Jesaja 34:9-17
Deze profetie heeft een zeer donker aanzien maar zij ziet gewis verder dan naar Edom en Bozra.
1. Zij spreekt van de treurige veranderingen die door de Goddelijke voorzienigheid dikwijls gemaakt worden in landen, steden, paleizen en geslachten, plaatsen, die gebloeid hebben en druk werden bezocht, komen op vreemde, verbazingwekkende wijze in verval. Wij weten de plaatsen niet te vinden, waar grote steden, die in de geschiedenis beroemd waren, gestaan hebben. Vruchtbare landen zijn in de loop van de tijden tot woeste gronden geworden, en prachtige, volkrijke steden zijn in puinhopen veranderd. Oude, vervallen kastelen hebben een afschrikkend aanzien, en hun puinhopen worden thans bijna evenzeer gevreesd als eertijds hun garnizoenen gevreesd werden.
2. Zij spreekt van de verwoestende oordelen, die de uitwerkselen zijn van Gods toorn en de rechtvaardige straf over hen, die vijanden zijn van Zijn volk, en die God hun zal opleggen als het jaar van de verlossing is gekomen, en het jaar der vergeldingen om Zions twistzaak. Zij wier doel het is de kerk te vernietigen, kunnen dat nooit doen, maar zullen onfeilbaar zichzelf in het verderf storten.
3. Zij spreekt van de eindelijke verwoesting van deze boze wereld, die "ten vure bewaard wordt tegen de dag des oordeels", 2 Petrus 3:7. De aarde zelf zal, als zij met al de werken, die daarin zijn verbrand zal worden, misschien in een hel veranderd worden voor hen, die alleen op de dingen van de aarde hun hart gezet hadden hoe dit nu zij, wij zien wat het lot zijn van hen die het geslacht zijn van Gods vloek.
I. Het land zal worden als de zee van Sodom vers 9, 10. De beken, die het land bevochtigden, aangenaam en verfrissend waren voor de inwoners, zullen nu in pek veranderd worden, zullen gestold worden, zullen er zwart uitzien en zeer langzaam of in het geheel niet vloeien. Hun stromen zullen in traag pek veranderd worden, aldus Sir Richard Blackwore. Hun stof zal tot zwavel worden, zo brandbaar heeft de zonde hun land gemaakt dat het in brand zal geraken door het eerste vonkje van Gods toorn, dat er op valt, en als het in brand is, zal het tot brandend pek worden. Het vuur zal algemeen zijn, het zal overal wezen, niet een enkel huis slechts of een enkele stad, zal in brand geraken, maar een geheel land, en het zal in niemands macht wezen om het te blussen, het zal voortdurend branden, branden tot in eeuwigheid, en zal nacht noch dag geblust worden. De pijniging van hen, die in de hel zijn, of die een hel in hun binnenste hebben, in hun eigen geweten, gaat onophoudelijk voort. De rook van hun vuur gaat op tot in eeuwigheid. Zolang als er tergende zondaren zijn op de aarde, van geslacht tot geslacht, een toeneming van zondige mensen, "om de hittigheid van des Heeren toorn te vermeerderen," Numeri 32:14, zal er een rechtvaardig God in de hemel zijn om hen er voor te straffen. En zolang een volk een opvolging van zondaren aanhoudt, zal God een opeenvolging van plagen voor hen hebben, en nooit zal iemand, die valt onder Gods toorn, in staat zijn om zich te herstellen. Men zal bevinden-hoe licht de mensen er ook overmogen denken-dat het vreeslijk is te vallen in de handen van de levenden God. Als het land ten verderve gewijd is, zal niemand er doorgaan. De reizigers zullen liever een grote omweg maken, dan binnen de reuk ervan te komen.
II. De steden zullen worden als oude vermolmde huizen, die door de eigenaars verlaten zijnde, een schrikkelijk aanzien hebben, daar zij gewoonlijk in het bezit zijn van roofdieren en van onheilspellende vogels. Zie hoe akelig de paleizen van de vijand er uitzien. De beschrijving er van is zeer bijzonder sierlijk en treffend.
