Jesaja 14:4-23
De achtereenvolgende koningen van Babel waren de grote vijanden en verdrukkers van Gods volk, daarom wordt van de verwoesting van Babel, de val van haar koning en de ondergang van zijn geslacht hier zeer bijzonder kennis genomen en er wordt over gejuicht. Ten dage wanneer God Zijn volk rust heeft gegeven, zullen zij deze spreuk tegen de koning van Babel opnemen. Wij moeten ons niet verblijden als onze vijand valt, als "onze vijand maar als Babel de gemene vijand van God en Zijn Israël" verzinkt, "bedrijft dan vreugde over haar, gij hemel, en gij, heilige apostelen, en gij profeten", Openbaring 18:20. De Babylonische monarchie scheen goed op weg te zijn om een volstrekte, algemene en altoosdurende te zijn, en met deze aanspraken wedijverde zij met de Almachtige daarom wordt zij zeer rechtvaardig niet alleen terneergeworpen, maar wordt er gejuicht in haar val, en het is niet alleen over haar laatste monarch, Belsazar, die in de nacht, toen Babel werd ingenomen, gedood werd, Daniël 5:30, dat hier getriomfeerd wordt, maar over geheel de monarchie, die met hem te gronde ging, niet zonder een bijzondere heenwijzing naar Nebukadnezar, onder wie deze monarchie het toppunt van haar bloei bereikt had. Hier nu:
I. Wordt vreugde betoond over de val van de koning van Babel, en hier is een zeer sierlijke spreuk bereid, niet als opschrift boven zijn praalgraf, maar om een duurzaam brandmerk van de schande te zien voor zijn nagedachtenis. Zij geeft ons een bericht van het leven en de dood van deze machtige monarch, hoe hij ter helle nedergedaald is, hoewel hij de schrik van de helden is geweest in het land van de levenden, Ezechiël 32:27.
In deze spreuk kunnen wij opmerken:
1. De ontzaglijke hoogte van rijkdom en macht, waartoe deze monarch en monarchie gekomen waren. "Babel was een goede stad," vers 4, het is een Chaldeeuws woord in het oorspronkelijke, hetwelk aanduidt dat zij zelf haar aldus plachten te noemen, zij baadde zich in rijkdom, en overtrof alle andere steden, zoals goud alle andere metalen overtreft. Zij dorst naar goud, of zij eist goud af, zo wordt het door sommigen gelezen, want hoe verkrijgen de mensen rijkdom voor zichzelf anders dan door hem af te persen aan anderen? Het nieuwe Jeruzalem is de enig ware gouden stad, Openbaring 21:18, 21. De koning van Babel, zoveel rijkdom hebbende in zijn gebied met volstrekte, onbepaalde macht er over, heeft met behulp daarvan over de heidenen geheerst, vers 6, hij gaf hun wetten, sprak hun vonnis uit, en heeft naar zijn lust en welbehagen de heidenen gekrenkt, vers 12, of verzwakt, opdat zij niet in staat zouden zijn hem het hoofd te bieden. Zulke grote zegevierende legers bracht hij te velde, dat hij, waar hij zijn blik heenrichtte, de aarde beroerde en de koninkrijken deed beven, vers 16, al zijn naaste buren waren bevreesd voor hem en genoodzaakt om zich aan hem te onderwerpen. Niemand kon dit doen door zijn eigen persoonlijke kracht maar door het grote aantal soldaten, die hij onder zijn bevelen heeft. Grote tirannen kunnen door sommigen te laten doen wat zij willen anderen laten lijden wat zij willen. Hoe ellendig is de toestand van het mensdom, dat aldus in een combinatie schijnt te zijn tegen zichzelf, tegen zijn eigen rechten en vrijheden, die niet anders dan door zijn eigen kracht te gronde gericht kunnen worden.
2. Het ellendige misbruik van al deze rijkdom en macht waaraan de koning van Babel zich op tweeërlei wijze schuldig had gemaakt.
