21. Daarna zal er een verachte in zijnen staat, in zijne plaats staan, een, die juist het tegendeel is van hetgeen zijn bijnaam zegt; deze toch is Epifanes, de edele, doch in plaats daarvan wordt hij door wereldse geschiedschrijvers Epifanes, d. i. de dolle genoemd, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven, daar eigenlijk niet hij, maar zijn broeder Demetrius het naaste recht tot den troon had; doch hij zal in stilheid komen, onverwacht, als niemand het vermoedt (
Daniël 8:25), en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen; op een listige en doortrapte wijze zal hij zich van het rijk meester maken.
Antiochus IV, de broeder van Seleukus, was juist op zijne terugreis van Rome (zie bij Vers 20) in Athene aangekomen, toen het bericht van den dood zijns broeders en van de troonsbeklimming van Heliodorus tot hem kwam. Hij snelde aanstonds naar Pergamus en bewoog Attalus (dezen naam dragen alle koningen van Pergamus even als die van de Filistijnen in den Bijbel Abimelech heten (Genesis 26:1). Heliodorus (men lette op de nauwkeurigheid, waarmee in ons vers is aangewezen, hoe Antiochus aan de regering kwam, zodat het den Joden, dien deze profetie bekend was, reeds bij het begin der regering van Antiochus niet twijfelachtig kon zijn, dat van hem het voorzegde onheil over hen zou komen) uit de heerschappij, die hij zich aangematigd had, te verdrijven, in de plaats daarvan hem op den Syrischen troon te verheffen. Hij wist vervolgens door zijne gladde tong de Syriërs voor zich te winnen; hij heeft echter den bijnaam Epifanes, dien hij zich zelven gaf, zozeer tot het tegendeel daarvan doen worden, dat hij bijv. dikwijls dronken en met rozen bekranst alleen op de straten rondliep, en toen het feest van de overwinning der Romeinen over Perseus gevierd werd, stond hij van de tafel op, wierp zijne klederen af en danste naakt voor het aanwezig gezelschap, zodat allen vol afkeer daarvan heengingen. Hij bezocht vlijtig de baden der stad, en gaf zich daar aan kinderachtige dwaasheden over; hij dronk in gaarkeukens met ieder die binnenkwam, en wanneer hij vernam, dat ergens jonge mensen tot een gelag zamen waren, trad hij onaangemeld met zang en muziek onder hen binnen, om mededeelgenoot daarvan te zijn, in het kort, het is ene wijze populariteit, waarop hij zich toelegde, verbonden met ene schaamteloosheid zonder voorbeeld. Daarnevens bezat hij onloochenbaar ook grote bekwaamheden, een krijgsmansmoed en ene bijzondere kunstliefde. Om zijn fanatismus voor den heidensen godsdienst heeft later de Romeinse keizer Julianus Apostata d. i. de afvallige (hij regeerde van 363-361 v. Chr.) hem zo hoog vereerd, dat hij hem zich ten voorbeeld nam. De wereldgebeurtenissen, zo merkt Auberlen ten opzichte van dezen koning op, worden door God en Zijn woord met enen anderen maatstaf gemeten dan door onze profane beschouwing der geschiedenis. Wat hier groot schijnt is daar klein, en omgekeerd. Wat door de wereldgeschiedenis wordt voorbijgezien, wat uit den natuurlijken loop der zaken van zelf schijnt voort te komen, dat is beslissend. Deze beschouwing dringt zich vooral ten opzichte van Antiochus aan ons op; hij was een Syrisch koning midden onder de overigen: in de wereldgeschiedenis trekt hij geen buitengewone aandacht. Ook in de Israëlietische geschiedenis is het desgelijks; de kommervolle tijd der 62 weken (Hoofdstuk 9:25) ging daarna even als vroeger voort, de verdrukking door Antiochus sloot zich natuurlijk aan het velerlei lijden en aan de verdrukkingen aan, welke voor de Joden uit de altijd voortdurende oorlogen der Ptolemeërs en der Seleuciden reeds tot hiertoe waren ontstaan. En toch stond in dat korte tijdsbestek het bestaan van het Godsrijk in de wereld op het spel, zo als nooit te voren; om die reden wordt het ook door de profetie zo sterk op den voorgrond gesteld en te voren zo nauwkeurig beschreven, als nauwelijks enige andere tijd. Wij zien dat grote gebeurtenissen in het rijk van God geheel op den gewonen weg der geschiedenis kunnen ontstaan en voorvallen. Ook in dit opzicht is Antiochus een voorbeeld van den Antichrist. De laatste is toch eveneens oorspronkelijk een kleine hoorn, die slecht langzamerhand opwast, totdat hij groter wordt, den zijne genoten (Hoofdstuk 7:8, 20; 8:9) (geheel overeenstemmende hiermede schildert het nieuwe Testament den tijd, die aan de toekomst van Christus voorafgaat (Lukas 17:27, 1 Thessalonicenzen 5:3 16:9, 11). Men eet, men drinkt, men trouwt, men koopt en verkoopt, men bouwt en plant nog voort, de maatschappij gaat haren geregelden gang, welvaart, nering, handel, onderwijs zijn in den hoogsten bloei, men stelt zich veel schoners in de toekomst voor; men zegt: "Er is vrede en geen gevaar. " En al komen ook de meest opmerkelijke Goddelijke gerichten de ogen worden gehouden, dat men ze niet als gerichten of zelfs niet als voortekenen erkent en tot gene bekering komt. Dan zal het verderf snel overvallen als de smart ene barende vrouw en zij zullen niet ontvlieden.