Jesaja 56:3-8
De profeet moedigt hier in Gods naam aan allen die zich in oprechtheid des harten tot God keerden, en toch met grote bezwaren te worstelen hadden.
I. Sommigen waren ontmoedigd omdat zij niet van het zaad Abrahams waren. Zij hadden zich tot de Heere gevoegd en hun zielen met een vast besluit verbonden om voor altijd de zijnen te zijn. Dat is de wortel en het leven van alle godsdienst: breken met de wereld en het vlees, en ons geheel en al aan de dienst en de eer van God wijden. Maar zij betwijfelden of God hen wel aannemen zou) omdat zij kinderen van vreemden waren, vers 3. Zij waren heidenen, vreemdelingen van het burgerschap Israëls en uitgeslotenen van het verbond van de belofte, en daarom vreesden zij dat zij daar geen deel of lot aan hadden Zij zeiden: De Heere heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden en zal mij niet als een van de Zijnen erkennen of tot Zijn voorrechten toelaten. Meermalen was in de wet gezegd dat er zou zijn enerlei wet voor vreemdelingen en voor de ingezetene des lands, Exodus 12:49, en toch kwamen zij tot deze ontmoedigde gevolgtrekking. Het ongeloof doet de godvrezende menigmaal ontmoedigende dingen veronderstellen, die geheel het tegenovergestelde zijn van hetgeen God gezegd heeft, dingen waartegen Hij opzettelijk gewaarschuwd heeft. De vreemden mogen dus zo niet spreken, want zij hebben geen reden om dat te zeggen. Gods dienaren moeten hun antwoord gereed hebben om de vrees en de naijver van zwakke Christenen te stillen, waarvan zij kennis moeten nemen, al zijn die nog zo ongerechtvaardigd.
II. Anderen waren ontmoedigd, omdat zij geen vaders in Israël waren. De gesnedene zegge niet: Zie, ik ben een dorre boom. Zo zag hij zichzelf aan, en dat was zijn verdriet, zo zagen anderen op hem neer en dat was zijn smaadheid. Hij werd voor nutteloos gehouden, omdat hij geen kinderen had en ook niet in staat was die te krijgen. Dit was zoveel grievender, omdat het gesnedenen niet geoorloofd was priester te worden, Leviticus 21:20, of in de vergadering te komen, Deuteronomium 23:1. En daarbij was de belofte van een talrijke nakomelingschap een van de bijzondere zegeningen van Israël, en van des te meer waarde, omdat uit Israël de Messias zou voortkomen. Doch God wilde niet dat de gesnedenen zich hun lot al te zwaar zouden voorstellen, en dat zij zouden menen dat zij daarom zouden uitgesloten zijn van de kerk des Evangelies en van het voorrecht om geestelijke priesters te zijn, al waren zij buitengesloten van de vergadering Israëls en van het Levietische priesterschap. Neen, door het afbreken van de middelmuur des afscheidsels, in inzettingen bestaande, waren de heidenen toegelaten, en dus ook allen die tot nog toe teruggehouden waren door enige ceremoniële ontheiliging. Bij het antwoord hier op de klacht gegeven, schijnt het evenwel dat het voornaamste waarover de gesnedene treurt, is, dat hij als kinderloos aangeschreven staat.
Nu worden aan ieder hunner geschikte aanmoedigingen gegeven.
1. Aan hen die zelf geen kinderen hebben die of schoon zij zelf de eer hebben van kinderen van de kerk te zijn en leden des verbonds, niemand hebben op wie zij die eer kunnen overdragen, en aan wie zij het teken van de besnijdenis met de daaraan verbonden zegeningen kunnen bedienen. Zie nu: Welk goed getuigenis zij krijgen, ofschoon deze smaad en droefheid op hen rusten, en alleen zij mogen zich de volgende vertroostingen toeëigenen, die in meerdere of mindere mate aan dat karakter beantwoorden. a. Zij onderhouden Gods sabbaten volgens Zijn voorschrift. Indien in de oude tijd een Christen gevraagd werd of hij de dag des Heeren heilig hield, zou hij dadelijk geantwoord hebben: ik ben een Christen en zou niet anders durven doen.
