Mattheus 5:3-12
Christus begint Zijne leerrede met zaligsprekingen, of zegeningen, want Hij is in de wereld gekomen om ons te zegenen, Handelingen 3:26, als de grote Hogepriester onzer belijdenis, als de gezegende Melchizedek, als Hij, in wie al de geslachten der aarde gezegend zullen worden, Genesis 12:3. Hij is gekomen, niet slechts om zegeningen voor ons te verkrijgen, maar om zegeningen over ons uit te storten en uit te spreken, en hier doet Hij dit als machthebbende, als Degene, die den zegen kan gebieden en het leven tot in der eeuwigheid, en dat is de zegen, die hier telkens en nogmaals beloofd is aan de goeden. Zijne zaligspreking van hen maakt hen zalig, want die door Hem gezegend worden, zijn waarlijk gezegend. Het Oude Testament eindigde met een vloek, Maleachi 4:6, het Evangelie begint met een zegen, want hiertoe zijn wij geroepen, dat wij de zegening zullen beërven. Ieder der zegeningen, die Christus hier uitspreekt, heeft ene dubbele bedoeling:
I. Aan te tonen wie zij zijn, die gerekend worden waarlijk gelukkig te zijn, en wat hun aard of karakter is.
II. Waar het wezenlijke geluk in bestaat, in de beloften, gedaan aan personen van ene zekere hoedanigheid, en waarvan de vervulling hen gelukkig zal maken. Nu is dit:
1. Bestemd om de verderfelijke dwalingen ener blinde en vleselijk gezinde wereld te rectificeren. Zaligheid, of geluk, is hetgeen de mensen voorgeven te zoeken, na te jagen, Wie zal ons het goede doen zien? Psalm 4:7. Maar de meesten vergissen zich in het doeleinde, en dan is het geen wonder, dat zij den weg missen, zij verkiezen hun eigene zinsbegoochelingen, en strekken hun begeerte uit naar ene schaduw. De algemene denkwijze is: Zalig zijn de rijken, de groten, de geëerden in de wereld, die hun dagen doorbrengen in vrolijkheid, en hun jaren in vermaak, die het vette eten, en het zoete drinken, en zich van alles meester maken, terwijl ieders schoof zich buigt voor hun schoof, zalig zijn zij, die zich in zulk een toestand bevinden, en hun plannen en bedoelingen zijn daarnaar geregeld, zij zegenen den gierigaard, Psalm 10:3, zij willen rijk zijn. Nu is onze Heere Jezus gekomen om deze gronddwaling weg te nemen, een nieuwe veronderstelling aan te bieden, ons een gans ander denkbeeld te geven van zaligheid, of geluk, en gelukkige mensen, dat, hoe paradoxaal het ook moge toeschijnen aan mensen, die bevooroordeeld zijn, toch in zichzelf, en voor allen, die zaligmakend verlicht zijn, ook toeschijnt de regel te wezen, en de leerstelling der eeuwige waarheid en zekerheid, waarnaar wij weldra geoordeeld moeten worden. Indien dit dus het begin is van Christus' leer, dan moet het begin van des Christens praktijk zijn om die grondbeginselen tot maatstaf te stellen van geluk, en daarnaar zijn streven te richten.
2. Het is bedoeld om de mismoedigheid weg te nemen van de zwakken en armen, die het Evangelie aannemen, door hun te verzekeren, dat Zijn Evangelie, niet slechts hen gelukkig maakt, die uitmunten in gaven van vertroosting en in nuttigheid voor anderen, maar dat zelfs de minsten in het koninkrijk der hemelen, wier hart oprecht is voor God, gelukkig zijn in de eer en de voorrechten van dat koninkrijk.
3. Het is bestemd om zielen tot Christus te nodigen en een weg te bereiden voor Zijne wet in hun hart. Dat Christus deze zegeningen uitsprak, niet aan het einde van Zijne rede, om het volk weg te zenden, maar aan het begin, om hen te bereiden voor hetgeen Hij hun verder te zeggen had, kan ons herinneren aan den berg Gerizim en den berg Ebal, op welke de zegeningen en den vloek der wet gelezen werden, Deuteronomium 27:12, enz. Dáár werden de vervloekingen uitgedrukt, en de zegeningen slechts aangeduid, hier zijn de zegeningen uitgedrukt, en de vervloekingen slechts te verstaan gegeven: in beide zijn ons leven en dood voorgesteld, maar de wet scheen eerder ene bediening van dood, om ons af te houden van zonde, het Evangelie ene bedeling van leven, om ons tot Christus te lokken, in wie alleen alle goed te verkrijgen is. En zij, die de genaderijke genezingen hadden gezien, gewrocht door Zijne hand, Hoofdstuk 4:23, 24, en nu de genaderijke woorden hoorden, die uit Zijn mond kwamen, zouden zeggen, dat het alles van ene zelfde hoedanigheid was, de hoedanigheid van liefde en liefelijkheid.