A. Door grote verdrukking en wreedheid. "Hij is bekend bij de naam van drijver, of verdrukker", vers 4, hij heeft de scepter van de heersers, vers 5, gebiedt over al de vorsten rondom hem, maar het is de stok van de goddelozen, een staf waarmee hij zich steunt in zijn goddeloosheid, en waarmee hij goddeloos allen slaat, die om hem heen zijn. Hij plaagde de volkeren, hij sloeg hen niet in gerechtigheid, tot hun verbetering, maar in toorn, en dat wel zonder ophouden, hij vervolgde hen met zijn strijdkrachten, en gaf hun geen rust, geen tijd om op adem te komen, geen wapenstilstand. Hij heerste over de volkeren, maar hij heerste over hen in verbolgenheid, alles wat hij zei en deed, zei en deed hij in hartstocht en drift zodat hij, die heerschappij had over allen, die hem omringden, geen heerschappij had over zichzelf, hij stelde de wereld als een woestijn alsof hij er trots op was "om de plaag te zijn van zijn tijd en een vloek voor het mensdom", vers 17. Grote vorsten plachten er trots op te zijn om steden te bouwen, maar het was zijn trots om ze te verwoesten, zie Psalm 9:7.
Hier worden twee bijzondere voorbeelden gegeven van zijn tirannie, die erger waren de al de andere.
a. "Dat hij streng was voor zijn gevangenen", vers 17. Hij liet zijn gevangenen niet losgaan naar huis toe, hij hield hen streng opgesloten, en wilde aan geen van hen toestaan om naar zijn eigen land terug te keren. Dit ziet inzonderheid op het volk van de Joden en dat is het, hetwelk de mate van de ongerechtigheid van de koning van Babel vol deed worden, namelijk dat hij het volk van God in gevangenschap hield, en hen volstrekt niet wilde loslaten, ja en door de vaten van Gods tempel te Jeruzalem te ontwijden en feitelijk te verklaren, dat zij nooit meer tot hun vorig gebruik aangewend zouden worden, Daniël 5:2,3. Hiervoor werd hij snel en rechtvaardig van zijn macht beroofd door één, wiens eerste daad was het gevangenhuis van Gods volk te openen, en de tempelvaten terug te zenden naar Jeruzalem.
b. Dat hij zijn eigen onderdanen verdrukt heeft, vers 20, "gij hebt uw land verdorven en uw volk gedood", en wat heeft hij daarmee gewonnen, daar toch de rijkdom van het land en de menigte des volks de kracht en de eer zijn van de vorst, die nooit zo veilig regeert en met zoveel eer als in het hart en de genegenheid van het volk? Maar tirannen offeren hun belangen op aan hun lusten en hartstochten en God zal met hen afrekenen voor hun wrede behandeling van hen, die in hun macht zijn, en met wie zij denken naar hun lust en welbehagen te kunnen handelen.
B. Grote hovaardij. Er wordt hier nota genomen van zijn pracht, het buitensporige van zijn gevolg of stoet, vers 11. Hij vertoonde zich gaarne in de uiterste pracht, maar dat was nog het ergste niet, het was zijn gemoedsgesteldheid, de hoogmoed van zijn geest, die hem rijpte voor het verderf, vers 13, 14. "Gij zei in uw hart, zoals Lucifer ik zal ten hemel opklimmen". Hier is de taal van zijn verwaandheid, misschien wel ontleend aan die van de gevallen engelen, die, niet tevreden met hun oorspronkelijke staat, de plaats, die hun was aangewezen, met God wilden wedijveren, niet alleen onafhankelijk wilden worden van Hem maar Hem gelijk wilden zijn. Of misschien verwijst het naar de geschiedenis van Nebukadnezar, die, toen hij meer dan een mens wilde zijn, rechtvaardig aan een dier gelijk werd gemaakt, Daniël 4:30. De koning van Babel belooft zich hier:
a. Dat hij in pracht en macht al zijn buren zal overtreffen, en tot het toppunt van aardse heerlijkheid en geluk zal komen, dat hij zo groot en gelukkig zal zijn als de wereld hem maken kan, dat is de hemel van een vleselijk-gezind hart, en daar hoopt hij toe op te klimmen en even ver boven hen te zijn, die hem omringen, als de hemel boven de aarde is. Vorsten zijn de sterren Gods, die in deze duistere wereld enig licht geven, Mattheus 24:29, maar hij zal zijn troon boven hen allen verheffen. b. Dat hij inzonderheid Gods berg Zion zal bespotten en beledigen, waartegen Belsazar in zijn laatste dronken feestmaaltijd een bijzondere wrok scheen te hebben, toen hij de vaten van de tempel te Jeruzalem liet komen, om ze te ontwijden, Zie Daniël 5:2. In diezelfde gemoedsgesteldheid zei hij hier: ik zal mij zetten op de berg van de samenkomst. Het is hetzelfde woord, dat gebruikt is voor de heilige samenroeping-aan de zijde van het noorden waar de berg Zion gezegd wordt te zijn gelegen, Psalm 48:3. Misschien maakte Belsazar een plan om een expeditie te ondernemen naar Jeruzalem om te triomferen in de verwoesting ervan, juist toen hij door God werd afgesneden.
