Jesaja 32:1-8
Wij hebben hier de beschrijving van een bloeiend koninkrijk. "Welgelukzalig zijt gij, O land, wanneer het aldus met u is, wanneer koningen, vorsten en volk, ieder op zijn plaats, zijn zoals zij behoren te wezen." Het kan beschouwd worden als een voorschrift, of regel beide voor magistraten en onderdanen, wat beide behoren te doen, of als een lofrede op Hizkia, die goed regeerde, en iets gezien heeft van de gelukkige uitwerking van zijn goede regering, en het was bestemd om het volk te doen beseffen hoe gelukkig zij waren onder zijn bestuur, en hoe zorgzaam zij behoorden te wezen om een goed gebruik te maken van hun voordelen en voorrechten, en daarbij hen er toe te brengen om uit te zien naar het koninkrijk Christus en de tijd van hervorming, die door dat koninkrijk ingeleid zal worden.
Hier is ter vertroosting van de kerk beloofd en voorgeschreven:
I. Dat magistraten in hun ambt hun plicht zullen doen, en dat de machten beantwoorden zullen aan het grote doel, waartoe zij door God zijn verordineerd, vers 1, 2.
1. Er zal een koning zijn, en er zullen vorsten wezen, die regeren en heersen zullen, want het kan niet goed gaan als er geen koning is in Israël. De vorsten moeten een koning, een monarch, als opperste boven zich hebben, in wie zij zich kunnen verenigen, en de koning moet vorsten onder zich hebben als beambten, door wie hij kan handelen, 1 Petrus 2:13, 14. Beiden zullen zij hun plaats kennen en vervullen, de koning zal regeren, en toch zullen de vorsten, zonder enigerlei verkorting van zijn rechtmatig kroonrecht, heersen in een lagere sfeer, en allen tot bevordering van het openbare welzijn.
2. Zij zullen hun macht uitoefenen volgens de wet, en niet tegen de wet. Zij zullen heersen in gerechtigheid en naar recht, met wijsheid en billijkheid, de goeden beschermend en de bozen bestraffend. En deze koningen en vorsten erkent Christus als te regeren door Hem, die gerechtigheid stellen, Spreuken 8:15. Zulk een Koning zo'n Vorst is Christus zelf, Jesaja 9:8, 11:4.
3. Aldus zullen zij tot groten zijn voor het volk. Een man, die man, die koning, die heerst in gerechtigheid, zal wezen als een verberging. Als vorsten zijn zoals zij behoren te zijn, dan is het volk zoals het wenst te zijn.
A. Zij zijn beschut en beschermd tegen velerlei kwaad. Deze goede magistraat is als een schuilplaats voor de onderdanen tegen de vloed, de storm van schade en geweld, hij beschermt de armen en de wezen, zodat zij de machtigen niet ten prooi worden. Waarheen zal de verdrukte onschuld vlieden, als zij bezwalkt wordt door smaad of terneder wordt geworpen door geweld, waarheen anders dan tot de magistraat, als tot haar verberging? Op hem beroept zij zich, en door hem wordt haar recht gedaan.
B. Zij worden verkwikt en vertroost door velerlei zegeningen. Deze goede magistraat verleent zo'n steun aan hen, die arm en in nood zijn, en zo'n aanmoediging aan alles wat prijzenswaardig is, dat hij als waterbeken is in een dorre plaats, de aarde verkoelende en verfrissende, en haar vruchtbaar makende, en als de schaduw van een zware rotssteen, onder welke een arme reiziger zich kan beschutten tegen de verschroeiende hitte van de zon in een dorstig land. Het is voor een Godvruchtige, die nauwgezet zijn plicht zoekt te betrachten temidden van smaad en tegenspraak, een grote verkwikking, als hij ten slottte ondersteuning, gunst en goedkeuring vindt bij de magistraat. Dit alles en nog veel meer is de mens Christus Jezus voor de gehoorzame en getrouwe onderdanen van Zijn koninkrijk. Als wij door de grootste rampen worden getroffen, niet alleen de wind, maar de vloed ons overvalt, als stormen van schuld en toorn ons benauwen en tegen ons aandruisen, dan drijven zij ons heen naar Christus, en in Hem zijn wij niet slechts veilig, maar wij weten het, wij hebben er de overtuiging van, in Hem vinden wij waterbeken voor hen, die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, al de verkwikking en vertroosting, die een nooddruftige ziel kan begeren, en de schaduw, niet van een boom, door welke zon en regen heendringen, maar van een rots, een grote rotssteen, die een grote, ruime beschutting biedt aan de reiziger. Sommigen merken hier op dat, gelijk de verberging, de schuilplaats en de rotssteen zelf het beuken en rammeien van de wind en de storm ontvangen, om hen te beschutten, die een schuilplaats onder hen gezocht hebben, zo heeft Christus zelf de storm verdragen, om hem van ons af te weren.