1. God zal ze tekenen voor het verderf, Hij zal een richtsnoer van de woestheid over Bozra trekken, en een richtlood van de ledigheid, vers 11. Hiermede wordt de billijkheid van het vonnis aangeduid, dat er over uitgesproken is, het is naar de regel van de gerechtigheid, en de nauwkeurigheid, waarmee het voltrokken werd de verwoesting geschiedt niet zo maar in `t wilde, maar naar regel en orde, de verwarring en ledigheid, die over geheel de oppervlakte van het land verspreid zal zijn, zal wezen als die van de gehele aarde, toen zij Tòhoe wavòhoe was diezelfde woorden zijn hier gebruikt, woest en ledig. De zonde zal een provincie spoedig in een chaos veranderen en de schoonheid van geheel de schepping bederven, Genesis 1:2. Als er verwarring is, zal er spoedig leegte zijn, maar beide zijn verordineerd door de bestuurder van de wereld, en in juiste evenredigheid.
2. Hun groten zullen allen gedood zijn, of geen van hen zal voor de dag durven komen, vers 12. Zij zullen de edelen van het koninkrijk roepen, om de moeilijke taak op zich te nemen, die voor hen ligt, maar er zal niemand wezen om de puinhoop onder zijn zorg en hoede te nemen, al hun vorsten, de treurige tijding ontvangen hebbende, zullen niet zijn dat is zullen teniet zijn, zij zullen ten einde raad wezen, niet bij machte om hun enigerlei hulp te verlenen, hen te behoeden en te beschutten tegen het verderf.
III. Zelfs hun statige huizen en vestingen zullen als woestijnen worden, vers 13. Niet alleen gras zal er in groeien, maar doornen zullen in hun paleizen opgaan, netelen en distelen in hun vestingen, en er zal niemand zijn om die uit te roeien of te vertreden. Soms zien wij bouwvallen van huizen, die aldus begroeid zijn met allerlei onkruid. Het geeft te kennen dat de plaats niet slechts onbewoond en onbezocht zal zijn, waar een volledig hof placht gehouden te worden, maar dat zij onder de vloek Gods ligt, want doornen en distelen waren de voortbrengselen van de vloek, Genesis 3:18.
IV. Zij zullen de woonstede en plaats van samenkomst wezen van verschrikkelijke, afzichtelijke dieren en vogelen, die gewoonlijk zulke treurige, woeste plaatsen bezoeken, omdat zij er ongestoord verblijf kunnen houden, en als zij daarhenen geschrikt worden, dan dragen zij er toe bij om de mensen ervan weg te schrikken. Over deze bijzonderheid van de verwoesting, die zo geschikt is om vrees en ontsteltenis op te wekken in de mens, wordt hier zeer uitgeweid, vers 11. De roerdomp zal het erfelijk bezitten, die gaarne op eenzame plaatsen is Psalm 102:7, en de nachtuil, die afschuwelijke geluiden maakt, de uil, een treurige vogel, de raaf, een roofvogel, aangelokt door de dode lichamen, zullen daar wonen. al de onreine vogels, die niet ten dienste waren van de mens, vers 13. Het zal een woning van de draken zijn, die giftig en dus schadelijk zijn. Hetgeen een hof was voor vorsten, zal nu een hof wezen voor uilen en struisvogels, vers 14. De wilde dieren van de woestijnen, van de droge landstreken, zullen als bij afspraak, de wilde dieren van de eilanden van de vochtige moerassige streken, daar ontmoeten en zij zullen zich verlustigen in de volkomen woestheid, die zij daar zullen vinden. De duivel zal zijn metgezel toeroepen om met hem te gaan naar deze woeste plaats, daar zijnde, zullen zij zich verheugen zo'n aangename woonstede te hebben gevonden. Daar zal de nachtuil, een onheilspellende nachtvogel, rusten, de wilde merel zal daar haar nest maken, vers 15, leggen en haar jongen uitbikken, of uitbroeden, het gebroed er van zal in wezen gehouden worden, om erfgenamen te bezorgen voor die eenzame, woeste plaatsen, de gieren, die azen op dode lichamen, zullen aldaar met elkaar verzameld worden. Merk nu op: 1. Hoe de plaatsen, die door de mensen werden verlaten, en waarvan zij zich op een afstand houden, geschikte plaatsen zijn voor dieren, voor welke Gods voorzienigheid zorg draagt, en die zij niet zal veronachtzamen.