c. Dat hij wedijveren zal met de God van Israël, van wie hij inderdaad heerlijke dingen gehoord had, dat Hij Zijn woonstede had boven de wolken, "maar" zegt hij, "derwaarts zal ik opklimmen, en even groot zijn als Hij, ik zal Hem gelijk wezen, die zij de Allerhoogste noemen." Het is een godvruchtige eerzucht om te begeren als de Allerheiligste te zijn, want Hij heeft gezegd: Zijt heilig, want Ik ben heilig, meer het is een zondige eerzucht, om er naar te streven als de Allerhoogste te zijn, want Hij heeft gezegd: "Wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden" en de duivel-heeft onze eerste ouders misleid, toen hij hen van de verboden vrucht liet eten, hun belovende, hun voorspiegelende, dat zij als God zullen zijn.
d. Dat hij na zijn dood vergood zal worden, zoals sommigen van de eerste stichters van de Assyrische monarchie het waren, en zelfs werden sterren naar hen genoemd. "Maar", zegt hij, "ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen." Zodanig was zijn hoogmoed, die het ontwijfelbare voorteken was van zijn val.
3. Het algehele verderf, dat over hem gebracht zal worden.
A. Er wordt voorzegd dat zijn rijkdom teniet zal gaan, zijn macht verbroken zal worden, een einde zal gemaakt leverden aan zijn pracht en genietingen. Hij is lang een verdrukker geweest, maar hij zal ophouden dit te zijn, vers 4. Indien hij opgehouden had dit te zijn door waar berouw en door zijn leven te verbeteren, overeenkomstig de raad, die Daniël aan Nebukadnezar had gegeven, dan zou dit tot verlenging zijn geweest van zijn leven en zijn rust. Maar zij, die niet willen ophouden van te zondigen, zullen er door God toe genoodzaakt worden. De gouden stad, die, naar men gedacht zou hebben, altijddurend zou geweest zijn, houdt op van te bestaan, er is een einde aan dat Babel. De Heer, de rechtvaardige God, heeft de staf van die goddeloze vorst verbroken hem gebroken op zijn hoofd, ten teken dat hij uit zijn ambt ontzet was, God heeft hem zijn macht ontnomen, hem het vermogen benomen om nog meer kwaad te doen, Hij heeft de scepters verbroken, want ook dat zijn broze dingen, spoedig en dikwijls rechtvaardig gebroken.
B. Dat hij zelf gegrepen zal worden. Hij wordt vervolgd, vers 6, "de hand wordt aan hem geslagen", en zonder dat iemand het afweren kan. Het is het gewone lot van tirannen dat zij, als zij in de macht vallen van hun vijanden, door hun vleiers worden verlaten, die zij voor hun vrienden hebben aangezien. Wij lezen van een andere vijand, zoals deze hier, van wie voorzegd is, dat hij tot zijn einde zal komen en geen helper zal hebben, Daniël 11:45. Tiberius en Nero hebben zich aldus verlaten gezien.
