Jeremia 3:12-19
Er is veel Evangelie in deze verzen, zoveel wat van ouds Evangelie was. Gods bereidvaardigheid om zonden te vergeven en terugkerende berouwhebbende zondaren te ontvangen en te vertroosten, als die zegeningen welke in zeker opzicht bewaard bleven voor de tijden des Evangelies, als de vorming en grondvesting van de kerk des Evangelies door de kinderen Gods, die verstrooid waren, daar in te brengen, als de afschaffing van de ceremonieële wet, en de vereniging van Joden en heidenen, afgebeeld door de vereniging van Juda en Israël, in hun terugkeer uit de gevangenschap. De profeet wordt bevolen deze woorden uit te roepen tegen het noorden, want zij zijn een roep tegen de afgekeerde Israël, en de tien stammen waren gevankelijk weggevoerd naar Assyrië, dat noordwaarts van Jeruzalem lag. Die weg op moest hij zien, om te tonen dat God hen niet vergeten had, ofschoon hun broederen hen wel vergeten hadden, en om de mannen van Juda te bestraffen over hun weigering om gehoor te geven aan de roepstemmen die tot hen kwamen. Men kon even goed tot hen roepen als tot hen die op honderd mijlen afstands in het land van het noorden woonden, die zouden het evengoed horen als dit ongelovig en ongehoorzaam volk. De afgekeerde Israël zal spoediger de genade aannemen en er de voordelen van genieten dan de verraderlijke Juda. En wellicht is het uitroepen van deze woorden naar het noorden een afschaduwing van "de prediking van berouw en bekering van zonden aan alle natiën, beginnende van Jeruzalem," Lukas 24:47. Een roepstem aan Israël, in het land van het noorden is een roepstem ook aan de anderen in dat land, zovelen als er uitverkoren zijn. Toen men meende dat Christus tot Joden zou gaan, die onder de heidenen verstrooid waren, besloot men daaruit dat Hij zou gaan om de heidenen te onderwijzen, Johannes 7:35.
I. Hier is een uitnodiging gezonden aan de afgekeerde Israël, en daarin aan de afgekeerde heidenen, om zich tot God te bekeren, tot God tegen Wien zij opgestaan waren, vers 12. Bekeer u, gij afkerige Israël. En nog eens, vers 14 :Bekeert u gij afkerige kinderen, het berouw over uw afkeringen, keert terug tot uw verbond, komt weer op de rechte weg, die gij verlaten hebt en waarvan gij afgeweken zijt. Door deze uitnodiging worden zij:
1. Aangemoedigd om terug te keren. "Bekeert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden", Handelingen 3:19. Gij hebt u Gods ongenoegen op de hals gehaald, maar bekeert u tot Mij, zo zal Ik Mijn toorn niet op u doen vallen. Gods toorn is gereed om op de zondaren te vallen, gelijk een leeuw zijn prooi bespringt, en er is niemand die verlossen kan, als een berg van lood op hen te vallen, waardoor zij onherstelbaar verzinken in de onderste hel. Maar indien zij berouw hebben zal die toorn afgewend worden, Jesaja 12:1. "Ik zal niet altijd de toorn behouden, maar zal verzoend worden, want Ik ben barmhartig". Wij zondaren zouden voor eeuwig verloren zijn, indien God niet barmhartig was, maar de goedheid van Zijn wezen moedigt ons aan om te hopen dat Hij wanneer wij berouw hebben over hetgeen wij tegen Hem misdeden, door vergeving zal intrekken, hetgeen Hij tegen ons gesproken heeft.
2. Hun wordt aangewezen hoe zij kunnen terugkeren, vers 13 :Alleen ken uw ongerechtigheid, erken dat gij verkeerd gehandeld hebt en schaam u daarover en geef Gode de heerlijkheid. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden, ( dat is de voorafgaande belofte), gij zult voor eeuwig bevrijd worden van die eeuwige toorn Gods, van de komende wraak. Maar op welke voorwaarden? Deze zijn zeer gemakkelijk en redelijk. Alleen ken uw ongerechtigheid. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig dat Hij ons de zonden vergeve. Dit zal de veroordeling van zondaren verzwaren dat de voorwaarden van vergeving en vrede zo gemakkelijk waren, en dat zij die toch niet wilden aannemen. Indien de profeet tot u een grote zaak gesproken had, zoudt gij ze niet gedaan hebben? Hoeveel te meer naardien hij tot u gezegd heeft: Was u en gij zult rein zijn, 2 Koningen 5:13. In belijdenis van zonden.
a. Wij moeten het bederf van onze natuur erkennen: ken uw ongerechtigheid, de verdorvenheid en ongeregeldheid van uw natuur.