II. Dat onderdanen hun plicht zullen doen in hun plaats.
1. Zij zullen gewillig zijn om onderwezen te worden en om dingen recht te verstaan, zij zullen hun vooroordelen afleggen tegen hun bestuurders en leraars en zich aan het licht en de kracht van de waarheid onderwerpen, vers 3. Als dit gezegende werk van de reformatie ter hand wordt genomen, en de mensen het hunne er voor doen, dan zal God niet in gebreke blijven om het Zijne te doen. Dan zullen de ogen van hen, die zien, van de profeten, de zieners, niet duister zijn, vers 3, maar God zal hen zegenen met visioenen, die zij moeten mededelen aan het volk, en zij, die het geschreven woord lezen, zullen niet langer een deksel op hun hart hebben, maar de dingen klaar en duidelijk zien, dan zullen de oren van hen, die het woord horen prediken, naarstiglijk luisteren en wat zij horen geredelijk aannemen, en niet zo zwaar van gehoor zijn als zij plachten te wezen. Dit zal geschieden door de genade van God, inzonderheid door de Evangeliegenade, want het horende oor en het ziende oog, de Heere heeft ze gemaakt, ze opnieuw gemaakt, ja die beide.
2. Er zal door hetgeen hen geleerd wordt een wondervolle verandering in hen gewerkt worden, vers 4. a. Zij zullen een helder hoofd hebben, en in staat zijnhet verschil te zien tussen de dingen en er over te oordelen. Het hart van hen, die roekeloos en onbedachtzaam waren, en de tijd niet namen om over de dingen na te denken, zal nu genezen worden van die overijling, en de wetenschap verstaan, want de Geest van God zal hun verstand openen dat gezegende werk, hetwelk Christus in Zijndiscipelen heeft gewrocht na Zijn opstanding, Lukas 24:45, als een voorbeeld van hetgeen Hij doen zal voor al de Zijnen door hun verstand te geven, 1 Johannes 5:20. De Godvruchtige plannen van goede vorsten zullen dan waarschijnlijk doeltreffen, als hun onderdanen zich de vrijheid gunnen om na te denken, zodat zij de dingen in het rechte licht beschouwen.
b. Zij zullen een onbelemmerde spraak hebben. De tong van de stotteraar, die zo gebrekkig sprak van de dingen Gods, zal nu duidelijk uitdrukking kunnen geven aan hun gedachten, zoals degenen, die de dingen verstaan, waarvan zij spreken, die spreken omdat zij geloven. Er zal zo'n toeneming zijn van heldere, duidelijke, methodische kennis van de dingen Gods, dat zij, van wie men dit niet verwacht zou hebben, op verstandige wijze zullen spreken van die dingen, zeer tot eer van God en tot stichting van anderen. Hun hart vol zijnde van deze goede rede, is hun tong een pen van een vaardige schrijver, Psalm 45:2. 3. Het onderscheid tussen goed en kwaad, deugd en ondeugd, zal goed in acht worden genomen, en niet meer met elkaar verward worden door hen, die duisternis voor licht en licht voor duisternis houden, vers 5. De verachte zal niet meer genoemd worden milddadig.
a. Slechte mensen zullen niet meer door vorsten bevorderd worden. Als een koning regeert in gerechtigheid, dan zal hij geen personen op plaatsen van eer en macht stellen, die slechte manieren hebben en van een lage, gierige aard zijn, en zich niet bekommeren om het kwaad dat zij doen, of wat nadeel zij aan anderen toebrengen, zo zij slechts hun eigen doel bereiken. Dezulken zijn "verachte" personen, zoals Antiochus genoemd wordt Daniël 11:21. Als zij tot aanzien komen, dan worden zij "milddadig en weldadig" genoemd, zij worden "weldadige heren genaamd," Lukas 22:25, maar het zal niet altijd zo wezen, als de wereld wijzer wordt, dan zullen de mensen bevorderd worden naar hun verdienste, en eer (die nooit gedacht werd passend te zijn voor de zot, Spreuken 26:1,) zal niet langer aan de zodanigen verspild worden.