C. Dat hij gedood zal worden, afgezonderd zal worden onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die niet meer herdacht worden, Psalm 88:6. Hij zal zwak zijn als de doden, hun gelijk zijn, vers 10. Zijn pracht is in het graf gedaald, zij vergaat met hem, de pracht van zijn leven zal niet, zoals gewoonlijk, eindigen in de pracht van een begrafenis. Ware eer, dat is ware genade, zal met de ziel opwaarts gaan naar de hemel, maar ijdele pracht zal met het lichaam neerdalen in het graf, daar is er het einde van. Het geklank van zijn luiten wordt nu niet meer gehoord. De dood is een vaarwel aan de genoegens en vermaken, zowel als aan de pracht van deze wereld. De machtige vorst, die op een donzen bed placht neer te liggen en op rijke tapijten placht te treden, zeer fraaie, sierlijke dekkingen placht te hebben, onder hem zullen nu de maden gestrooid worden, en de wormen zullen hem bedekken, vers 11, wormen, die in zijn eigen rottend lichaam geteeld worden, hetgeen, hoewel hij waande een god te zijn, bewees dat hij van dezelfde stof was gemaakt als andere mensen. Als wij ons lichaam vertroetelen en versieren, dan is het goed om er aan te denken dat het weldra door de wormen zal worden gegeten.
D. Dat hij de eer niet zal hebben van begraven te worden, en nog veel minder van een deftige, voegzame begrafenis te hebben in de grafstede van zijn voorouders. Al de koningen van de heidenen liggen neer met ere, vers 18, hetzij de dode lichamen zelf, zo goed gebalsemd, dat zij voor verrotting bewaard blijven, zoals vanouds onder de Egyptenaren geschiedde, of wel hun beeltenissen zoals bij ons, die boven hun graf geplaatst zijn. Aldus lagen zij, alsof zij de versmaadheid van de dood wilden trotseren, in een armzalige, flauwe soort van eer en heerlijkheid, een ieder in zijn huis, zijn eigen begraafplaats, want het graf is het huis, bestemd voor alle levenden, een slaaphuis waar de bedrijvigen en lastigen zullen stilliggen, en de vermoeiden zullen rusten. Maar deze koning van Babel is verworpen en heeft geen graf vers 19, zijn dood lichaam wordt als dat van een dier in de naastbij zijnde sloot geworpen, of op de naastbij zijnde mesthoop, als een gruwelijke scheut van de ene of andere giftige, schadelijke plant, die niemand wil aanraken, of als de kleren van boosdoeners, die ter dood gebracht zijn, en door de hand van de gerechtigheid met een zwaard zijn doorstoken, op wier dode lichamen steenhopen zijn opgericht, of die in de een of andere diepe steengroeve zijn geworpen onder de stenen van de kuil. Ja het dode lichaam van de koning van Babel zal wezen als de gedoden in een veldslag, die door paarden en soldaten vertreden worden en verpletterd. Hij zal bij zijn voorouders niet gevoegd worden in de begrafenis, vers 20. Een eerlijke begrafenis ontzegd te worden is een schande, een smaad waarin, als zij aangedaan wordt om van de gerechtigheid wil, zoals Psalm 79:2, evenals andere gelijksoortige versmaadheden men zich kan verblijden, Mattheus 5:12. Het is het lot van de twee getuigen Openbaring 11:9. Maar indien het, zoals hier, de rechtvaardige straf is van ongerechtigheid, dan geeft het te kennen dat het kwaad de onboetvaardige zondaren vervolgt ook na de dood, een nog groter kwaad dan dat, -zij zullen ontwaken tot versmaadheden en eeuwige afgrijzing.