b. Wij moeten onze dadelijke zonden erkennen, dat gij tegen de Heere, uw God, hebt overtreden, dat gij Hem beledigd en smaadheid aangedaan hebt.
c. Wij moeten de menigte van onze overtredingen belijden: Dat gij uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, hier en ginds uw afgoden nagelopen hebt, onder elke groene boom. Waar gij ook geweest zijn, overal hebt gij de sporen van uw dwaasheid achtergelaten.
d. Wij moeten onze zonden verzwaard achten omdat zij zijn ongehoorzaamheid aan de goddelijke wet. De zondigheid van de zonde is het ergste in haar. Gij zijt Mijn stem niet gehoorzaam geweest. Erken en laat dat u meer dan iets anders verootmoedigen.
II. Hier worden kostelijke beloften gedaan aan deze afkerige kinderen, in geval zij terugkeerden, welke ten dele vervuld werden door de terugkeer van de Joden uit hun ballingschap, toen waarschijnlijk velen van de tien stammen zich gevoegd hebben bij die uit Juda om hun verlossing te delen en met hen terug te gaan. Maar de profetie zal haar volle vervulling hebben in de kerk des Evangelies en de vergadering van al de kinderen Gods die verstrooid zijn. Keert weer, of schoon gij afkerig zijt, toch zijt gij kinderen: ja ofschoon gij een trouweloze vrouw zijt, toch zijt gij een vrouw want Ik heb u getrouwd, vers 14, en zal Mijn betrekking tot u niet verloochenen. Zo gedenkt God Zijn verbond met de vaderen, het huwelijksverbond, en in verband daarmee gedenkt Hij Zijn land." Leviticus 26:42.
1. Hij belooft hen te zullen vergaderen uit alle plaatsen waarheen zij verdreven en verstrooid zijn, Johannes 11:5. Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Zion, vers 14. Allen die terugkeren tot hun plicht, zullen terugkeren tot hun vorige goede toestand.
Merk op
a. God zal in genade aannemen allen, die tot Hem weerkeren, ja, door Zijn onderscheidende genade zal Hij hen van uit de overigen, die in hun afkeringen volharden, wegnemen, indien Hij hen verlaten had, zouden zij omgekomen zijn.
b. Van de velen, die zich van God afgekeerd hebben, komen er vergelijkenderwijze slechts weinigen tot Hem weer: gelijk de nalezing van een wijngaard, een uit een stad en twee uit een geslacht. Christus' kudde is een klein kuddeken, en er zijn weinigen die de rechte weg vinden.
c. Van deze weinigen, hoe verspreid ze ook mogen zijn, zal geen enkele verloren gaan. Ofschoon er slechts één in een stad is, God zal hem weten te vinden, hij zal in de menigte niet over het hoofd gezien worden, maar veilig in Zion, behouden in de hemel, gebracht worden. De verstrooide Joden zullen te Jeruzalem gebracht worden, en die van de tien stammen zullen er even welkom zijn als die van de twee. Gods uitverkorenen, verspreid over de gehele wereld, zullen tot de kerk des Evangelies gebracht worden, tot de berg Zion, het hemelse Jeruzalem, de heilige berg, waar Christus regeert. 2. Hij belooft dat Hij over hen stellen zal mannen, die in elk opzicht een zegen voor hen zijn zullen, vers 15, Ik zal n herders geven naar mijn hart, die beantwoorden aan hetgeen van koning David gezegd werd, toen God hem verkoren had om koning te worden, 1 Samuël 13:14 "De Heere heeft zich een man gezocht naar Zijn hart."
a. Wanneer een gemeente vergaderd is moet zij ook bestuurd worden. Ik zal u brengen in Zion, niet om naar hun lust te leven, maar om onder tucht te zijn, niet als wilde beesten, die naar hun eigen welgevallen leven, maar als schapen onder geleide van een herder. Ik zal u herders geven, dat is zowel overheidspersonen als leraren, beide zijn door God verordend tot welzijn van zijn koninkrijk.
b. Het gaat goed met een volk als de herders mannen zijn naar Gods hart, zoals zij behoren te zijn, zoals wij hen gaarne hebben, die in al hun daden zijn wil tot hun wet maken, ten einde in zekere mate zich naar vermogen te gedragen naar Zijn voorbeeld en zoveel zij kunnen regeren op Zijn wijze.
c. Zij zijn herders naar Gods hart, die er hun werk van maken om de kudde te voeden, die niet zichzelf voeden en de kudde verwaarlozen, maar die alles doen wat zij kunnen tot het welzijn van hen, die aan hun zorg zijn toevertrouwd, die hen weiden met wetenschap en met verstand, dat is wijs en verstandig, gelijk David hen weidde "in de oprechtheid zijns harten en met verstandig beleid van zijn handen," Psalm 78:72. Zij, die niet alleen herders maar ook leraars zijn, moeten de kudde voeden met het Woord van God, dat de wijsheid en het verstand is, en machtig is om ons wijs te maken tot zaligheid.