4. Het is bestemd om de voorwaarden op te sommen en vast te stellen van het verdrag tussen God en den mens. Het doel van de Goddelijke openbaring is ons te doen weten wat God van ons verwacht, en wat wij dan kunnen verwachten van Hem, en nergens is dit in weinige woorden vollediger voorgesteld dan hier, of met ene nauwkeuriger verwijzing naar elkaar. En dit is het Evangelie, dat wij moeten geloven, immers, wat is geloof anders dan ene gelijkvormigheid met deze karakters, en een afhankelijk zijn van deze beloften? Hier is de weg tot de gelukzaligheid geopend en tot een heirbaan gemaakt, Jesaja 35:8 en dit nu komende uit den mond van Jezus Christus, wordt hiermede te kennen gegeven, dat wij van Hem en door Hem het zaad zullen ontvangen en de vrucht, zowel de vereiste genade als de beloofde heerlijkheid. Niets gaat er om tussen God en een gevallen mens dan door Zijne tussenkomst. Sommigen van de wijzere Heidenen hadden denkbeelden omtrent zaligheid, die verschillend waren van die van de overige mensheid, en zagen daarvoor uit naar onzen Zaligmaker. Als Seneca het onderneemt een zalig mens te beschrijven, komt hij tot de ontdekking, dat het slechts een eerlijk, goed man is, die aldus genoemd kan worden: De vita beata, cap. 4. Cui nullum bonum malumque sit, nisi bonus malusque animus -quem nec extollant fortuita, nec frangant -Cui vere voluptas erit voluptatum contemptio -Cui unum bonum honestas, unum malum turpitudo. In wiens schatting niets goed of kwaad is, dan een goed of een boos hart. -Dien geen voorval verheft of neerdrukt -Wiens waar vermaak bestaat in ene verachting van het vermaak. Voor wie deugd het enige goed, en ondeugd het enige kwaad is. Onze Heiland stelt ons hier acht zalige of gezegende mensen voor, die ons de voornaamste genadegaven eens Christens doen zien. Over ieder hunner is een tegenwoordige zegen uitgesproken. Zalig, of gezegend zijn zij, en aan ieder is ene toekomstige gelukzaligheid beloofd, die verschillend is uitgedrukt, zodat zij voegt bij de hoedanigheid, of den plicht, die aangeprezen wordt. Vragen wij dus: wie zijn zalig? het antwoord luidt:
I. De armen van geest zijn zalig, vers 3. Er is ene armoede van geest, die er zo ver vandaan is om de mensen zalig te maken, dat zij integendeel, ene zonde is en een strik-laf hartigheid en lage vrees, en ene gewillige onderworpenheid aan de lusten en begeerlijkheden van mensen. Maar deze armoede van geest is ene Godzalige gemoedsgesteldheid, waardoor wij ontledigd worden van ons zelven, ten einde vervuld te worden van Jezus Christus. Arm van geest te zijn is
1. Tevreden arm te wezen, gewillig om ontbloot te zijn van wereldsen rijkdom, indien God aldus ons lot beschikt, ons gemoed in overeenstemming te brengen met onzen staat, of toestand, als die staat of toestand nederig, onaanzienlijk is. Velen zijn arm in de wereld, maar hoog van gemoed, arm en hoogmoedig, murmurerend en klagend, ontevreden met hun lot, maar wij behoren ons te schikken naar onze armoede, weten vernederd te worden, Filippenzen 4:12. Gods wijsheid erkennende in Zijne beschikking van armoede voor ons, moeten wij er ongedwongen in zijn, er geduldig de ongelegenheid, het ongemak van dragen, dankbaar zijn voor hetgeen wij hebben, en van hetgeen er is, zo veel mogelijk partij weten te trekken. Het is los te zijn van allen aardsen rijkdom, en er ons hart niet op te stellen, maar goedsmoeds het verlies en de teleurstellingen te dragen, die ons in onzen voorspoedigsten staat ten deel kunnen vallen. Het is niet ons in hoogmoed en valsen schijn arm te maken door weg te werpen wat God ons heeft gegeven, zoals inzonderheid diegenen in de kerk van Rome doen, die de gelofte afleggen van armoede, maar zich meester maken van den rijkdom van volken. Maar zo wij rijk zijn in de wereld, moeten wij arm zijn van geest, dat is: wij moeten ons neerbuigen tot de armen en medegevoel met hen hebben, getroffen, of aangedaan zijnde door het gevoel hunner zwakheid, wij moeten armoede verwachten, en er op voorbereid wezen, wij moeten er niet bovenmate bevreesd voor zijn, maar haar welkom heten, inzonderheid, wanneer zij ons deel wordt om ene goede consciëntie te kunnen bewaren, Hebr, 10:34. Job was arm van geest, toen hij God loofde in Zijn wegnemen, zowel als in Zijn geven.
2. Het is ootmoedig en nederig te zijn in onze eigene ogen, het is gering over ons zelven te denken, over hetgeen wij zijn, en hebben, en doen. In het Oude Testament worden de armen dikwijls genomen voor de nederigen en die zich zelven verloochenen, in tegenstelling met hen, die op hun gemak zijn, en de hoogmoedigen. Het is in onze eigene schatting als kleine kinderen te wezen, zwak, dwaas en onbeduidend, Hoofdstuk 18:4, 19:14. Laodicea was arm in hetgeen geestelijk is, ellendig en erbarmelijk arm, en toch rijk van geest, zo verrijkt, dat zij aan geen ding gebrek had. Openbaring 3:17. En van den anderen kant! Paulus was rijk in geestelijk goed, de meesten overtreffende in gaven en in genade, maar toch was hij arm van geest, de minste der apostelen, de allerminste van de heiligen, en in zijne eigene schatting niets. Het is met ene heilige minachting neer te zien op ons zelven, anderen te waarderen, ons zelven te onderschatten in vergelijking met hen. Het is gewillig te zijn om ons gering en klein te maken, ten einde goed te doen en allen alles te worden. Het is te erkennen, dat God groot is, en wij gering, dat Hij heilig is, en wij zondig zijn, dat Hij alles is, en wij niets zijn, minder dan niets, en ons voor Hem en onder Zijne machtige hand te verootmoedigen.