b. In hun gehelen wandel verkiezen zij de dingen die God behagen, zij doen wat goed is, zij doen dat met het oprecht verlangen om daardoor Gode welgevallig te zijn, zij doen het uit eigen keuze en met vreugde. En indien zij ook soms door zwakheid tekortschieten in het volbrengen van hetgeen Gode welbehagelijk is, toch verkiezen zij het, streven er naar en jagen het na. Hetgeen God behaagt moet zonder bedenken onze keus zijn.
c. Zij houden vast aan het verbond, en dat is iets hetwelk God meer de iets anders behaagt. Het verbond van de genade is ons in het Evangelie voorgesteld en aangeboden, dat verbond houden wil zeggen er in toestemmen en het aanbod aannemen en de voorwaarden naleven, beslist en oprecht God als onze God aannemen en ons zelf aan Hem geven om Zijn eigendom te zijn. Het verbond houden betekent er volkomen en beslist in toe te stemmen, het vasthouden als degenen die bevreesd zijn dat zij het verliezen zullen, die het als een grote winst beschouwen, en besloten zijn het nooit te verlaten omdat het hun leven is. Wij moeten het vasthouden gelijk de moordenaar de hoornen des altaars greep, waarheen hij gevloden was.
2. Hoe groot hun vertroosting zijn zal, indien zij aan deze beschrijving beantwoorden, ofschoon zij geen gezinnen kunnen vormen, vers 5. God zal hun een betere plaats geven dan die van de zonen en van de dochteren, en een naam. Hier wordt aangeduid dat wij door zonen en dochteren een plaats en een naam verkrijgen kunnen, die van waarde en zeer begeerlijk is. Het is een aangename gedachte, dat wij na onze dood in onze kinderen zullen voortleven. Maar er is een betere plaats en een betere naam, welke zij hebben die met God in verbond staan en dat is voldoende om tegen het gemis van het eerste op te wegen. Een plaats en een naam, rust en goede getuigenis, een plaats in welke zij aangenaam voor zichzelf leven kunnen, en een naam, waardoor zij in achting bij hun naasten zijn, zij zullen gelukkig zijn en zowel thuis als daarbuiten tevreden. Ofschoon zij geen kinderen hebben om de muziek in hun huis en de pijlen in hun koker te zijn, en om met de vijanden in de poort voor hen te spreken, zal God hun een plaats en een naam geven beter dan dat.
a. God zal het hun geven, hun geven in de belofte. Hij zelf zal hun woning en hun heerlijkheid zijn, hun plaste en hun naam.
b. Hij zal het hun geven in Zijn huis en binnen Zijn muren, daar zal Hij hun een plaats geven en zij zullen er wortelen, Psalm 92:13. Zij zullen er blijven al de dagen van hun leven, Psalm 27:4. Zij zullen thuis zijn in de tempel huns Gods gelijk de profetes Anna, die niet uit de tempel week, God dienende dag en nacht. Zij zullen er een naam hebben, een naam van alles goeds voor God en hen die Hem vrezen, een naam, die beter is dan die van zonen en dochteren. Onze betrekking tot God, ons deel aan Christus en ons recht op de zegeningen des verbonds en de hope des eeuwigen levens, zijn de dingen, die ons in het huis Gods een eeuwige plaats en een eeuwige naam geven.
c. Het zal een eeuwige naam zijn, die niet uitgeroeid zal worden, die nooit zal afgesneden worden, geluk de naam van de engelen die niet huwen omdat zij niet sterven. Geestelijke zegeningen zijn onuitsprekelijk veel beter dan die van zonen of dochteren, want kinderen zijn een grote zorg en kunnen ten slofte blijken het grootste verdriet en de grootste schande van iemands leven te zijn, maar de zegeningen waaraan wij in Gods huis deelhebber, zijn een vaste en blijvende vreugde en eer: een troost die nooit verbitterd kan worden.