3. Hij belooft dat er geen plaats meer zal zijn voor de ark des verbonds, die in zo hoge mate de heerlijkheid van de tabernakel en daarna van de eerste tempel geweest was als teken van Gods tegenwoordigheid onder hen, deze zal terzijde gezet worden, en er zal niet meer naar gevraagd of aan gedacht worden, vers 16. Wanneer gij vermenigvuldigd en vruchtbaar geworden zult zijn in het land, wanneer het koninkrijk van de Messias onder u zal opgericht zijn, die na Zijn opstanding de heidenen in de kerk zal brengen en haar daardoor zeer vermenigvuldigen (en de Joodse geleerden erkennen zelf dat hier de dagen van de Messias bedoeld worden) dan zullen zij niet meer zeggen: De ark des verbonds des Heeren. Zij zullen die niet langer hebben om hen te verheffen of er zich op te beroemen, want zij zullen een geestelijke wijze van aanbidding hebben, waarbij geen plaats is voor uitwendige verordeningen. Met de arke des verbonds zal de gehele ceremoniële wet afgeschaft worden met al haar instellingen, want Christus, de vervulling van al deze typen, ons voor ogen gesteld in het woord en de sacramenten van het Nieuwe Testament, zal in plaats van die allen komen. Het is waarschijnlijk (ofschoon de Joden het tegendeel beweren) dat de ark des verbonds in de tweede tempel was, daarheen teruggegeven door Cyrus, "met de andere vaten van het huis des Heeren," Ezra 1:7. Maar in de kerk des Evangelies is Christus de ark des verbonds, Hij is de troon van de genade, het verzoendeksel, en het is de geestelijke tegenwoordigheid Gods in Zijn ordinantiën met welke wij nu te rekenen hebben. Verscheidene uitdrukkingen worden hier gebruikt betreffende het afschaffen van de ark, zij zal "niet in het hart opkomen, zij zullen haar niet meer gedenken, zij zullen haar niet bezoeken, en zij zal niet weer gemaakt worden, want de ware aanbidders zullen de Vader aanbidden in geest en in waarheid," Johannes 4:24. Door deze verscheidenheid van uitdrukkingen wordt aangetoond dat de ceremoniën van de wet van Mozes geheel en volkomen afgeschaft zullen zijn, nooit meer gebruikt zullen worden, maar dat zij, die er zo lang aan verbonden waren, er met grote moeite aan ontwend zouden worden, en dat zij ze niet geheel en al zouden loslaten alvorens stad en tempel met de grond gelijk gemaakt waren. 4. Hij belooft dat de kerk des Evangelies hier Jeruzalem genoemd, voortreffelijk en algemeen gezocht zal zijn, vers 17. Twee dingen zullen haar beroemd maken.
a. God zal in haar wonen en regeren. Zij zal genoemd worden des Heeren troon, de troon van Zijn heerlijkheid, want die schittert in de gemeente de troon van zijn regering, want als zodanig is hij opgericht. Daar regeert Hij Zijn gewillig volk met Zijn woord en Geest, en leidt elke gedachte in gehoorzaamheid aan Hem. Toen het Evangelie veld won werd deze troon des Heeren opgericht overal waar vroeger de troon des Satans gestaan had. Hij is bepaaldelijk de troon Zijner genade, want zij die door het geloof tot dit Jeruzalem komen, komen daardoor tot "God, de rechter van allen, en tot Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond" Hebreeën 12:22-24.
b. De toebrenging van de heidenen. Al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, dus vergaderd tot de gemeenten, en zullen onderdanen worden van die troon des Heeren, welke daar opgericht is, en zij zullen gewijd worden aan de eer van de naam des Heeren, welke daar geopenbaard is en aangeroepen wordt.
5. Hij belooft dat er een wondervolle hervorming zal gewrocht worden in hen, die tot de kerk vergaderd zijn. Zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boze hart. Zij zullen niet meer leven naar hun lusten, maar volgens wetten, niet meer naar hun eigen bedorven begeerten, maar overeenkomstig de wil van God. Ziehier hetgeen ons tot zondigen leidt, het goeddunken van ons eigen boze hart, en hetgeen de zonde is: het wandelen naar dat goeddunken. Dan worden wij geleid door verbeelding en hartstochten. En zie wat de bekerende genade doet, zij rukt ons weg uit de wandeling naar ons eigengoeddunken en brengt ons er toe om geregeerd te worden door godsdienst en redelijkheid.