3. Het is af te komen van ons betrouwen in onze eigene gerechtigheid en kracht, teneinde voor onze rechtvaardigmaking slechts te steunen op de verdienste van Christus, en den geest en de genade van Christus voor onze heiligmaking. Het gebroken en verslagen hart, waarmee de tollenaar als een arm zondaar om genade riep, dat is dit arm van geest zijn. Wij moeten ons zelven arm noemen, omdat wij immer Gods genade behoeven, altijd bedelen aan Gods deur.
a. Dit arm van geest zijn wordt het eerst onder de Christelijke genadegaven vermeld. De filosofen hebben nederigheid niet tot hun zedelijke deugden gerekend, maar Christus plaatst haar vooraan. Zelfverloochening is de eerste les, die in Zijne school geleerd wordt, en arm van geest te zijn gaf recht op de eerste zaligspreking. De grond voor alle andere genadegaven is gelegd in ootmoed. Zij, die hoog willen bouwen, moeten laag beginnen, en het is ene voortreffelijke toebereiding voor het inkomen van Evangelie-genade in de ziel, zij maakt den bodem geschikt om het zaad te ontvangen. Zij, die vermoeid en belast zijn, zijn de armen van geest, en zij zullen bij Christus rust vinden.
b. Zij zijn zalig. Zij zijn het thans, in deze wereld. God ziet genadiglijk op hen neer. Zij zijn Zijne kleinen, en hebben hun engelen. Aan hen geeft Hij meer genade, zij leiden het troostrijkste leven, zijn rustig en kalm, terwijl mensen van een hogen geest nooit rust smaken. c. Hunner is het koninkrijk der hemelen. Uit dezulken bestaat het rijk der genade, zij allen zijn geschikt om leden te wezen van Christus' kerk, die de vergadering der armen genoemd wordt, Psalm 74:19, het koninkrijk der heerlijkheid is voor hen bereid. Zij, die zich aldus zelven verootmoedigen en met God instemmen, als Hij hen verootmoedigt, zullen aldus verhoogd worden. De grote, hoge geesten gaan heen met de heerlijkheid van de koninkrijken der aarde, maar de nederigen, de zachtmoedige zielen verkrijgen de heerlijkheid van het koninkrijk der hemelen. Van de rijken, die met hun rijkdom goed doen, denken zij geredelijk, dat ongetwijfeld hunner het koninkrijk der hemelen is, want zij kunnen aldus een goed pand wegleggen voor de toekomst, maar wat zullen de armen doen, die niet hebben om er goed mede te doen? Welnu, de zelfde zaligheid is beloofd aan hen, die tevreden arm zijn, als aan hen, die nuttig rijk zijn. Indien ik niet in staat ben blijmoedig om Zijnentwil de kosten te doen, indien ik om Zijnentwil slechts blijmoedig gebrek kan lijden, dan zal ook dit beloond worden. En dienen wij dan niet een goeden Meester?
II. Die treuren zijn zalig, vers 4. Zalig zijn, die treuren. Wederom een vreemde zaligspreking, die zeer gepast op de vorige volgt. De armen zijn gewoon te treuren, de Godvruchtige armen treuren op Godvruchtige wijze. Wij zijn geneigd te denken: Zalig zijn de vrolijken, maar Christus, die zelf een groot treurende was, zegt: Zalig zijn de treurenden. Er is een zondig treuren, dat een vijand is van zaligheid, de droefheid dezer wereld, vertwijfelende droefgeestigheid ten opzichte van geestelijke dingen, en ontroostbare smart wegens wereldse zaken. Er is een natuurlijk treuren, dat de vriend kan blijken te zijn der zaligheid, doordat Gods genade er in werkt, en de beproeving aan ons heiligt, over welke wij treuren. Maar er is een Godvruchtig treuren, hetwelk bekwaam maakt tot zaligheid, een blijvende ernst, als de geest aan alle vrolijkheid als gestorven is, en ene wezenlijke smart.
1. Een boetvaardig treuren om onze eigene zonden, dit is ene droefheid naar God, droefheid om de zonde met het oog op Christus, Zacheria 12:10. Het zijn Gods treurenden, die een leven van boetvaardigheid leiden, die treuren over het bederf hunner natuur, en hun vele werkelijke overtredingen, en het zich terugtrekken van God van hen, en die ook om der wille van de ere Gods treuren vanwege de zonden van anderen, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen. Ezechiël 9:4.
2. Een meevoelend treuren om de beproevingen van anderen, het treuren van hen, die wenen met de wenenden, de bedroefden om der bijeenkomst wil, om de verwoestingen van Zion, Habakuk 3:18, Psalm 137:1, inzonderheid die met erbarmen neerzien op zielen, die omkomen, en over ze wenen, zoals Christus over Jeruzalem. Nu zijn deze Godvruchtige treurenden:
a. Zalig. Evenals in ijdel en in zondig lachen het hart smart zal hebben, zo heeft in een Godvruchtig treuren het hart ene ernstige blijdschap, ene verborgene voldoening, waarmee een vreemde zich niet vermengt. Zij zijn zalig, want zij zijn gelijk de Heere Jezus, die een Man van smarten was, en van wie wij niet lezen, dat Hij gelachen heeft, maar, wel, dat Hij dikwijls heeft geweend. Zij zijn gewapend tegen de velerlei verzoekingen, waarmee ijdele vrolijkheid gepaard gaat, en zijn bereid voor de vertroostingen van ene verzegelde vergiffenis en een gevestigden vrede.
