Jesaja 1:21-31
I. Hier wordt de ontzettende ontaarding van Juda en Jeruzalem ten zeerste betreurd. Zie:
1. Wat de koninklijke stad geweest is: een getrouwe stad, getrouw aan God en de belangen van Zijn koninkrijk onder de mensen, getrouw aan het volk en zijn openbare belangen. Zij was vol recht, gerechtigheid werd naar behoren uitgeoefend in de gerechtshoven, op de stoelen van het gericht die daar gezet weren, de stoelen van het huis van David, Psalm 122:5. De mensen waren in het algemeen eerlijk in hun handelingen, en verafschuwden het om onrecht te doen, gerechtigheid herbergde in haar, zij verbleef voortdurend in hun paleizen en in al hun woningen, niet slechts nu en dan geroepen, als hun dit zo eens schikte neen, zij was er thuis. Noch heilige steden, noch koninklijke steden, noch plaatsen waar de regering wordt uitgeoefend, zijn getrouw aan hun opdracht, indien er geen godsdienst in woont.
2. Wat zij nu was geworden. Die schone, deugdzame bruid was nu verleid en een hoer geworden, de gerechtigheid woonde niet langer in Jeruzalem (terras astraal reliquit-Astrea verliet de aarde), zelfs moordenaars bleven ongestraft en woonden er zonder verontrust te worden, ja de vorsten zelf waren zo wreed en verdrukkend, dat zij niet beter dan moordenaars waren geworden, een onschuldig man kon beter op zijn hoede zijn tegen een bende van rovers of moordenaars dan tegen een rechtbank van zulke rechters. Het is een grote verzwaring van de goddeloosheid van enigerlei geslacht of volk, dat hun voorouders vermaard waren voor deugd en rechtschapenheid, en gewoonlijk zullen zij, die aldus ontaard zijn, zich de slechtsten van allen betonen. (Corruptio optimi est pessima). Hetgeen oorspronkelijk het beste was, zal, als het verdorven wordt, het slechtste wezen Lukas 11:26, Prediker 3:16, zie Jeremia 23:15-17.
Dit wordt verklaard en opgehelderd:
A. Door gelijkenissen, vers 22. Uw zilver is geworden tot schuim. Deze ontaarding van de magistraten, wier karakter het tegenovergestelde is van dat van hun voorgangers, is een even grote smaad en schade voor het koninkrijk, als het vervalsen van hun munt zou zijn en het veranderen van hun zilver in schuim. Rechtvaardige vorsten en rechtvaardige steden zijn als zilver voor de schatkist, maar als zij onrechtvaardig zijn, dan zijn zij als schuim voor de mesthoop. Hoe is het goud zo verdonkerd Klaagliederen 4:1. Uw wijn is vermengd met water, en is dus smakeloos of zuur geworden. Sommigen vatten beide in letterlijken zin op: de wijn, die zij verkochten, was vervalst, hij was voor de helft met water vermengd, het geld, waarmee zij betalingen deden, was nagemaakt, en aldus bedrogen zij allen, met wie zij handelden. Maar het moet veeleer in overdrachtelijke zin verstaan worden: het recht werd door hun vorsten verkeerd, de godsdienst en het woord van God werden vervalst door hun priesters en tot hun eigen doeleinden aangewend. Schuim kan blinken als zilver, en de wijn, die met water vermengd is, kan de kleur van wijn behouden, maar geen van beide heeft enigerlei waarde. Aldus behielden zij de schijn van deugd en gerechtigheid, maar van geen van beide hadden zij een waar besef of begrip.