b. Slechte mensen zullen niet langer in eer zijn onder het volk, en ondeugd niet langer vermomd zijn in het gewaad van de deugd. Er zal niet meer tot Nabal gezegd worden: Gij zijt Nadib (zo zijn de woorden) zo'n schraapzuchtige mestworm als Nabal was, een dwaas, behalve voor zijn geld, zal niet geëerd worden met de titel van heer of vorst. Ook zal een vrek, die zich om niemand bekommert dan om zichzelf geen goed doet met hetgeen hij heeft, maar een onnutte last is voor de aarde, niet Mijnheer genoemd worden, of liever, zij zullen van hem niet zeggen: hij is rijk, want dat is de betekenis van het woord. alleen diegenen moeten geacht worden rijk te zijn, die rijk zijn in goede werken, niet zij, die overvloed hebben, maar zij, die er een goed gebruik van maken. Kortom: het staat goed met een volk als de mensen in het algemeen geacht worden naar hun deugd, naar het goed dat zij doen aan het mensdom, en niet naar hun rijkdom of naar hun eretitels. Of dit vervuld was in de regering van Hizkia, en in hoeverre het verwijst naar het koninkrijk van Christus (waarin-dies zijn wij zeker-de mensen beoordeeld worden naar wat zij zijn, niet naar wat zij hebben, en niemands karakter verkeerd beoordeeld wordt) zullen wij niet zeggen, maar het schrijft beide aan vorst en volk een voortreffelijke regel voor, namelijk om de mensen te eren naar hun persoonlijke verdienste.
Om aan deze regel kracht bij te zetten is hier een beschrijving beide van de verachte persoon en van de milddadige, en daardoor zullen wij zo'n groot verschil tussen hen zien, dat wij geheel en al onszelf moeten vergeten, als wij aan de verachte persoon of de vrek de achting betonen, die alleen de milddadige toekomt.
A. Een veracht persoon en een vrek zullen kwaad doen, en dat wel te meer, als hij bevorderd wordt, en de macht in zijn handen heeft, de eer, die hem te beurt is gevallen zal hem slechter, niet beter maken vers 6, 7. Zie de aard, het karakter van deze laaghartige mensen.
Ten eerste. Zij bedenken altijd om de een of andere onrechtvaardige daad te doen, kwaad beramende, hetzij tegen een particulier persoon of tegen het publiek, op middelen zinnende om het ten uitvoer te brengen, en zij hebben zich voldoening te verschaffen voor zo velerlei dwaze grieven, dat er geen het minste vonkje van edelmoedigheid in hen schijnt te zijn, hun hart zal nog de ene of andere ongerechtigheid werken.
Merk op: Er is werk van het hart zowel als van de handen, gelijk voor God gedachten woorden zijn, zo zijn in Zijn schatting plannen werken. Zie welk een moeite zondaren doen om te zondigen, zij werken er voor, hun hart is er op gezet, met grote kunst en naarstigheid werken zij ongerechtigheid. Zij beraadslagen schandelijke verdichtselen met al de listigheid van de oude slang en met grote vastberadenheid, hetgeen de zonde uiterst zondig maakt, want hoe meer list en overleg in een zonde is, hoe meer er van Satan in is.
Ten tweede. Bij deze plannen gaan zij met list en veinzerij te werk, als zij ongerechtigheid bedenken, dan plegen zij huichelarij, zij veinzen zich rechtvaardig te zijn Lukas 20:20. Het afschuwelijkste kwaad zal gehuld worden in het schoonschijnendste kleed van de Godsvrucht, achting en liefde voor mensen, en zorg voor het algemene welzijn. Diegenen zijn de verachtelijksten van de mensen die het ergste kwaad bedoelen als ze het schoonst en vriendelijkst spreken.
Ten derde. Zij spreken laagheid. Als zij in drift zijn, dan zult gij bespeuren wat zij zijn aan hun lage, gemene taal, die zij spreken tot hen, die hen omringen, en die aan geen mannen van rang en eer betaamt, of, uitspraak doende in het gericht stellen zij schurkachtig de dingen voor in een vals licht, ten einde het recht te verkeren.