b. Zij zullen vertroost worden. Hoewel zij wellicht niet dadelijk vertroost worden, er is toch overvloedig in hun vertroosting voorzien, licht is voor hen gezaaid, en het is zeker, dat zij in den hemel vertroost zullen worden, zoals Lazarus. Lukas 16:25. De zaligheid in den hemel bestaat in het volkomen en eeuwig vertroost zijn, en in het afwissen van alle tranen van hun ogen. Het is de blijdschap onzes Heeren, ene verzadiging der vreugde, liefelijkheden, eeuwiglijk, die dubbel liefelijk zullen zijn aan hen, die er door deze droefheid naar God toe bereid werden. De hemel zal waarlijk de hemel zijn voor hen, die er treurende heengaan, het zal een oogst van blijdschap wezen, de vergelding voor een zaaitijd van tranen, Psalm 126:5, 6, een berg van vreugde, waarheen onze weg door een tranendal heengaat, zie Jesaja 66:10.
III. De zachtmoedigen zijn zalig, vers 5, Zalig zijn de zachtmoedigen. De zachtmoedigen zijn zij, die zich rustig onderwerpen aan God, aan Zijn woord, aan Zijne roede, die Zijne aanwijzingen volgen, en instemmen met Zijne voornemens en bedoelingen, en die zachtmoedigheid bewijzen jegens alle mensen, Titus 3:2, die terging kunnen verdragen zonder er door ontstoken te worden, of zwijgen, of een zacht antwoord geven, en die, als de gelegenheid zich voordoet, hun ongenoegen kunnen tonen zonder tot onbetamelijkheid over te slaan, die koel kunnen blijven, terwijl anderen branden, en hun ziel bezitten in hun lijdzaamheid, als zij nauwelijks van iets anders in het bezit kunnen blijven. Zij zijn de zachtmoedigen, die nauwelijks verbitterd kunnen worden, maar snel en gemakkelijk tevreden kunnen worden gesteld, en die liever twintig beledigingen vergeven, dan zich over ene te wreken, daar zij de heerschappij hebben over hun geest. Deze zachtmoedigen worden hier voorgesteld als zalig, zelfs in deze wereld.
1. Zij zijn zalig, want zij zijn gelijk de zalige Jezus in datgene, waarin zij zeer bijzonder van Hem te leren hebben, Hoofdstuk 11:29. Zij zijn zalig, want zij hebben de liefelijkste, ongestoordste genieting van zich zelven, van hun vrienden, van hun God, zij zijn geschikt voor elke verwantschap, elke toestand, ieder gezelschap, geschikt om te leven, en geschikt om te sterven.
2. Zij zullen het aardrijk beërven, dat is aangehaald uit Psalm 37:11, en het is schier de enige bepaald tijdelijke belofte in geheel het Nieuwe Testament. Niet dat zij altijd veel van de aarde zullen hebben, en nog veel minder dat zij slechts hiermede weggezonden zullen worden, maar dit deel der Godzaligheid heeft op zeer bijzondere wijze, de belofte des tegenwoordigen levens. Zachtmoedigheid, hoe ook bespot, heeft ene wezenlijke strekking om onze gezondheid te bevorderen, onze welvaart, ons gemak en genoegen, en onze veiligheid, zelfs in deze wereld. Men heeft opgemerkt dat, vergeleken met gemelijke en onstuimige mensen, de zachtmoedigen en rustigen het gemakkelijkste leven leiden. Of, zij zullen het land beërven (zoals men ook kan lezen) het land Kanaän, een type van den hemel. Zodat al de zaligheid van den hemel boven, en al de zegeningen van de aarde beneden, het deel zijn van de zachtmoedigen.
IV. Die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid zijn zalig, vers 6. Sommigen verstaan dit als nog een nader voorbeeld van uitwendige armoede, en een lagen staat in deze wereld, die de mensen niet slechts blootstelt aan schade en onrecht, maar het tot ene ijdele zaak voor hen maakt om te beproeven, dat hun recht gedaan wordt. Zij hongeren en dorsten er naar, maar zo groot is de macht van hun verdrukkers, dat zij haar niet kunnen verkrijgen. Zij begeren slechts wat recht en billijk is, maar het wordt hun geweigerd door hen, die God niet vrezen en geen mens ontzien. Dat is een droevig geval! Maar toch zijn zij zalig, als zij dit lijden, om den wille van, en met, een goed geweten. Laten zij hopen op God, die hun toch recht zal laten wedervaren, en de armen verlossen zal van die hen verdrukken. Psalm 103:6. Zij, die vreedzaam verdrukking lijden, en rustig hun zaak overgeven aan God, zullen ter bestemder tijd voldoening smaken, overvloedige voldoening in de wijsheid en vriendelijkheid, die geopenbaard zullen worden in Zijne verschijningen voor hen. Maar het moet voorzeker geestelijk verstaan worden voor zodanig ene begeerte, die het werk is van Gods genade in de ziel, en haar bereidt voor de gaven der Goddelijke gunst.