B. Door enige voorbeelden, vers 23. "Uw vorsten, die anderen bij hun trouw aan God moesten houden en in onderworpenheid aan Zijn wet, zijn zelf afvallig geworden, en trotseren God en Zijn wet". Zij, die dieven moesten bedwingen en tenonder houden, trotse en rijke verdrukkers, deze ergste van alle rovers, en zij die met opzet hun schuldeisers bedriegen of misleiden, en dus niet beter zijn, zijn zelf metgezellen van dieven, laten hen oogluikend toe, doen zoals zij doen, en in groter veiligheid en met meer succes, omdat zij vorsten zijn en de macht in handen hebben. Zij delen met de dieven, die zij in hun onwettig gewin beschermen, Psalm 50:18, zij zijn lotgemeen met hen, Spreuken 1:13, 14. a.
a.Zij hebben niets anders op het oog dan het gewin van hun plaats, hun ambt, om er door eerlijke of oneerlijke middelen zoveel mogelijk voordeel uit te trekken. Zij hebben de geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na, zij zetten hun hart op hun loon, de fooien en emolumenten van hun betrekking, zijn er gulzig naar, en denken dat zij er nooit genoeg van kunnen kregen, zij zullen alles doen, al druist het nog zo in tegen wet en gerechtigheid, voor een geschenk in het verborgene. Geschenken, giften en gaven zullen hun de ogen verblinden voor alle verkeerdheid en hen het recht doen verdraaien, deze beminden zij, joegen zij gretig na, Hosea 4:18.
b. Om de plicht van hun plaats of ambt bekommeren zij zich niet, zij behoren hen te beschermen, die benadeeld worden, en kennis te nemen van het beroep, dat op hen gedaan wordt, waartoe anders zijn zij aangesteld? De wezen doen zit geen recht, zij dragen geen zorg voor hen om hen te beschermen, en de twistzaak van de weduwe komt voor hen niet omdat de arme weduwe geen steekpenningen kan geven om de weg voor haar te banen tot hen, en haar zaak te doen behandelen. Diegenen zullen zeer veel te verantwoorden hebben, die de beschermers van de verdrukten behoren te wezen, maar hun ergste verdrukkers zijn.
II. Er wordt een besluit genomen om hun grieven te herstellen, vers 24. Daarom spreekt Jahweh, Heer der heerscharen, de Machtige Israëls, die de macht heeft om te doen wat Hij zegt, die heerscharen onder Zijn bevel heeft om Zijn plannen en doeleinden ten uitvoer te brengen, en die Zijn macht zal aanwenden ten behoeve van Zijn Israël: o wee! Ik zal Mij troosten van Mijn tegenpartijders.
Merk op:
1. Goddeloze mensen, inzonderheid goddeloze heersers, die wreed en verdrukkend zijn, zijn Gods vijanden, Zijn tegenstanders, en zullen aldus gerekend worden, en als zodanig zal er met hen gehandeld worden. Indien het heilig zaad zich verderft, dan zijn zij de vijanden van Zijn huis.
2. Zij zijn een last voor de God des hemels, hetgeen opgesloten ligt in de uitdrukking: Ik zal Mij verlichten van Mijn tegenpartijders. De Machtige Israëls, die alles dragen kan, ja meer, die alles ondersteunt en staande houdt, klaagt dat Hij vermoeid is door de ongerechtigheid van de mensen, Jesaja 43:24.
3. God zal een tijd en een middel weten te vinden om zich van die last te ontdoen door zich te wreken van hen, die aldus zwaar drukken op Zijn geduld. Hij spreekt hier als één die juicht in het vooruitzicht ervan. O, Ik zal Mij verlichten! Hij zal de aarde verlichten, ontheffen van de last, waaronder zij zucht, Romeinen 8:21, 22, Hij zal Zijn eigen naam ontheffen van de last van smaad, die er op geworpen is. Hij zal verlicht worden van Zijn tegenstanders door zich te wreken op Zijn vijanden, Hij zal hen uit Zijn mond spugen, en aldus van hen verlicht of ontlast worden, Openbaring 3:16. Hij spreekt er met welgevallen van, dat de dag van de wraak in Zijn hart is, Jesaja 63:4. Als Gods belijdend volk aan Zijn beeld niet gelijkvormig is, als de Heilige Israëls, vers 4, dan zullen ze de zwaarte gevoelen van Zijn hand als de Machtige Israëls, Zijn macht, die voor hen placht aangewend te worden, zal tegen hen worden gewapend. Op tweeërlei wijze zal God zich van deze grief ontdoen.
