Jesaja 9:8-21
Hier zijn vreselijke bedreigingen, welke voornamelijk gericht zijn tegen Israël, het rijk van de tien stammen, Efraïm en Samaria, welker verderf hier voorzegd is met al de ontzettende verwarring, die de inleiding waren tot hun ondergang, hetgeen alles weinige jaren later geschied is, maar zij zien nog verder, namelijk op al de vijanden van de troon en het koninkrijk van Christus, de Zoon van David, en kondigen het oordeel aan over alle volken, die God vergeten, en niet willen dat Christus Koning over hen zijn zal.
Merk op:
I. De inleiding tot voorzegging vers 8. De Heer heeft een woord gezonden in Jakob, gezonden door Zijn dienstknechten de profeten, Hij waarschuwt voordat Hij wondt, Hij gaf kennis van hetgeen Hij zou doen, opdat zij Hem zouden ontmoeten op de weg van Zijn oordelen, maar zij wilden geen acht slaan op de wenk, droegen er geen zorg voor om Zijn toorn af te wenden, en zo kwam Hij dan over Israël, want geen woord van God zal ter aarde vallen. Hij viel op hen als een storm van regen en hagel van omhoog, waaraan zij niet konden ontkomen. "Het is gevallen op Israël, het is even zeker dat het komen zal, alsof het er reeds was, en al het volk zal het weten door het te gevoelen, wat zij niet wilden weten door het te horen." Aan hen, die moedwillig onwetend zijn van de toorn Gods, die van de hemel geopenbaard is tegen de zonde en de zonderen, zal het te weten gedaan worden.
II. De zonden, aan het volk van Israël ten laste gelegd, welke deze oordelen over hen brachten.
1. Hun onbeschaamd trotseren van Gods gerechtigheid, daar zij dachten wel tegen Hem opgewassen te zijn. In hoogmoed en grootsheid des harten zeggen zij: "Laat God maar Zijn ergst doen, wij zullen wel tegen Hem bestand zijn, als Hij onze huizen verwoest, zullen wij ze weer opbouwen en ze sterker en fraaier maken, dan zij geweest zijn, onze huisheer zal ons niet op straat zetten, al betalen wij hem geen huur, maar wij zullen in het bezit ervan blijven. Als de huizen, die van tichelstenen gebouwd waren, afgebroken worden in de oorlog, dan zullen wij ze weer opbouwen van gehouwen steen, deze zullen dan niet zo gemakkelijk neergeworpen worden. Indien de vijand de wilde vijgenbomen omhakt, wij zullen er cederbomen voor in de plaats planten, wij zullen nog winnen bij Gods oordelen, en ze dus trotseren." Diegenen rijpen snel voor het verderf, wier hart onvernederd blijft onder vernederende beschikkingen van Gods voorzienigheid, want God zal in tegenheid wandelen met hen, die aldus in tegenheid wandelen met Hem en Hem tot ijver verwekken alsof zij sterker waren dan Hij.
2. Hun onverbeterlijkheid tot nu toe onder al de bestraffingen van Gods voorzienigheid vers 13. Dit volk keert zich niet tot degene, die het slaat, er wordt niet bij hen teweeggebracht dat zij hun leven verbeteren, hun zonden nalaten en terugkeren tot hun plicht, de Heer der heerscharen zoeken zie niet, zij zijn of atheïsten en hebben geen godsdienst, Of afgodendienaars en bidden tot de goden, die de schepselen zijn van hun eigen verbeelding en de werken van hun eigen handen. Wat God bedoelt met ons te slaan is: ons tot Hem te keren, er ons toe te brengen om Hem te zoeken, en als dit doel niet bereikt wordt door de mindere oordelen, dan kunnen zwaardere verwacht worden. God slaat ten einde niet te doden.
3. Het algemeen bederf van hun zeden en hun grote onheiligheid. a. Zij, die een hervorming onder hen hadden moeten teweegbrengen, droegen er toe bij om hen te verderven vers 16. De leiders van dit volk zijn verleiders zij misleiden hen en doen hen dwalen, door hun goddeloosheid door de vingers te zien en goddelozen te steunen, te stijven in hun slechtheid, alsmede door hun een slecht voorbeeld te geven, en zo is het dan niet te verwonderen als zij, die door hen geleid worden, bedrogen worden, en dus verdorven en ten ondergang gebracht. Het staat slecht met een volk, als hun geneesheren hun ergste ziekte zijn. Zij, die dit volk gezegend noemen-zo staat het in kanttekening-,die hen vleien en sussen in hun goddeloosheid, en vrede, vrede tot hen roepen, doen hen dwalen, en zij, die door hen gezegend worden genoemd, zijn eer zij het weten door hen opgeslokt. Wij hebben reden om bang te zijn voor hen, die goed van ons spreken, als wij kwaad doen. Zie Spreuken 24:24, 29:5.
b. De goddeloosheid was algemeen, allen waren er mee besmet, vers 17, zij zijn allen tezamen huichelaars en boosdoeners. Als er nog deugdzamer onder hen zijn, durven zij niet voor de dag komen, want alle mond spreekt dwaasheid en goddeloosheid, iedereen is heiligschennend tegenover God (dat is de eigenlijke betekenis van het woord) en een boosdoener tegenover de mens, die twee gaan gewoonlijk samen: zij, die God niet vrezen, ontzien geen mens, en dan spreekt iedere mond dwaasheid, leugen en smaad, beide tegen God en de mens, want uit de overvloed des harten spreekt de mond.