Gerechtigheid is hier genomen voor alle geestelijke zegeningen, zie Psalm 24:5, Hoofdstuk 6:33. Zij zijn ons verkregen door de gerechtigheid van Christus, overgedragen en verzekerd door de toerekening aan ons van die gerechtigheid, en bevestigd door de getrouwheid Gods. Dat Christus ons gemaakt is tot gerechtigheid, en wij in Hem tot gerechtigheid Gods gemaakt worden, den gehelen mens vernieuwd te hebben in gerechtigheid, zodat wij nieuwe mensen worden, en het beeld Gods dragen, deel te hebben aan Christus en de beloften- dat is gerechtigheid. Daarnaar moeten wij hongeren en dorsten. Wij moeten haar waarlijk en wezenlijk begeren, zoals iemand, wie hongert en dorst, spijs en drank begeert, die met niets anders dan met spijs en drank tevreden kan zijn, en er mede tevreden zal zijn, al ontbreken hem dan ook alle andere dingen. Onze begeerten naar geestelijke zegeningen moeten vurig en dringend zijn: Geef mij dezen of ik sterf , al het andere is slechts schuim en kaf, die niet verzadigen, geef mij dezen, en ik heb genoeg, al had ik dan ook niets anders." Honger en dorst zijn begeerten, die dikwijls terugkeren, en opnieuw bevredigd moeten worden, en zo zullen deze heilige begeerten niet rusten in hetgeen verkregen is, zij gaan uit naar vernieuwde vergeving, en dagelijkse voorziening van genade. De levendgemaakte ziel roept om voortdurende maaltijden van gerechtigheid, genade om het werk van iedere dag op deszelfs dag te verrichten, even nauwkeurig en gezet als het levende lichaam om voedsel roept. Zij, die hongeren en dorsten, zullen arbeiden om voorraad van spijs, en zo moeten wij niet slechts geestelijke zegeningen begeren, maar er moeite voor doen in het gebruik der aangewezene middelen. In zijn praktische Catechismus onderscheidt men tussen honger en dorst. Honger is ene begeerte naar voedsel om te onderhouden, zodanig is heiligmakende gerechtigheid. Dorst is de begeerte naar drank om te verkwikken en te verfrissen, zodanig is de rechtvaardig makende gerechtigheid, en de bewustheid onzer genade. Zij, die aldus hongeren en dorsten naar geestelijke zegeningen, zijn zalig in die begeerten, en zij zullen met die zegeningen verzadigd worden.
a. Zij zijn zalig in die begeerten. Ofschoon alle begeerten naar genade gene genade zijn, (geveinsde begeerten zijn het niet), is zulk ene begeerte het wèl. Het is een blijk van iets goeds, en ene voorproef, of onderpand, van iets beters. Het is ene begeerte, die God zelf verwekt heeft, en Hij zal het werk Zijner handen niet laten varen. Naar iets zal de ziel hongeren en dorsten, naar dit of naar dat, daarom zijn zij zalig, die de rechte zaak op het oog hebben in hun hongeren en dorsten, de zaak, die verzadigt, maar niet bedriegt of teleurstelt, en die niet hijgen naar het stof der aarde, Amos 2:7, Jesaja 55:2. Zij zullen met deze zegeningen verzadigd worden. God zal hun ter hunner volkomen verzadiging hun begeerte geven. Het is God alleen, die de ziel kan verzadigen, wier genade en gunst evenredig zijn aan hare rechte begeerten, en Hij zal diegenen vervullen met genade voor genade, die in het besef hunner eigene ledigheid, de toevlucht nemen tot Zijne volheid. Hij vervult de hongerigen, Lukas 1:53, Jeremia 31:25. De gelukzaligheid van den hemel zal voorzeker de ziel vervullen, hun gerechtigheid zal volkomen zijn, de gunst van God en Zijn beeld in algehele volkomenheid.
V. De barmhartigen zijn zalig, vers 7. Dit is, gelijk de overigen, een paradox, want de barmhartigen worden niet voor de wijsten gehouden, en zullen ook waarschijnlijk niet tot de rijksten behoren, toch spreekt Christus hen zalig. De barmhartigen zijn zij, die Godvruchtig en liefderijk geneigd zijn tot medelijden jegens, en hulp aan, mensen, die zich in nood en ellende bevinden. Iemand kan in waarheid barmhartig zijn, die toch de middelen niet heeft om milddadig of vrijgevig te zijn, en in dat geval neemt God het gewillige hart aan. Wij moeten niet slechts onze eigene beproevingen geduldig verdragen, maar door ons Christelijk medegevoel delen in de beproevingen onzer broederen, er moet medelijden betoond worden, Job 6:14 innerlijke bewegingen der barmhartigheden aangedaan worden (Colossenzen 3:12), en, aangedaan zijnde, moeten zij ons doen uitgaan om zoveel wij kunnen bij te dragen tot ondersteuning van hen, die in nood en ellende zijn. Wij moeten mededogen hebben met de zielen van anderen, en ze helpen, medelijden hebben met de onwetenden, en hen onderwijzen, met de zorgelozen en hen waarschuwen, met hen, die zich in een toestand van zonde bevinden, en hen er uit wegrukken, als een vuurbrand uit het vuur. Wij moeten medelijden hebben met hen, die droefgeestig zijn en smart hebben, en hen vertroosten, Job 16:5, met hen, tegenover wie wij in het voordeel zijn, en niet hard of streng jegens hen zijn, met hen, die gebrek hebben, en in hun behoefte voorzien, want wat wij ook mogen zeggen of voorgeven, indien wij dit weigerden te doen, dan zouden wij ons hart toesluiten Jakobus 2:15, 16, 1 Johannes 3:17. Open uwe ziel door uw brood mede te delen aan den hongerige, Jesaja 58:7, 10. Wat nu aangaat de barmhartigen:
1. Zij zijn zalig: dit werd gezegd in het Oude Testament: Welgelukzalig is hij, die verschonend is voor de armen, Psalm 41:1. Hierin zijn zij Gode gelijkvormig, wiens goedheid Zijne heerlijkheid is. Door barmhartig te zijn, gelijk Hij barmhartig is, zijn wij in onze mate, volmaakt, gelijk Hij volmaakt is. Het is een blijk van liefde tot God, het zal ene voldoening zijn voor ons zelven, om op enigerlei wijze tot nut en voordeel van anderen te kunnen dienen. In dit woord: Zalig zijn de barmhartigen, ligt ook opgesloten het gezegde van Christus, dat wij anders niet in de Evangeliën vinden, Het is zaliger te geven dan te ontvangen, Handelingen 20:35.