II. Voor hen die zelf vreemden, kinderen van vreemden, zijn.
Hier wordt beloofd dat zij dan in de kerk welkom geheten zullen worden, vers 6, 7. Wanneer God Israël uit Babel zal doen komen kunnen zij zovelen van hun geburen medebrengen, als zij bewegen kunnen om met hen te gaan en God zal voor hen allen ruimte maken in Zijn huis.
En hier kunnen wij, evenals daar straks opmerken:
1. Op welke voorwaarden zij welkom zullen zijn. Zij moeten weten dat het Israël Gods, als het uit Babel wederkeert, niet geplaagd zal worden gelijk zij, die uit Egypte togen, met een menigte van gemengd volk, dat wel met hen optoog maar niet van harte met hen verenigd was. Neen de vreemden zullen een plaats en een naam in Gods huis hebben, indien zij
a. De andere goden verzaken, alle mededingers en bestrijders van God, en "zich tot de Heere voegden, om met Hem een geest te worden" 1 Corinthiers 6:17,
b. Dat zij zich tot Hem voegen als onderdanen tot hun vorst en als krijgslieden tot hun aanvoerder, met een eed van getrouwheid en onderdanigheid, om Hem te dienen, niet zo nu en dan, maar standvastig als Zijn knechten, geheel onderworpen aan Zijn bevelen en gewijd aan Zijn belangen.
c. Dat zij zich tot Hem voegen als vrienden van. Zijn eer en van de belangen van Zijn koninkrijk om de naam des Heeren lief te hebben en verheugd te zijn over al de openbaringen, die Hij omtrent Zichzelf geeft en al de herinneringen die zij van Hem hebben. Hem dienen en Hem liefhebben gaan samen, zij die Hem waarlijk liefhebben, zullen Hem getrouw dienen, en die gehoorzaamheid is Hem het aangenaamst, welke voortvloeit uit oprechte liefde, en die is ook ons het aangenaamst, want Zijn geboden zijn niet zwaar 1 Johannes 5:3.
d. Dat zij de sabbat houden zodat zij die niet ontheiligen, want van de vreemdeling die in uw poorten is, wordt dat bepaald gevorderd.
e. Dat zij aan het verbond vasthouden, dat is: dat zij zich onderwerpen aan de verplichtingen van het verbond ten einde deel te hebben aan de zegeningen.
2. Welke voorrechten hun gegeven zullen worden, vers 7. Drie dingen worden hun hier beloofd bij hun komen tot God.
a. Bijstand. Ik zal hen brengen tot Mijn heilige berg, hen niet alleen welkom heten als zij komen, maar hen uitnodigen om te komen, hun de weg tonen, hen er heen leiden. David zelf bidt dat God hem Zijn licht en Zijn waarheid zenden zal om hem te brengen naar de berg van Zijn heiligheid, Psalm 43:4. En de vreemden zullen dezelfde leiding genieten. De kerk is Gods heilige berg, waarop Hij Zijn koning gezalfd heeft, en door hen naar de berg Zion te brengen, maakt Hij hen onderdanen van Zions koning zowel als aanbidders in Zions tempel.
b. Aanneming. Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam zijn op mijn altaar, en zullen er niet minder aangenaam om zijn omdat zij door vreemden gebracht worden. Hun gebeden en dankzeggingen, hun geestelijke offeranden, van de godvrezende heidenen zijn Gode even aangenaam als die van de vrome Joden, er zal tussen die beide geen onderscheid gemaakt worden. Ofschoon zij van geboorte heidenen zijn, zullen zij door genade beschouwd worden als geestelijk zaad van de gelovige Abraham, en als het biddende zaad van de worstelende Jakob, want in Christus Jezus is geen Jood of Griek, geen besnijdenis of voorhuid.
