temidden van Zijn lijden een teken van onderscheiding gesteld werd tussen Hem en hen, die waarlijk de dood verdienden.
II. Volledig wordt rekenschap gegeven van de bedoeling van dit lijden. Het was een zeer grote verborgenheid dat zo'n uitnemend persoon zo zwaar lijden ondergaan zou, en natuurlijk komt met verwondering de vraag op: waarom was dat? Welk kwaad had Hij bedreven? Zijn vijanden zagen op Hem neer alsof Hij rechtvaardig voor Zijn overtredingen leed, en of schoon zij Hem niets ten laste leggen konden, achtten zij dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was, vers 4. Omdat zij Hem haatten en onder de voet traden, meenden zij dat God het ook deed, dat die Zijn vijand was en oorzaak tegen Hem zocht, en daarom werden zij des te meer verbitterd tegen Hem, en riepen: God heeft Hem verlaten, jaagt na en grijpt Hem!" Psalm 71:12. Zij die rechtvaardig geslagen worden zijn door God geslagen, want door Hem spreken de vorsten gerechtigheid, en daarom beschouwden zij Hem als rechtvaardig geslagen en ter dood gebracht als een godslasteraar, een bedrieger en een vijand van de keizer. Zij, die Hem aan het kruis zagen hangen, onderzochten niet of Hij dat verdiend had, maar hielden het voor een uitgemaakte zaak dat Hij schuldig was aan alles, wat Hem ten laste gelegd werd, en dat daarom de wraak Hem niet liet leven. Jobs vrienden meenden dat hij door God geslagen werd, omdat er iets buitengewoons in zijn lijden was. Het was ook zo dat God Hem geslagen had, vers 10, dat Hij door God verbrijzeld en ziek gemaakt was, of volgens andere lezing, Gods geslagene en verbrijzelde, dat is Gods Zoon, ofschoon Hij Hem sloeg en bedroefde. Maar het was niet waar in de zin, die zij bedoelden. Het was waar dat Hij dit alles leed, maar:
1. Hij had nooit iets hoegenaamd gedaan, waardoor Hij deze harde behandeling verdiend had. Hij werd beschuldigd van ophitsing van het volk en van het zaaien van verdeeldheid maar geheel ten onrechte, want Hij had geen geweld gepleegd, maar ging overal rond goeddoende. Hij werd een bedrieger genoemd, maar het was enkel laster, want er was geen bedrog in Zijn mond, vers 9. Hiernaar verwijst de apostel, 1 Petrus 2:22. "Hij heeft geen zonde gedaan en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden." Nooit beledigde Hij met woord of daad en geen van Zijn vijanden kon Zijn uitdaging aannemen: Wie uwer overtuigt mij van zonden? De rechter die Hem veroordeelde moest zelf getuigen dat Hij geen schuld in Hem vond, en de hoofdman over honderd, die Hem aan het kruis bewaakte, moest getuigen: Waarlijk deze mens was rechtvaardig!
2. Hij gedroeg zich onder Zijn lieden zo, dat het duidelijk werd dat Hij niet als een kwaaddoener leed, want ofschoon Hij verdrukt en verbrijzeld werd, nochtans deed Hij Zijn mond niet open, vers 7, zelfs niet eens om Zijn onschuld te bepleiten, maar nam vrijwillig op zich voor ons te lijden en te sterven, zonder daar enige tegenwerping tegen te maken. En dit neemt de schande van het kruis weg, dat Hij er zich vrijwillig aan onderwierp met grote en heilige bedoeling. Door Zijn wijsheid had Hij het vonnis kunnen voorkomen, door Zijn macht had Hij de uitvoering kunnen verhinderen maar aldus was geschreven en aldus betaamde het Hem te laden, dit gebod had Hij van Zijn Vader ontvangen. En daarom werd Hij als een loon ter slachting geleid, zonder enige moeite of tegenstand. Hij is het Lam Gods, en gelijk een schaap stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, ja van zijn slachters, alzo opende Hij Zijn mond niet. En dit toont niet alleen Zijn voorbeeldeloos geduld onder het lijden, Psalm 39:10 en Zijn zachtheid onder smaad, Psalm 38:1-4, maar ook Zijn volkomen eenswillendheid met de Vader. Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede! Zie, Ik kom. In deze wil zijn wil geheiligd, Hij heeft Zijn ziel, Zijn leven, tot een offerande voor onze zonden gemaakt.
3. Het was tot ons welzijn en in onze plaats dat Jezus Christus leed, dit wordt hier duidelijk en volkomen vastgesteld, in een grote verscheidenheid van aangrijpende uitdrukkingen.