2. Hun zal barmhartigheid geschieden, barmhartigheid van mensen, als zij haar behoeven, die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen geworden, (wij weten niet hoe spoedig wij zelf behoefte zullen hebben aan vriendelijkheid, en daarom moeten wij vriendelijk zijn), maar inzonderheid barmhartigheid van God want bij den goedertierene houdt Hij zich goedertieren, Psalm 18:26. De barmhartigste en liefderijkste kan nog geen aanspraak maken op verdienste hij moet de toevlucht nemen tot genade en ontferming. De barmhartige zal bij God sparende genade vinden, Hoofdstuk 6:14, vergeldende genade, Prediker 19:17, ondersteunende genade, Psalm 41:2, barmhartigheid in dien dag, 2 Timotheus 1:18 :ja zij zullen het koninkrijk beërven, dat hun bereid is, Hoofdstuk 25:34, 35, terwijl diegenen, die gene barmhartigheid betoond hebben, het oordeel zullen hebben zonder barmhartigheid, (dat niets minder kan zijn dan het helse vuur).
VI. De reinen van hart zijn zalig, vers 8, Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien. Dit is de veelomvattendste van al de zaligsprekingen, hier zijn heiligheid en gelukzaligheid volledig beschreven, en samengevoegd.
1. Hier is de meest omvattende hoedanigheid aangeduid van de zaligen, zij zijn rein van hart. De ware godsdienst bestaat in hartereinheid. Zij, die innerlijk rein zijn, betonen zich onder de macht te wezen van den zuiveren en onvervalsten Godsdienst. Het ware Christendom ligt in het hart, in de reinheid van hart, het wassen van het hart van boosheid, Jeremia 4:14. Wij moeten tot God opheffen, niet alleen reine handen, maar een rein hart, Psalm 24:4, 5, 1 Timotheus 1:5. Het hart moet rein, of zuiver zijn, in tegenstelling met een mengsel -een eerlijk hart, dat goed doelt, en rein, in tegenstelling met bevlekking en verontreiniging, zoals wijn, onvermengd en niet troebel. Het hart moet rein gehouden worden van vleselijke lusten, van alle onkuise gedachten en begeerten, en van wereldse lusten. Begeerlijkheid wordt vuil gewin genoemd, van onreinheid van het vlees en van den geest, van alles wat voortkomt uit het hart, en den mens verontreinigt. Het hart moet gereinigd worden door geloof, en volkomen zijn voor God, moet als ene reine maagd bewaard en Christus voorgesteld worden. Schep in mij zulk een rein hart, o God!
2. Hier is de meest omvattende vertroosting van de zaligen, zij zullen God zien.
a. Het is de vervolmaking van de zaligheid der ziel, om God te zien, Hem te zien, zoals wij dit door het geloof ook in onzen tegenwoordigen staat kunnen, is een hemel op aarde, en Hem te zien, zoals wij het zullen in den toekomenden staat, is de hemel van den hemel. Hem te zien, gelijk Hij is, van aangezicht tot aangezicht, en niet langer door een spiegel in ene duistere rede, Hem te zien als den onze, Hem te zien en te genieten, Hem te zien en Hem gelijkvormig te zijn, en met dat beeld verzadigd te worden, Psalm 17:15, en Hem te zien voor eeuwig, en Hem nooit uit het gezicht te verliezen, dat is de gelukzaligheid des hemels.
b. De zaligheid van God te zien is beloofd aan hen, en aan hen alleen, die rein van hart zijn. Gene anderen dan de reinen zijn in staat God te zien, en voor de onreinen zou het ook gene zaligheid zijn. Welk een genot zou ene ongeheiligde ziel kunnen smaken in het zien van een heilig God? Gelijk Hij het niet kan verdragen hun ongerechtigheden te zien, zo kunnen zij het niet dragen Zijne reinheid te zien, ook zal niets dat onrein is in het nieuwe Jeruzalem inkomen, maar in allen, die rein van hart zijn, in allen, die waarlijk geheiligd zijn, worden begeerten gewerkt, die door niets anders dan het zien van God bevredigd kunnen worden, en de Goddelijke genade zal die begeerten niet onbevredigd laten.
1. Een boetvaardig treuren om onze eigene zonden, dit is ene droefheid naar God, droefheid om de zonde met het oog op Christus, Zacheria 12:10. Het zijn Gods treurenden, die een leven van boetvaardigheid leiden, die treuren over het bederf hunner natuur, en hun vele werkelijke overtredingen, en het zich terugtrekken van God van hen, en die ook om der wille van de ere Gods treuren vanwege de zonden van anderen, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen. Ezechiël 9:4.