c. Vertroosting. Zij zullen niet alleen aangenomen worden, maar zij zullen er ook zelf de blijdschap van genieten: Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis. Zij zullen genade hebben, niet alleen om God te dienen, maar om Hem te dienen met vreugde en blijdschap, want zij zullen zingen van de wegen des Heeren, want de heerlijkheid des Heeren is groot. Zij zullen voortgaan en eten hun brood met vreugde, omdat God behagen heeft in hun werk, Prediker 9:7. Ja, al komen zij treurende tot het huis des gebeds, zij zullen van daar gaan met verheuging, want zij zullen daar gelegenheid vinden om al hun zorgen en bezwaren op God te werpen, en zich in Zijn handen over te geven, gelijk Hanna, zullen zij heengaan en hun aangezichten zullen niet meer droevig staan. Menige bezorgde ziel is in het huis des gebeds vrolijk gemaakt.
3. Hier wordt beloofd dat menigten van heidenen tot de kerk komen zullen, niet alleen enkelen die nu en dan aankomen, zullen welkom geheten worden, meer grote getallen zullen komen, en de deuren zullen wijd geopend worden. "Mijn huis zal een huis des gebede geroemd worden voor alle volkeren." De tempel was toen Gods huis en daarop past Christus deze woorden toe, Mattheus 21:13, maar met het oog op de tempel als type van de kerk des Evangelies, Hebreeën 9:8, 9. Want Christus noemt haar Zijn huis, Hebreeën 3:6. Betreffende dit huis wordt beloofd:
a. Dat het geen huis van de offerande maar een huis des gebeds zal zijn. De godsdienstige samenkomsten van Gods volk zullen samenkomsten des gebeds zijn, waarin zij elkaar zullen ontmoeten als een teken van hun gemeenschappelijk geloof en verenigde liefde.
b. Dat het huis des gebeds een plaats zal zijn niet voor de Joden alleen, maar voor alle volken. Dit werd vervuld toen Petrus er toe gebracht werd om niet alleen zelf op te merken, maar aan de gehele wereld bekend te maken, "dat in ieder volk, hij die God vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam is," Handelingen 10:35. Het was meermalen voorgeschreven, dat de vreemde die het betrad, ter dood moest gebracht worden maar nu worden de heidenen niet langer als vreemdelingen en bijwoners beschouwd, Efeziers 2:19. En in Salomo's gebed bij de inwijding van de tempel blijkt reeds, dat het voornamelijk bestemd was voor huis des gebeds en dat vreemden er welkom zouden zijn, 1 Koningen 8:30, 41.
En hier wordt aangetoond, vers 8, dat wanneer de heidenen eenmaal geroepen zijn, zij tot één lichaam met de Joden verenigd zullen worden, gelijk Christus zegt in Johannes 10:16. "Het zal zijn: een kudde onder een herder."
a. God zal de verdrevenen van Israël vergaderen, vele Joden die door ongeloof zichzelf buitengeworpen hadden, zullen weer terug gebracht worden door "geloof, een overblijfsel naar de verkiezing van de genade," Romeinen 11:5. "Christus kwam tot de verloren schapen van het huis Israëls," Mattheus 15:24, "om hun verdrevenen te vergaderen," Psalm 147:2. en de "bewaarden in Israël weer te brengen" Jesaja 49:6, en om "hun heerlijkheid te zijn," Lukas 2:32.
b. Hij zal ook de anderen tot zich vergaderen, behalve de verdrevenen, die tot Hem vergaderd zijn. Ofschoon zo nu en dan enkele heidenen tot de kerk overgekomen waren, is dat niet genoeg om te beantwoorden aan de betekenis van deze belofte, neen, er zullen al meer en meer toegebracht worden, Ik zal tot Hem nog meer vergaderen. Dezen zijn slechts de vruchten van de eerstelingen, in vergelijking met de oogst, die voor Christus uit de volken van de aarde zal verzameld worden, als de volheid van de heidenen zal ingaan. De kerk is een groeiend lichaam, wanneer sommigen tot haar vergaderd zijn, mogen wij verwachten dat er meer zullen komen, totdat het lichaam volwassen is. Ik heb nog andere schapen.