A. Door Zijn kerk te hervormen en goede rechters te herstellen in de plaats van deze verdorvene. Ofschoon er in de kerk zeer veel schuim is, zal zij toch niet weggeworpen meer gezuiverd worden, vers 25. "Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, Ik zal verbeteren wat verkeerd is. Ondeugd en goddeloosheid zullen onderdrukt, tekeer gegaan worden, niet meer worden ondersteund of beschermd, verdrukkers uit hun ambt worden ontzet, en hun zal de macht worden ontromen om kwaad te doen." Al staan de zaken ook nog zo slecht, God kan ze recht zetten en een grondige hervorming tot stand brengen. Als Hij begint, dan zal Hij een einde maken, Hij zal al het tin wegnemen.
Merk op:
a. De hervorming van een volk is Gods eigen werk, en als het ooit gedaan wordt, dan is Hij het, die het tot stand brengt: "Ik zal Mijn hand op u keren, vers 25. Ik zal voor de herleving van de godsdienst doen, wat Ik in het begin gedaan heb voor de planting ervan." Hij kan het gemakkelijk doen, door het omwenden van Zijn hand, maar Hij doet het krachtdadig, want welke tegenstand kan bestaan voor de geopenbaarde arm des Heeren?
b. Hij doet het door hen te zegenen met goede magistraten en goede staatsministers, vers 26. "Ik zal uw rechters teruggeven als in het eerst, om de wet te doen uitvoeren tegen kwaaddoeners, en uw raadslieden als in het begin om de openbare zaken te behandelen", hetzij dezelfde personen, die uit hun ambt ontzet waren, of anderen van hetzelfde karakter.
c. Hij doet het door recht en gerechtigheid onder hen te herstellen, vers 27, door de mensen beginselen van gerechtigheid in te planten, en hun leven door deze beginselen te doen beheersen. De mensen kunnen veel doen door uitwendig bedwang maar God doet het krachtdadig door de invloeden van Zijn Geest, als een Geest des oordeels, Hoofdstuk 4:4, 28:6. Zie Psalm 85:11, 12.
d. De hervorming van een volk zal de verlossing zijn van hen en hun bekeerden, want zonde is de ergste gevangenschap, de ergste slavernij, en de grote en eeuwige verlossing is die, door welke Israël verlost is van al zijn ongerechtigheden, Psalm 130:8, en de gezegende Verlosser is het, die de goddeloosheden afwendt van Jakob, Romeinen 11:26, en Zijn volk zaligmaakt van hun zonden, Mattheus 1:21. Al de verlosten des Heeren zullen bekeerden zijn, en hun bekering is hun verlossing. Haar bekeerden of haar weerkerenden, zij, die tot haar terugkeren-aldus heeft het de kanttekening. God werkt verlossing voor ons, door ons er voor te bereiden met recht en gerechtigheid.
e. De herleving van de deugd van een volk is de herstelling van zijn eer, daarna zult gij een stad van de gerechtigheid, een getrouwe stad genoemd worden.
Ten eerste. Gij zult dit zijn de hervorming van de overheid is een goede stap naar de hervorming van de stad en van het land.
Ten tweede. Gij zult de lof hebben van het te zijn, en een groter lof kan er voor geen stad zijn, dan om een stad van de gerechtigheid geroemd te worden, en de oude eer te herkrijgen, verloren was, toen de getrouwe stad een hoer was geworden, vers 21. B. Door hen af te snijden, die niet hervormd niet verbeterd willen worden, opdat zij niet overblijven, hetzij als strikken of als ergernissen voor de getrouwe stad.
a. Het is een algeheel verderf, waarmee hier gedreigd wordt. Zij zullen verbroken worden en omkomen, niet slechts gekastijd of gestraft. Hun uitroeiing zal noodzakelijk zijn voor de verlossing van Zion.
b. Het is een algemeen verderf, dat over de overtreders en de zondaars samen komen zal, de openbare goddelozen, die alle godsdienst volkomen afgeworpen hebben, en de geveinsden, die onder de dekmantel van een belijdenis van de godsdienst een goddeloos leven leiden, zij zullen samen verdelgd worden, want beide zijn een gruwel voor God beide zij, die de godsdienst tegenspreken, en zij, die zichzelf tegenspreken in hun aanspraken er op. En zij, die de Heer verlaten, aan wie zij zich voorheen hadden verbonden zullen omkomen, bederven, zoals water in leidingbuizen spoedig bedorven is als het afgesneden wordt van de bron. Het is een onvermijdelijk verderf, er is niet aan te ontkomen.