III. Het oordeel tegen hen bedreigd om deze hun goddeloosheid, laat hen niet denken ongestraft te zullen blijven.
1. In het algemeen: zij stellen zich hierdoor bloot aan de toorn van God, die beide verteren zal als vuur en verduisteren zal als rook.
a. Hij zal verteren als vuur, vers 18. Want de goddeloosheid brandt als vuur, het misnoegen van God wegens de zonde zal de zondaren verteren die er zich tot doornen en distels voor hebben gemaakt, en als de verwarde struiken van het woud, ontvlambare stof, door welke de Heer der heerscharen, de sterke God, zal heengaan om ze tezamen te verbranden.
b. Hij zal verduisteren als rook. De doornen en distels zullen, als het vuur ze verteert, zich verheffen als opstijgen van de rook, zodat het gehele land er door verduisterd zal zijn, zij zullen in benauwdheid zijn en geen uitweg zien, vers 19. Het volk zal zijn als voedsel voor het vuur. Gods toorn treft niemand anders dan hen, die zich als brandstof er voor maken, en dan gaan zij op als de rook van het brandoffer slachtoffers gemaakt zijnde van de gerechtigheid Gods.
2. God zal de naburige mogendheden tegen hen wapenen, vers 11, 12. In die tijd was het rijk van Israël in verbond met dat van Syrië tegen Juda. Maar de Assyriërs, die vijanden waren van de Syriërs, zullen, als zij hen overwonnen hebben, in het land van Israël vallen, en God zal hen opwekken om dit te doen, en de vijanden van Israël samenvoegen tegen hen, die daarbij nog geen eigen belangen op het oog hebben, en er zich niet van bewust zijn dat Gods hand in hun verbond is. Als vijanden opstaan en zich verbinden tegen een volk, dan moet Gods hand er in erkend worden. Zij, die elkanders deelgenoten zijn in de zonde, zoals Syrië en Israël toen zij Juda aanvielen, moeten verwachten ook te zullen delen in de straf van de zonde. Ja de Syriërs zelf, met wie zij nu in verbond zijn, zullen een gesel voor hen wezen-want het is niets ongewoons dat diegenen in twist met elkaar komen, die verenigd waren in de zonde-zij van voren en de Filistijnen van achteren, de één hen aanvallende in het front, de ander hen aanvallende in de achterhoede, zodat zij omsingeld zullen zijn door hun vijanden, die hen met volle mond zullen opeten, vers 12. De Filistijnen werden toen niet als geduchte vijanden beschouwd, en de Syriërs werden voor grote en trouwe vrienden aangezien, en toch zullen zij Israël opeten. Als de menselijke wegen de Heer mishagen, dan maakt Hij dat zelfs hun vrienden strijd tegen hen voeren.
3. God zal uit het midden van hen wegnemen degenen, op wie zij vertrouwden en van wie zij zich hulp hadden beloofd, vers 14, 15. Omdat zij God niet zochten, zullen zij, op wie zij steunen en vertrouwen, hun van generlei dienst, of nut zijn. "De Heer zal afhouwen uit Israël de kop en de staart, de tak en de bieze", hetgeen verklaard wordt in het volgende vers.
a. Hun magistraten, die om hun geboorte en het ambt, dat zij bekleden, de aanzienlijken zijn en de oudsten zijn van het volk, deze zijn de kop, deze zijn de tak, waarvan zij zich kloekmoedigheid en vrucht beloven, maar omdat deze hen deden dwalen, zullen zij afgehouwen worden, en hun waardigheid en macht zullen geen bescherming voor hen wezen. Het was een oordeel over het volk, dat hun vorsten of oversten afgehouwen werden, al waren zij ook niet wat zij hadden behoren te zijn.
b. Hun profeten, hun valse profeten, waren de staart en de bieze, de verachtelijkste van allen. Een goddeloos leraar is de slechtste van alle mensen, "corruptio optimi est pessima" -hetgeen het beste is, zal als het verdorven wordt, het slechtste blijken te zijn. De blinde leidde de blinde, en zo zijn beide in de gracht gevallen, en de blinde leidslieden vielen het eerst en vielen het laagst.