6. Juda en Israël zullen gelukkig verenigd zijn in een lichaam, vers 18. Zij waren dat in hun terugkeer uit de gevangenschap en hun vernieuwde vestiging in Kanaän. Het huis van Juda zal gaan tot (of wandelen met) het huis van Israël, zij zullen het volkomen samen eens zijn en worden tot "een stok in de hand des Heeren," gelijk Ezechiël voorzegd heeft in Hoofdstuk 37:16, 17. Assyrië en Chaldea vielen beide in handen van Cyrus, en zijn oproeping strekte zich uit tot al de Joden in zijn gehele gebied. En daarom hebben wij reden te denken dat menigeen van het huis Israëls met die van het huis van Juda kwam uit het land van het noorden. Ofschoon er bij de eerste optocht niet meer dan twee en veertig duizend teruggingen, waarvan wij de specificatie vinden in Ezra 2, zegt Josefus (Antiq. lib 1I cap. 4) dat enige jaren later onder David, Zerubbabel meer dan vier millioen mensen terugleidde naar het land, dat hun vaderen ten erfdeel gegeven was. En wij lezen voortaan niet meer van zulken naijver en zulke vijandschap tussen Israël en Juda als voorheen. Deze gelukkige ineensmelting van de beide volken in Kanaän was type van de vereniging van Joden en heidenen in de gemeente des Evangelies, wanneer zij alle vijandschap vernietigd zijnde, een kudde onder een herder zouden worden.
III. Er wordt een moeilijkheid genoemd, die al deze barmhartigheid in de weg ligt, maar er wordt ook een middel gevonden om daarover heen te komen.
1. God vraagt: Hoe zal Ik dit voor u doen? Niet alsof God Zijn goedgunstigheid betoonde met enige terughoudendheid, gelijk Hij straft met de vraag: "Hoe zal Ik u overgeven?" Hosea 11:8, 9. Neen, hoewel Hij traag is tot toorn, is Hij vlug in het bewijzen van genade. Maar het toont aan hoe geheel en al wij Zijn gunsten onwaardig zijn, dat wij in onszelf geen reden hebben om ze te verwachten, dat er in ons niets is waardoor wij ze kunnen verdienen, dat wij er geen aanspraak op kunnen maken, en dat Hij overlegt hoe ze te bewijzen in een weg waardoor de eer van Zijn gerechtigheid en heiligheid in het regeren van de wereld gered worden. "God wil gedachten denken dat Hij de verdrevene niet van Zich verstote," 2 Samuël 14:14. Hoe zal Ik het doen?
a. Zelfs de afgekeerden en afgewekenen zullen, indien zij met berouw terugkomen onder de kinderen gezet worden. Wie zou dat ooit verwacht hebben? "Zie hoe grote liefde Hij ons gegeven heeft!" I Johannes 3:1. Hoe zouden wij, die zo gering en zwak, zo onwaardig en waardeloos, en zo beledigend zijn, ooit onder de kinderen gezet worden?
b. Hun, die God onder de kinderen zet, zal Hij het gewenste land geven, het land Kanaän, het sieraad van alle landen, de sierlijke erfenis van de heirscharen van de heidenen, hetwelke alle volken boven hun eigen landen begeren, of waarvan de heiren van de heidenen nu bezit genomen hebben. Het was een type van de hemel, waar "lieflijkheden zijn eeuwiglijk en altoos. Hoe kan hij, die dat "land zo dikwijls veracht heeft," Psalm 106:24, en die er zo onwaardig en ongeschikt voorts, verwachten in dat "heerlijk land" een plaats te krijgen? Is dat naar de wijze van de mensen?
2. God zelf geeft een antwoord op deze vraag: Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader! Dat heeft God gezegd. God zelf moet antwoorden op alle bedenkingen, die ontleend worden aan onze onwaardigheid, of zij zullen nooit overkomen worden.
a. Hij zal de weerkerende afkerigen zelf onder de kinderen zetten door hun "de Geest van de aanneming te geven, door welke zij roepen: Abba, Vader!" Galaten 4:6."gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader! Gij zult tot Mij wederkomen en zelf Mij aanwijzen als uw Vader, en dat zal u in Mijne gunst aanbevelen."
b. Hij zal hun het heerlijke land geven, Hij zal Zijn vreze in hun harten geven, opdat zij nimmer weer van Hem afkeren, maar volharden mogen tot het einde.