2. Een meevoelend treuren om de beproevingen van anderen, het treuren van hen, die wenen met de wenenden, de bedroefden om der bijeenkomst wil, om de verwoestingen van Zion, Habakuk 3:18, Psalm 137:1, inzonderheid die met erbarmen neerzien op zielen, die omkomen, en over ze wenen, zoals Christus over Jeruzalem. Nu zijn deze Godvruchtige treurenden:
a. Zalig. Evenals in ijdel en in zondig lachen het hart smart zal hebben, zo heeft in een Godvruchtig treuren het hart ene ernstige blijdschap, ene verborgene voldoening, waarmee een vreemde zich niet vermengt. Zij zijn zalig, want zij zijn gelijk de Heere Jezus, die een Man van smarten was, en van wie wij niet lezen, dat Hij gelachen heeft, maar, wel, dat Hij dikwijls heeft geweend. Zij zijn gewapend tegen de velerlei verzoekingen, waarmee ijdele vrolijkheid gepaard gaat, en zijn bereid voor de vertroostingen van ene verzegelde vergiffenis en een gevestigden vrede.
b. Zij zullen vertroost worden. Hoewel zij wellicht niet dadelijk vertroost worden, er is toch overvloedig in hun vertroosting voorzien, licht is voor hen gezaaid, en het is zeker, dat zij in den hemel vertroost zullen worden, zoals Lazarus. Lukas 16:25. De zaligheid in den hemel bestaat in het volkomen en eeuwig vertroost zijn, en in het afwissen van alle tranen van hun ogen. Het is de blijdschap onzes Heeren, ene verzadiging der vreugde, liefelijkheden, eeuwiglijk, die dubbel liefelijk zullen zijn aan hen, die er door deze droefheid naar God toe bereid werden. De hemel zal waarlijk de hemel zijn voor hen, die er treurende heengaan, het zal een oogst van blijdschap wezen, de vergelding voor een zaaitijd van tranen, Psalm 126:5, 6, een berg van vreugde, waarheen onze weg door een tranendal heengaat, zie Jesaja 66:10.
III. De zachtmoedigen zijn zalig, vers 5, Zalig zijn de zachtmoedigen. De zachtmoedigen zijn zij, die zich rustig onderwerpen aan God, aan Zijn woord, aan Zijne roede, die Zijne aanwijzingen volgen, en instemmen met Zijne voornemens en bedoelingen, en die zachtmoedigheid bewijzen jegens alle mensen, Titus 3:2, die terging kunnen verdragen zonder er door ontstoken te worden, of zwijgen, of een zacht antwoord geven, en die, als de gelegenheid zich voordoet, hun ongenoegen kunnen tonen zonder tot onbetamelijkheid over te slaan, die koel kunnen blijven, terwijl anderen branden, en hun ziel bezitten in hun lijdzaamheid, als zij nauwelijks van iets anders in het bezit kunnen blijven. Zij zijn de zachtmoedigen, die nauwelijks verbitterd kunnen worden, maar snel en gemakkelijk tevreden kunnen worden gesteld, en die liever twintig beledigingen vergeven, dan zich over ene te wreken, daar zij de heerschappij hebben over hun geest. Deze zachtmoedigen worden hier voorgesteld als zalig, zelfs in deze wereld.
1. Zij zijn zalig, want zij zijn gelijk de zalige Jezus in datgene, waarin zij zeer bijzonder van Hem te leren hebben, Hoofdstuk 11:29. Zij zijn zalig, want zij hebben de liefelijkste, ongestoordste genieting van zich zelven, van hun vrienden, van hun God, zij zijn geschikt voor elke verwantschap, elke toestand, ieder gezelschap, geschikt om te leven, en geschikt om te sterven.
2. Zij zullen het aardrijk beërven, dat is aangehaald uit Psalm 37:11, en het is schier de enige bepaald tijdelijke belofte in geheel het Nieuwe Testament. Niet dat zij altijd veel van de aarde zullen hebben, en nog veel minder dat zij slechts hiermede weggezonden zullen worden, maar dit deel der Godzaligheid heeft op zeer bijzondere wijze, de belofte des tegenwoordigen levens. Zachtmoedigheid, hoe ook bespot, heeft ene wezenlijke strekking om onze gezondheid te bevorderen, onze welvaart, ons gemak en genoegen, en onze veiligheid, zelfs in deze wereld. Men heeft opgemerkt dat, vergeleken met gemelijke en onstuimige mensen, de zachtmoedigen en rustigen het gemakkelijkste leven leiden. Of, zij zullen het land beërven (zoals men ook kan lezen) het land Kanaän, een type van den hemel. Zodat al de zaligheid van den hemel boven, en al de zegeningen van de aarde beneden, het deel zijn van de zachtmoedigen.
IV. Die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid zijn zalig, vers 6. Sommigen verstaan dit als nog een nader voorbeeld van uitwendige armoede, en een lagen staat in deze wereld, die de mensen niet slechts blootstelt aan schade en onrecht, maar het tot ene ijdele zaak voor hen maakt om te beproeven, dat hun recht gedaan wordt. Zij hongeren en dorsten er naar, maar zo groot is de macht van hun verdrukkers, dat zij haar niet kunnen verkrijgen. Zij begeren slechts wat recht en billijk is, maar het wordt hun geweigerd door hen, die God niet vrezen en geen mens ontzien. Dat is een droevig geval! Maar toch zijn zij zalig, als zij dit lijden, om den wille van, en met, een goed geweten. Laten zij hopen op God, die hun toch recht zal laten wedervaren, en de armen verlossen zal van die hen verdrukken. Psalm 103:6. Zij, die vreedzaam verdrukking lijden, en rustig hun zaak overgeven aan God, zullen ter bestemder tijd voldoening smaken, overvloedige voldoening in de wijsheid en vriendelijkheid, die geopenbaard zullen worden in Zijne verschijningen voor hen. Maar het moet voorzeker geestelijk verstaan worden voor zodanig ene begeerte, die het werk is van Gods genade in de ziel, en haar bereidt voor de gaven der Goddelijke gunst.