4. Het vele triomferen, dat er in zijn val zal zijn.
A. "Zij, voor wie hij een groot tiran en een schrik is geweest, zullen blij zijn, dat zij van hem bevrijd zijn", vers 7, 8. Nu hij heengegaan is, rust de gehele aarde en is stil, want hij was de grote verstoorder van de vrede, nu maken zij groot geschal en gejuich, want als de goddelozen vergaan is er gejuich, Spreuken 11:10. De dennen en de cederen van Libanon achten zich nu veilig, er is nu geen gevaar dat zij omgehouwen zullen worden, ten einde een weg te bereiden voor zijn groot leger, of om hem van timmerhout te voorzien. De naburige vorsten en rijksgroten, die vergeleken worden bij dennen en cederen, Zacheria 11:2, kunnen nu gerust zijn, en behoeven niet meer te vrezen van hun rechten te worden beroofd want de hamer van de gehele aarde is afgehouwen en verbroken, Jeremia 50:23, de bijl, die zich beroemde tegen diegene, die daarmee houwt, Hoofdstuk 10:15. B. De vergadering van de doden zal hem welkom heten in hun midden, inzonderheid zij, die wreedaardig door hem daarheen werden voortgejaagd, vers 9, 10. "De hel van onderen was beroerd om uwentwille, om u tegemoet te gaan als gij kwaamt, en om u te begroeten bij uw aankomst in hun duister schrikkelijk gebied." De voornaamsten van de aarde, die, toen zij nog levend waren, door hem in ontzag werden gehouden en hem niet durfden naderen, maar opstonden van hun tronen om zich aan hem over te geven, zullen hem dit nu voor de voeten werpen, als hij komt in de staat des doods, dan zullen zij hem tegemoet gaan, zoals zij plachten te doen als hij zijn openbare intocht hield in steden, waarvan hij zich meester had gemaakt, met zulk een staatsie zal hij ingeleid worden in dit gebied van verschrikking, ten einde zijn schande en pijn zoveel zwaarder en smartelijker voor hem te maken. Zij zullen spottend en honend van hun tronen en zetels aldaar opstaan, en hem vragen of het hem behaagt er op te gaan zitten, zoals hij placht neer te zitten op hun tronen op aarde. Met de schande, die hem dan zal bedekken, zullen zij de spot drijven. "Zijt gij ook ziek, of zwak geworden, zoals wij?" vers 10. Wie zou het gedacht hebben? Gij hebt zelf niet verwacht dat het hier ooit toe zou komen, toen gij ons in alles te sterk waart. Gij, die uzelf gerangschikt hebt onder de onsterflijke goden zijt gij gekomen om uw deel en lot te nemen onder de arme sterflijke mensen? Waar is nu uw pracht en praal, en waar is uw blijdschap en vrolijkheid? Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads!" vers 11, 12. De koning van Babel heeft geschitterd als de morgenster, en hij was in de waan dat hij overal waar hij kwam daglicht meebracht, en is nu zo'n doorluchtige vorst gevallen, is zo'n ster een klomp leem geworden? Is ooit iemand van zo'n hoogte van macht en eer gevallen in zulk een diepte van schande en ellende? Men acht gewoonlijk dat dit een toespeling is om de val van de engelen voor te stellen, die morgensterren geweest zijn Job 38:7. "Maar hoe zijn ze gevallen! Hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen!" en er mee gelijk gemaakt, die de heidenen krenktet. God zal afrekenen met hen, die inbreuk maken op de rechten van de mensheid en haar vrede verstoren, want Hij is Koning van de volken zowel als van de heiligen.
Deze ontvangst van de koning van Babel in de gewesten des doods, welke hier beschreven wordt, is voorzeker wel iets meer dan een speling van het vernuft, maar is bedoeld om deze waarheden uit te spreken:
a. Dat er een onzichtbare wereld is, een wereld van de geesten, waar de zielen van de mensen na de dood heengaan, in welke zij bestaan en handelen in een toestand van afscheiding van het lichaam.
b. Dat afgescheiden zielen elkaar kennen en met elkaar omgaan, hoewel wij geen omgang ermede hebben, de gelijkenis van de rijke man en Lazarus geeft dit te kennen.
c. Dat de dood en de hel in waarheid dood en hel zullen zijn voor hen, die ongeheiligd zijnde, van de hoogte vallen van de pracht en macht en heerlijkheid van deze wereld, en van de volheid van haar genietingen, "Kind gedenk", Lukas 16:25.
C. De toeschouwers zullen verbaasd staan over zijn val. "Als hij in de hel neergestoten zal zijn, aan de zijden van de kuil, om daar zijn plaats te krijgen", vers 15, "dan zullen zij, die hem zien, hem aanschouwen, op hem letten, zij zullen nauwelijks hun eigen ogen geloven", nooit was de dood zo'n grote verandering voor iemand als hij voor deze man is. Is het mogelijk, dat iemand, die enige uren tevoren zo groot scheen, zo fraai was uitgedost, zo omringd was van dienaren en rijksgroten, er nu zo ijzingwekkend en zo verachtelijk uitziet, daar zo naakt en veronachtzaamd nederligt? Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven? Wie zou gedacht hebben dat hij daar ooit toe komen zou? Psalm 82:7.