A. Het is zeker dat wij allen voor God schuldig zijn, wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, vers 6. Wij dwalen allen als schapen, de een zowel als de ander, de gehele mensheid ligt onder de smet van oorspronkelijk bederf, en ieder lid van de mensheid staat daar beladen met ontelbare overtredingen. Wij zijn allen afgedwaald van God, onze rechtmatige eigenaar, hebben ons van Hem verwijderd en van het doel dat Hij ons aangewezen had, van de weg, die Hij ons voorgeschreven had. Wij zijn de verkeerde weg opgegaan als schapen die geneigd zijn om af te dwalen, en wanneer zij eens weggelopen zijn, niet bij machte zijn om de weg terug te vinden. Dat is ons ware karakter, genegen om van God weg te dwalen, en ten enenmale onbekwaam om tot Hem terug te keren. Dat wordt hier niet slechts vermeld als ons ongeluk dat wij de grazige weiden verlaten en onszelf ten prooi van de verscheurende beesten stellen, maar als onze ongerechtigheid. Wij beledigen God door van Hem af te dwalen en ons een ieder naar zijn eigen weg te keren. Daardoor keren wij onszelf en onze wil lijnrecht tegen God en Zijn wil, hetgeen de kwaadaardigheid van de zonde is. Inplaats van gehoorzaam in Gods weg te wandelen, keren wij ons hardnekkig en koppig tot onze eigen wegen, de wegen van ons eigen hart, de wegen waarop onze bedorven neigingen en hartstochten ons leiden. Wij hebben ons opgeworpen om onze eigen meesters te zijn, onze eigen bestuurders om te doen wat wij willen en te hebben wat wij willen. Sommigen denken dat hier ook bedoeld wordt onze eigen slechte wil in tegenstelling tegen de slechte wil van anderen. Zondaren hebben hun eigen ongerechtigheid, hun eigen geliefkoosde zonde, welke hen het lichtst van alle bevangt op hun eigen weg, die zij bijzonder liefhebben en waarin zij menen zichzelf goed te doen.
B. Onze zonden zijn onze krankheden en smarten, vers 4, of volgens andere lezing, zij zijn onze ziekten en wonden. De LXX lezen: onze zonden, en zo ook de apostel in Petrus 2:24. Onze oorspronkelijke verdorvenheid is de ziekte van onze ziel, een voortdurende ongesteldheid, onze daadzakelijke overtredingen zijn de wonden van onze ziel, zij veroorzaken ons geweten pijn, zolang het nog niet toegeschroeid en gevoelloos gemaakt is. Of, onze zonden worden onze krankheden en smarten genoemd, omdat al onze krankheden en smarten aan onze zonden te wijten zijn, en ome zonden alle krankheden en smarten, zelfs de ergste en altijddurende, verdienen.
C. Onze Heere Jezus was aangewezen en nam op Zich om voldoening voor onze zonden te geven, en ons van de vreeslijke gevolgen ervan te verlossen.
a. Hij was daartoe aangewezen door de wil van zijn Vader, want de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. God verkoos Hem om de Zaligmaker van arme zondaren te zijn, opdat Hij hen in die weg redden zou, door hun zonden en de straf daarvoor te dragen, niet hetzelfde van hetgeen wij hadden moeten dragen, maar het meerdere, dat meer dan voldoende was voor de handhaving van de eer van de heiligheid en gerechtigheid van God in de regering van de wereld. Zie hier:
Ten eerste. Op welke wijze wij gered zijn van de verwoesting, waaraan wij door de zonde onderworpen waren, door onze zonden te leggen op Christus, gelijk de zonden van de offeraar gelegd worden op het offer, en die van geheel Israël op het hoofd van de zondebok. Onze zonden werden op Hem gelegd, de zonden van allen die Hij zaligmaken zou, uit elke plaats en van elken leeftijd. zij ontmoetten Hem en Hij ontmoette de zonde. Zij vielen op Hem, zo lezen sommigen, zij vielen op Hem aan als met zwaarden en stokken. Het leggen van onze zonden op Christus sluit in zich dat Hij ze van ons wegnam. Wij zullen niet onder de vloek van de wet blijven, indien wij ons onderwerpen aan de genade van het Evangelie. Zij werden op Christus gelegd toen Hij zonde gemaakt werd, dat is, een zondoffer voor ons gemaakt werd en ons van de vloek van de wet bevrijdde door een vloek te worden voor ons, en daardoor Zich in staat stelde ons allen te helpen, die beladen met de last van de zonden tot Hem hun toevlucht namen, zie Psalm 40:7- t3.
Ten tweede. Door wie Hij daartoe was aangewezen. Het was de Heere, die onze ongerechtigheden op Christus legde, Hij ontwierp dit plan van verzoening en redding en Hij nam de plaatsvervangende voldoening aan, welke Christus zou aanbrengen. Christus werd ter dood overgeleverd door de bepaalde raad en de voorkennis Gods. Niemand dan God had de macht om onze zonden op Christus te leggen, omdat de zonde tegen Hem begaan was en dus Hem daarvoor voldoening moest gegeven worden, en ook omdat Christus, op wie onze ongerechtigheid gelegd was, Zijn eigen Zoon was de Zoon van Zijn liefde, Zijn heilig Kind Jezus die zelf geen zonde kende.