Ten eerste. Hun afgoden zullen niet instaat zijn hen te helpen, de eiken, die zij begeerd hebben, en de hoven, die zij verkoren hebben, dat is: de beelden, de drekgoden, die zij hebben aangebeden in hun bossen en onder elke groene boom, waarop zij verzot en waaraan zij gehuwd waren, en voor welke ze de ware God hebben verlaten, en die zij heimelijk aanbaden in hun eigen hoven, zelfs toen de afgoderij openlijk afgekeurd werd. Dit was de praktijk van de overtreders en de zondaars maar zij zullen er om beschaamd worden, niet in berouw en bekering, maar in wanhoop, vers 29. Zij zullen reden hebben om er zich over te schamen, want na al het hof, dat zij er aan gemaakt hebben, zullen zij bevinden, dat zij er geen voordeel van hebben, want de afgoden zelf zullen in gevangenschap gaan, Hoofdstuk 46:1,2. Zij, die schepselen tot hun vertrouwen stellen, bereiden slechts schande voor zichzelf. Gij waart verzot op de eiken en de hoven, maar gij zelf zult zijn:
1. Als een eik zonder bladeren, verdord en verzengd, van al zijn sieraad beroofd. Rechtvaardig dragen diegenen geen bladeren, die geen vruchten dragen, zoals de vijgenboom die Christus vervloekte.
2. Als een hof zonder water, waar geen regen op valt, en die ook niet bewaterd wordt met uw gang. Deuteronomium 11:10, die geen fonteinen heeft, Hooglied 4:15, en bijgevolg dor en droog is, terwijl al haar vruchten bedorven zijn. Aldus zullen zij wezen, die op afgoden vertrouwen, of op een vrezen arm, Jeremia 17:5, 6. Maar zij, die op God vertrouwen, zullen Hem nooit als een woestijn voor hen bevinden, Jeremia 2:31.
Ten tweede. Zij zullen niet instaat wezen zichzelf te helpen, vers 31. De sterke zal wezen tot grof vlas, niet alleen spoedig verbroken, maar gemakkelijk vuur vattende, en zijn werk-zo staat het in de kanttekening-hetgeen, waarmee hij hoopte zich te versterken en te beveiligen, zal als een vonk wezen voor zijn eigen vlas, het in brand steken, en hij en zijn werk zullen samen verbranden. Zijn eigen raadslagen zullen zijn verderf wezen, zijn eigen zonde ontsteekt het vuur van Gods toorn, dat tot in de diepste hel zal branden, en niemand zal het blussen. Als de zondaar zich als vlas, als hooi en stoppels heeft gemaakt, en God zich voor hem maakt als een verterend vuur, wat kan dan het uiterste verderf van de zondaar voorkomen? Dit alles nu is van toepassing: 1. Op het gezegende werk van de reformatie in Hizkia's tijd na de afschuwelijke verdorvenheden van de regering van Achaz. Toen werden godvruchtige mannen bevorderd, en het aangezicht van de goddelozen vervuld van schaamte en schande.
2. Op hun terugkeer uit de Babylonische gevangenschap, die hen volkomen had genezen van afgoderij.
3. Op het evangelie koninkrijk en de uitstorting van de Geest, door welke de nieuw- testamentische kerk gemaakt zou worden tot een nieuw Jeruzalem, een stad van de gerechtigheid.
4. Op de wederkomst van Christus, wanneer Hij Zijn dorsvloer zal doorzuiveren, de tarwe zal vergaderen in Zijn schuur, en het kaf, het onkruid, met onuitblusselijk vuur zal verbranden.