Eindelijk. Uit dit alles wordt hier een gevolgtrekking afgeleid, vers 20. Het zaad van de boosdoeners zal in eeuwigheid niet genoemd worden. De prinsen van de Babylonische monarch waren allen een zaad van boosdoeners, verdrukkers van het volk van God, en daarom ging deze schande als een erfgoed op hen over. Zij zullen in eeuwigheid niet beroemd of vermaard worden, zo lezen het sommigen, zij kunnen voor een tijd een groot aanzien hebben, maar al hun pracht en staatsie zal hun val slechts schandelijker maken, en er is geen eer op een zondige weg.
II. Het algehele verderf van de koninklijke familie wordt hier voorzegd, tegelijk met de verwoesting van de koninklijke stad.
1. De koninklijke familie zal geheel en al uitgeroeid worden. Aan de Meden en Perzen, die gebruikt zullen worden voor dit werk van de verwoesting en vernietiging, wordt bevel gegeven om, als zij Belsazar gedood zullen hebben de slachting te bereiden voor zijn kinderen, vers 2l, en die niet te sparen, de kindertjes van Babel moeten aan de steenrots verpletterd worden Psalm 137:9. Deze orders klinken zeer hard, maar
a. Zij moeten lijden voor de ongerechtigheid van hun vaders, die dikwijls aan de kinderen bezocht wordt, om te tonen hoezeer God de zonde haat en er misnoegd over is, en de zondaars er van terug te houden, dat het doeleinde is van de straf. Nebukadnezar had Zedekia's zonen gedood, Jeremia 52:10, en om deze ongerechtigheid werd aan zijn zaad in dezelfde munt betaald.
b. Zij moeten thans uitgeroeid worden, opdat zij niet opstaan en de aarde erven en evenveel kwaad doen in hun dagen, als hun vaders in hun dagen gedaan hebben opdat zij niet zo kwellend zullen zijn voor de wereld door steden te bouwen ter ondersteuning van hun tirannie, hetgeen reeds Nimrods staatkunde was, Genesis 10:10, 11, zoals hun voorouders het waren geweest door steden te verwoesten. Farao verdrukte Israël in Egypte door hen steden te laten bouwen, Exodus 1:11. Gods voorzienigheid gaat meer te rade met het welzijn van volkeren, dan wij wel weten of vermoeden, door diegenen af te snijden, die, als zij in het leven waren gebleven, onheil zouden gesticht hebben. Rechtvaardig kunnen de vijanden de kinderen doden, want "Ik zal tegen hen opstaan, spreekt de Heer der heerscharen" vers 22. En als God het openbaart als Zijn wil en bedoeling, dat het geschieden zal, dan kan niemand het verhinderen, en behoeft niemand gewetensbezwaar te hebben om het te bevorderen. Babel was misschien trots op de talrijkheid van de koninklijke familie, maar God had besloten er de naam en het overblijfsel van uit te roeien, zodat er niemand van overgelaten bleef, dat beide de zonen en de kleinzonen van de koning gedood zouden worden, en toch zijn wij er zeker van, dat Hij nooit aan één van Zijn schepselen onrecht gedaan heeft of doen zal.
2. "De koninklijke stad zal gesloopt en verlaten worden", vers 23. "Zij zal door eenzame afzichtelijke vogels, inzonderheid door de roerdomp, de nachtuil en de schuifuil in bezit worden genomen", Hoofdstuk 34:11.n En aldus wordt het algehele verderf van het nieuw- testamentische Babylon voorgesteld, Openbaring 18:2. Zij is geworden een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte. Babel was laag gelegen, zodat, toen de stad verlaten werd en geen zorg werd gedragen om het land te draineren het spoedig in poelen van stilstaand water werd veranderd, even ongezond als onaangenaam en aldus zal God haar met een bezem des verderfs wegvagen. Als een volk niets anders onder zich heeft dan vuil en drek, en niet gereinigd wil worden met de bezem van de hervorming of verbetering, wat kunnen zij dan anders verwachten dan met de bezem des verderfs van de aarde weggevaagd te worden?