4. Dat de verwoesting even algemeen zal zijn als de verdorvenheid algemeen is geweest, niemand zal er aan ontkomen, vers 17.
a. "Niet degenen, die het voorwerp zijn geweest van welbehagen, niemand zal gespaard worden uit liefde. De Heer zal zich niet verblijden over hun jongelingen, die in de bloei van hun jeugd zijn, noch zal Hij zeggen: Handel zachtkens met de jongeling om mijnentwil, neen, maar hen vallen met de overigen, en laat tezamen met hen het zaad van het volgende geslacht omkomen."
b. Niet zij, die de voorwerpen zijn geweest van medelijden en ontferming, niemand zal uit medelijden gespaard worden, over hun wezen en hun weduwen zal Hij zich niet ontfermen, hoewel Hij in bijzondere zin hun beschermer is, zij hadden evenals al de anderen hun weg verdorven, en zo hun armoede en hulpeloosheid hen er niet toe drong om zich van zonde te onthouden, dan konden zij ook niet verwachten dat God er door gedwongen zal zijn om hen voor oordelen te behoeden.
5. Dat zij elkaar zullen verscheuren en dat iedereen zal bijdragen om het algemene verderf te doen komen, en dat zij kannibalen voor zichzelf zullen wezen en voor elkaar de een zal de ander niet verschonen, als zij elkanders eerzucht, of geldgierigheid in de weg staan, of als zij een schijn van reden tot wraakoefening hebben. En hoe kunnen zij verwachten dat God hen zal sparen, als zij geen mededogen hebben voor elkaar? Der mensen wreedheid jegens elkaar wekt Gods toorn op tegen hen allen. Burgeroorlogen brengen een koninkrijk spoedig tot verval, zodanigen waren er in Israël, toen om de overtreding van het land zijn vorsten velen waren, Spreuken 28:2. Bij deze inwendige twisten sneden de mensen ter rechterhand en waren toch nog hongerig, en zo aten zij het vlees van hun eigen arm, aasden zij op zichzelf om hun honger te stillen, of op hun naaste bloedverwanten, die als hun eigen vlees waren, vers 20. Dit wijst op: a. Grote schaarsheid en hongersnood, als de mensen alles naar zich toe hadden getrokken wat zij maar konden, dan waren zij nog hongerig, God heeft het ten minste niet voor hen gezegend zodat zij aten en niet verzadigd Haggai 1:6.
b. Grote roverij en plundering-"Jusque datum sceleri" -de ongerechtigheid is gevestigd door de wet. De omheining van het eigendom, die een omheining van bescherming is voor de bezittingen van de mensen, zal afgerukt worden, en iedereen zal al hetgeen, waar hij de handen op kan leggen, als het zijne beschouwen. "Vivitur ex rapto, non hospes ub hospita tustus", -zij leven van roof en de wetten van de gastvrijheid worden geschonden. En toch zullen de mensen, die aldus grijpen naar hetgeen het hun niet is, niet verzadigd worden. Geldgierige begeerten zijn onverzadelijk en deze vloek ligt op hetgeen op onrechtmatige wijze verkregen werd, dat het nooit zal gedijen.
Deze inwendige twisten zullen niet alleen woeden tussen particuliere personen en geslachten, maar tussen de stammen, vers 21. Manasse zal Efraïm verslinden en Efraïms Manasse, hoewel zij verenigd zijn tegen Juda, zij, die zich verenigd hadden tegen Juda, konden niet eensgezind zijn onder elkaar, maar deze hun zondige verbintenis tegen hun naaste, die met vertrouwen bij hen woonde, werd rechtvaardig gestraft door hun scheiding van elkaar. Of, Juda gezondigd hebbende zoals Manasse en Efraïm, zal niet alleen met hen, maar ook door hen, lijden. Wederzijdse haat en vijandschap onder de stammen van Gods Israël is een zonde, die hen rijpt voor het verderf, en is een treurig symptoom van de snelle nadering van het verderf. Indien Efraïm tegen Manasse is, en Manasse tegen Efraïms en beide tegen Juda zijn, dan zullen zij allen weldra een gemakkelijke prooi worden voor de gemene vijand.
6. Dat, hoewel zij door al deze oordelen gevolgd zullen worden, God daarom toch Zijn twist niet met hen zal laten vallen. Het is het treurig refrein van dit lied, vers 12, 17, 21. Om dit alles keert Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog niet uitgestrekt.
a. Zij doen niets om Zijn toorn af te keren, zij hebben geen berouw, zij verbeteren hun leven niet, zij verootmoedigen zich niet, zij bidden niet, niemand staat in de bres, niemand antwoordt op Gods roepen, zij stemmen niet in met de plannen en bedoelingen van Zijn voorzienigheid, maar zijn verhard en gerust.
b. Daarom blijft Zijn toorn tegen hen branden en is Zijn hand nog uitgestrekt. De reden, waarom Gods oordelen blijven aanhouden, is dat het doel niet werd bereikt, de zondaars zijn er niet door tot bekering gebracht, het volk keert zich niet tot Hem, die het slaat, en daarom gaat Hij voort met hen te slaan, want als God oordeelt, zal Hij overwinnen en de hoogmoedigste zondaar zal of buigen of breken.