2. Op wie zij gelijken, die nors, ongezellig en ongenaakbaar zijn, zich in treurige neerslachtigheid terugtrekken in sombere eenzaamheid, zij zijn als deze eenzame schepselen, die zich verlustigen in woestheid.
3. Welk een akelige verandering teweeggebracht wordt door de zonde, zij verandert een vruchtbaar land in onvruchtbaarheid, een drukbezochte stad in een woestijn.
V. Hier wordt een verzekering gegeven van de volkomen vervulling van deze voorzegging zelfs tot in de kleinste bijzonderheden ervan, vers 16 17:"Zoekt in het boek des Heeren en leest. Als dit verderf komt, vergelijkt dan de gebeurtenis met de voorzegging, en gij zult bevinden dat zij er nauwkeurig mee overeenkomt." Het boek van de profeten is het boek des Heeren (en wij behoren het te raadplegen en er mee te spreken), dat het gezag heeft van een Goddelijken oorsprong, wij moeten het niet alleen lezen, maar erin zoeken, ons eerst naar de ene tekst wenden, en dan naar een anderen, en ze met elkaar vergelijken. Zeer veel nuttige kennis zou door zo'n onderzoeken van de Schriften verkregen worden welke niet door een oppervlakkige lezing verkregen kan worden. Als gij de voorzegging uit het boek des Heeren gelezen hebt, merk dan op:
1. Dat gij overeenkomstig hetgeen gij gelezen hebt, ziet, niet een van deze zal er feilen, noch dier, noch vogel, en daar voorzegd is dat zij het zullen bezitten van geslacht tot geslacht en te dien einde de soort voortgeplant moet worden, zullen de paren in wezen blijven, deze tekenen van verwoesting zullen vruchtbaar zich en zich vermenigvuldigen en het land vervullen.
2. Dat Gods mond deze ontzettende monstering geboden hebbende, Zijn Geest ze tesamen zal brengen, zoals de dieren door instinct tot Adam vergaderd werden om namen te krijgen en tot Noach om in de ark gehuisvest te worden. Wat Gods woord bepaald heeft, zal door Zijn Geest ten uitvoer worden gebracht, want geen woord van God zal ter aarde vallen. Evenzo zal het woord van Gods belofte vervuld worden door de werkingen van Zijn Geest.
3. Dat er een juiste orde en evenredigheid in acht is genomen in de vervulling van de bedreiging. Hij heeft het lot geworpen voor deze dieren en vogels, zodat ieder van hen zijn plaats zal kennen, alsof zij door een meetsnoer was aangewezen. Zie hetzelfde in Joël 2:7, 8. "Zij zullen hun rangen niet verbreken, en zij zullen elkaar niet dringen." De waarzeggers onder de heidenen voorspelden de gebeurtenissen naar de vlucht van de vogels, alsof het lot van de mensen van hen afhing: maar hier bevinden wij dat de vlucht van de vogels onder het bestuur is van de God van Israël, Hij heeft het lot voor hen verworpen.
4. Dat de verwoesting voortduren zal, tot in eeuwigheid zullen zo dat erfelijk bezitten. Gods Jeruzalem kan in puin worden geworpen kan wijken voor het Evangelie-Jeruzalem, dat nedergeworpen kan zijn, maar weer opgebouwd zal worden en voortduren zal, totdat het wijkt voor het hemelse Jeruzalem. Maar de vijanden van de kerk zullen verwoest zijn tot in eeuwigheid zullen met een eeuwige verwoesting worden gestraft.