Ten derde. Voor wie de verzoening moest aangebracht worden. Het is van onze aller ongerechtigheid, die op Christus gelegd werd, want in Christus is een volheid van verdiensten voor de zaligheid van allen, en aan allen wordt een ernstig aanbod van die zaligheid gedaan, waarbij niemand uitgesloten wordt die niet zichzelf uitsluit. Dit toont aan dat dit de enige weg ter behoudenis is, allen die gerechtvaardigd zijn, zijn gerechtvaardigd door hun zonden op Jezus Christus te leggen, en al zijn dat ook nog zovele, Hij is in staat ze alle te dragen. Hij nam op Zich dat te doen. God liet al onze ongerechtigheid op Hem aanlopen, maar heeft Hij er in toegestemd? Ja dat deed Hij. Volgens sommigen is de juiste lezing van het begin van vers 7 :Het werd geëist, en Hij antwoordde. De goddelijke gerechtigheid vroeg genoegdoening voor de zonde en Hij verbond zich om die te geven. Hij werd onze borg, niet als in oorspronkelijk verbond met ons, maar door de daad: Op Mij zij de vloek, Mijn Vader! En daarom eiste Hij, toen Hij gegrepen werd, van hen in wier handen Hij zich vrijwillig overgaf, dat zij Zijn discipelen zouden vrijlaten: "Indien gij Mij zoekt, zo laat deze heengaan," Johannes 18:8. Door Zijn eigen vrijwillige onderwerping stelde Hij zich aansprakelijk voor onze schuld, en het is gezegend voor ons dat Hij er voor aansprakelijk werd, want hetgeen Hij niet geroofd had heeft Hij weer gegeven.
4. Nadat Hij onze schuld op zich genomen had, heeft Hij de straf er voor ondergaan. Salomo zegt: die borg geworden is voor een vreemde zal daardoor in leed komen. Christus werd borg voor ons en leed er onder.
a. Hij nam onze krankheden op Zich en droeg onze smarten, vers 4. Hij was niet alleen onderworpen aan de gewone zwakheden van de menselijke natuur en de algemene ongelukken, welke de zonde over de mensheid gebracht heeft, maar Hij onderging de uitersten van smart toen Hij zei: Mijn ziel is bitterlijk bedroefd. Hij nam de smarten van de tegenwoordige tijd zo zwaar mogelijk op Zich, opdat Hij die licht en gemakkelijk zou maken voor ons. De zonde is de knagende worm en de gal in alle droefenis en ellende, Christus droeg onze zonden en daardoor onze smarten, en droeg ze alle van ons weg, opdat wij niet boven vermogen zouden gedrukt worden. Dit wordt aangehaald in Mattheus 8:17, met toepassing op het medelijden dat Christus gevoelde voor de zieken, die tot Hem kwamen om genezen te worden en op de macht die Hij aanwendde om haar te genezen.
b. Hij deed dit door voor onze zonden te lijden, vers 5. Om onze overtredingen is Hij verwond, dat is om daarvoor verzoening aan te brengen en voor ons de vergeving te verwerven. Onze zonden waren de doornen in Zijn hoofd, de nagelen in Zijn handen en voeten, de speer in Zijn zijde. Wonden en striemen waren de gevolgen van de zonde, die wij verdiend hebben en die wij zelf ons berokkend hadden, Jesaja 1:6. Opdat deze wonden en striemen, al zijn zij pijnlijk, niet dodelijk zouden zijn, werd Christus om onze overtredingen verwond, gemarteld en gepijnigd (het is het woord dat gebruikt wordt voor de smarten van een vrouw in barensnood) om onze opstand en ons verzet, Hij werd verwond en verbrijzeld om onze overtredingen, want die waren de oorzaak van Zijn dood. Hetzelfde zegt vers 8 Om de overreding mijns volks is de plaag op Hem geweest, de plaag die op ons zijn moest. Of zoals sommigen lezen: Hij "werd afgesneden om de ongerechtigheid van Zijn volk, dat de plaag had moeten lijden, Hij werd overgeleverd ter dood om onze zonden," Romeinen 4:25. Elders wordt gezegd dat dit was overeenkomstig de Schriften. Overeenkomstig de Schriften is Christus gestorven voor onze zonden, 1 Corinthiers 15:3. Sommigen lezen hier: door de overtredingen van mijn volk, dat is door de handen van de goddeloze Joden, die in belijdenis Gods volk waren, is Hij geslagen, gekruisigd en gedood, Handelingen 2:23. Maar ongetwijfeld moeten wij het in de eerstgenoemde zin opvatten, welke overvloedig bevestigd wordt door de voorzegging van de engel van het werk van de Messias, plechtig overgeleverd aan Daniël, dat Hij "de overtreding zal sluiten en de zonden verzegelen, en de ongerechtigheid verzoenen," Dan 9:24.