Ten vierde. Zij beledigen God, die een rechtvaardig God is en gerechtigheid liefheeft, zij spreken dwaling tegen de Heere, en daarmee bedrijven zij goddeloosheid, want dat is de betekenis van het woord, hetwelk wij vertalen door huichelarij. Zij spreken een onrechtvaardig oordeel uit, en zij maken goddelooslijk gebruik van de naam van God om het te bekrachtigen alsof, omdat het gericht Godes is," Deuter. 1:17 daarom hun vals en onrechtvaardig oordeel ook Zijns is, dit is dwaling spreken tegen de Heere, onder voorgeven van waarheid en gerechtigheid voor Hem te spreken, en niets kan met meer onbeschaamdheid tegen God gedaan worden, dan om goddeloosheid te beschermen met Zijn naam.
Ten vijfde. Zij bedriegen het mensdom inzonderheid hen, die zij verplicht zijn te beschermen en te helpen.
1. In plaats van in de nood van de armen te voorzien, verarmen zij hen, zij maken de ziel van de hongeriger ledig, hetzij hun de spijze ontnemende, die zij hebben, hetgeen bijna gelijk staat met hun te weigeren wat zij nodig hebben, en dat zij hun kunnen geven. En zij doen de dorstige drank ontbreken. Zij onthielden hun de hulp, die zij plachten te hebben, hoewel zij haar even nodig hadden als ooit tevoren. Diegenen zijn inderdaad verachtelijke personen, die het armhuis of het hospitaal beroven.
2. In plaats van de armen recht te doen, als zij zich op hun rechtspraak beriepen, beraadslagen zij om de armen te verderven, door in hun gerechtshoven met liegende woorden tot hun nadele te spreken, en uitspraak te doen ten gunste van de rijken, waarbij zij dan bepaald en onmiskenbaar partijdig zijn, ja, hoewel de nooddruftigen rechtspreken, hoewel de bewijzen duidelijk het recht hunner zaak aantonen, verliezen zij toch hun proces, want de rechters laten zich door steekpenningen, niet door het recht regeren. Eindelijk: deze gierigaards, deze verachtelijke personen hebben altijd slechte werktuigen om zich heen, die bereid zijn hun schurkachtige oogmerken te dienen, al hun dienstknechten zijn goddeloos, geen plan zo zichtbaar en tastbaar onrechtvaardig, of er kunnen van de zodanigen gevonden worden, die zich als werktuigen willen laten gebruiken om het ten uitvoer te brengen. Eens gierigaards gehele gereedschap is kwaad, en men kan niets anders van hem verwachten, maar dit is onze troost: zij kunnen niet meer kwaad doen, dan God hun toelaat te doen.
B. Iemand, die in waarheid milddadig is, en de eer verdient van aldus genoemd te worden, legt er zich op toe om aan iedereen goed te doen, naar de kring, waarin hij zich beweegt, vers 8. Merk op:
Ten eerste. Zijn zorg en zijn bedenken om goed te doen. Hij beraadslaagd milddadigheden, met evenveel zorg en ijver als waarmee de gierigaard bedenkt om te sparen en wat hij heeft alleen voor zichzelf op te leggen, bedenkt en overlegt de goede en barmhartige mens om hetgeen hij heeft op de beste wijze aan te wenden tot nut en welzijn van anderen. Liefdadigheid moet bestuurd worden door wijsheid, en milddadigheden moeten met voorzichtigheid en overleg beoefend worden, opdat zij aan het doel ervan beantwoorden, en de barmhartigheid niet misplaatst zal zijn. Als de milddadige al de milddadigheden beraadslaagd heeft, die in zijn macht zijn, dan beraadslaagt hij nog milddadigheden, die in de macht van anderen zijn, en spoort hen aan om ze te beoefenen.
Ten tweede. De vertroosting, die hij smaakt, en het voordeel, dat hij geniet in goed doen. Door milddadigheden staat hij, of hij wordt er door bevestigd. Gods voorzienigheid zal hem voor zijn milddadigheid belonen met gestadige voorspoed en een bevestigde goede naam. De genade Gods zal hem overvloedige voldoening en een bevestigde vrede schenken in zijn eigen gemoed, wat anderen ontrust, zal hem niet beroeren, want zijn hart is vast. Dit is het loon van de barmhartigheid Psalm 112-5, 6.
Sommigen lezen dit: de vorst of de edele, aanzienlijke man, zal eervolle maatregelen nemen, en door zulke eervolle of vernuftige maatregelen zal hij staan, of bevestigd worden. Het staat goed met een land als de edele en geëerde mannen ervan inderdaad mannen van eer zijn, die het versmaden om iets laags te doen, en als zijn koning aldus een zoon van de edelen is.