5. De uitwerking en het gevolg van dit alles voor ons is onze vrede en onze genezing, vers 1.
a. Wij hebben daardoor vrede: De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. Door deze straf te ondergaan versloeg Hij de vijandschap en vestigde vriendschap tussen God en de mensen. Hij maakte vrede door het bloed Zijns kruises. Door de zonde waren wij afschuwelijk voor Gods heiligheid en onderworpen aan Zijn gerechtigheid geworden, en door Christus is God met ons verzoend en vergeeft niet alleen onze zonden en redt ons van de ondergang, maar neemt ons in Zijn vriendschap en gemeenschap, en daardoor verkrijgen wij vrede, dat is alle goeds, Efeziers 2:14. "Hij is onze vrede," Colossenzen 1:20. Christus was in druk opdat wij veiligheid zouden hebben, Hij voldeed aan de gerechtigheid Gods, opdat wij voldoening in ons gemoed zouden hebben, goedsmoeds zijn, wetende dat om Zijnentwil onze zonden ons vergeven zijn.
b. Wij hebben daardoor genezing. want door Zijn striemen is ons genezing geworden. De zonde is niet alleen een misdaad, waarvoor wij ter dood veroordeeld waren, en waarvoor Christus voor ons vergeving verwierf, maar zij is ook een ziekte, die onvermijdelijk de dood van onze zielen veroorzaakt, maar waarvoor Christus genezing aangebracht heeft. Door Zijn striemen, dat is door het lijden, dat Hij om onzentwil onderging, verwierf Hij ons de Geest en de genade Gods om ons bederf te doden, dat de besmetter onzer ziel is, en om onze zielen in goede gezondheidstoestand te brengen, opdat zij in staat mogen zijn om God te dienen en Hem te verheerlijken. En door de leer van het kruis van Christus en de machtige argumenten tegen de zonde, welke zij ons geeft, wordt de heerschappij van de zonde over ons gebroken en worden wij versterkt tegen hetgeen de ziekte verwekt.
6. De uitwerking en het gevolg hiervan voor Christus was Zijn opstanding en verhoging tot eeuwige eer. Hierdoor wordt waarlijk de smaadheid des kruises teniet gedaan, Hij onderwierp zich om te sterven als een offerande, als een lam, en ten einde duidelijk in `t licht te stellen dat Zijn offer aangenomen was, wordt ons hier meegedeeld, vers 8, .
a. Dat Hij ontslagen werd: Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen. Hij lag als een gevangene in het graf onder een rechterlijk vonnis, Hij lag daar gevangen om onze schuld, want de veroordeling was uitgesproken en uitgevoerd, maar door een buitengewoon bevel van de hemel werd Hij uit de gevangenis van het graf ontslagen, een engel werd gezonden om de steen van het graf weg te nemen en Hem in vrijheid te stellen. En dat niet alleen tot Zijn eer maar ook tot onze vertroosting, want, overgeleverd zijnde om onze zonden is Hij opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Dit ontslag was de kwijtschelding van onze schuld.
b. Wie zal Zijn leeftijd uitspreken, of wie zal Zijn geslacht verhalen: of zeggen hoelang Zijn leeftijd duurt? Hij verrees om niet meer te sterven, de dood heeft geen macht meer over Hem, Hij die dood was leeft en leeft voor eeuwig, en wie kan de onsterflijkheid waartoe Hij verrees, beschrijven? Wie kan het getal dier jaren en eeuwen tellen? En tot dit eeuwige leven is Hij verhoogd omdat de overtreding Zijns volks op Hem was en Hij tot in de dood gehoorzaam werd. Wij kunnen het ook nemen als gesproken van de duur van Zijn nuttigheid, zoals van David gezegd wordt dat hij zijn tijd heeft uitgediend en daardoor aan het doel van zijn leven beantwoord: Wie kan zeggen hoe grote zegen Christus door Zijn dood en opstanding zijn zal voor de wereld! Sommigen verstaan onder Zijn geslacht Zijn geestelijk zaad, wie zal de grote menigten van bekeerden tellen, die Hij door het Evangelie verkrijgen zal, gelijk de dauw van de morgen?
Laat ons ten aanzien van dit geslacht bidden gelijk Mozes voor Israël deed: "De Heere, uwer vaderen God, doe tot u zoals gij nu zijt duizendmaal meer en Hij zegene u gelijk als Hij tot u gesproken heeft," Deuteronomium 1:11.