Gerechtigheid is hier genomen voor alle geestelijke zegeningen, zie Psalm 24:5, Hoofdstuk 6:33. Zij zijn ons verkregen door de gerechtigheid van Christus, overgedragen en verzekerd door de toerekening aan ons van die gerechtigheid, en bevestigd door de getrouwheid Gods. Dat Christus ons gemaakt is tot gerechtigheid, en wij in Hem tot gerechtigheid Gods gemaakt worden, den gehelen mens vernieuwd te hebben in gerechtigheid, zodat wij nieuwe mensen worden, en het beeld Gods dragen, deel te hebben aan Christus en de beloften- dat is gerechtigheid. Daarnaar moeten wij hongeren en dorsten. Wij moeten haar waarlijk en wezenlijk begeren, zoals iemand, wie hongert en dorst, spijs en drank begeert, die met niets anders dan met spijs en drank tevreden kan zijn, en er mede tevreden zal zijn, al ontbreken hem dan ook alle andere dingen. Onze begeerten naar geestelijke zegeningen moeten vurig en dringend zijn: Geef mij dezen of ik sterf , al het andere is slechts schuim en kaf, die niet verzadigen, geef mij dezen, en ik heb genoeg, al had ik dan ook niets anders." Honger en dorst zijn begeerten, die dikwijls terugkeren, en opnieuw bevredigd moeten worden, en zo zullen deze heilige begeerten niet rusten in hetgeen verkregen is, zij gaan uit naar vernieuwde vergeving, en dagelijkse voorziening van genade. De levendgemaakte ziel roept om voortdurende maaltijden van gerechtigheid, genade om het werk van iedere dag op deszelfs dag te verrichten, even nauwkeurig en gezet als het levende lichaam om voedsel roept. Zij, die hongeren en dorsten, zullen arbeiden om voorraad van spijs, en zo moeten wij niet slechts geestelijke zegeningen begeren, maar er moeite voor doen in het gebruik der aangewezene middelen. In de praktische Catechismus onderscheidt men tussen honger en dorst. Honger is ene begeerte naar voedsel om te onderhouden, zodanig is heiligmakende gerechtigheid. Dorst is de begeerte naar drank om te verkwikken en te verfrissen, zodanig is de rechtvaardig makende gerechtigheid, en de bewustheid onzer genade. Zij, die aldus hongeren en dorsten naar geestelijke zegeningen, zijn zalig in die begeerten, en zij zullen met die zegeningen verzadigd worden.
a. Zij zijn zalig in die begeerten. Ofschoon alle begeerten naar genade gene genade zijn, (geveinsde begeerten zijn het niet), is zulk ene begeerte het wèl. Het is een blijk van iets goeds, en ene voorproef, of onderpand, van iets beters. Het is ene begeerte, die God zelf verwekt heeft, en Hij zal het werk Zijner handen niet laten varen. Naar iets zal de ziel hongeren en dorsten, naar dit of naar dat, daarom zijn zij zalig, die de rechte zaak op het oog hebben in hun hongeren en dorsten, de zaak, die verzadigt, maar niet bedriegt of teleurstelt, en die niet hijgen naar het stof der aarde, Amos 2:7, Jesaja 55:2. Zij zullen met deze zegeningen verzadigd worden. God zal hun ter hunner volkomen verzadiging hun begeerte geven. Het is God alleen, die de ziel kan verzadigen, wier genade en gunst evenredig zijn aan hare rechte begeerten, en Hij zal diegenen vervullen met genade voor genade, die in het besef hunner eigene ledigheid, de toevlucht nemen tot Zijne volheid. Hij vervult de hongerigen, Lukas 1:53, Jeremia 31:25. De gelukzaligheid van den hemel zal voorzeker de ziel vervullen, hun gerechtigheid zal volkomen zijn, de gunst van God en Zijn beeld in algehele volkomenheid.
V. De barmhartigen zijn zalig, vers 7. Dit is, gelijk de overigen, een paradox, want de barmhartigen worden niet voor de wijsten gehouden, en zullen ook waarschijnlijk niet tot de rijksten behoren, toch spreekt Christus hen zalig. De barmhartigen zijn zij, die Godvruchtig en liefderijk geneigd zijn tot medelijden jegens, en hulp aan, mensen, die zich in nood en ellende bevinden. Iemand kan in waarheid barmhartig zijn, die toch de middelen niet heeft om milddadig of vrijgevig te zijn, en in dat geval neemt God het gewillige hart aan. Wij moeten niet slechts onze eigene beproevingen geduldig verdragen, maar door ons Christelijk medegevoel delen in de beproevingen onzer broederen, er moet medelijden betoond worden, Job 6:14 innerlijke bewegingen der barmhartigheden aangedaan worden (Colossenzen 3:12), en, aangedaan zijnde, moeten zij ons doen uitgaan om zoveel wij kunnen bij te dragen tot ondersteuning van hen, die in nood en ellende zijn. Wij moeten mededogen hebben met de zielen van anderen, en ze helpen, medelijden hebben met de onwetenden, en hen onderwijzen, met de zorgelozen en hen waarschuwen, met hen, die zich in een toestand van zonde bevinden, en hen er uit wegrukken, als een vuurbrand uit het vuur. Wij moeten medelijden hebben met hen, die droefgeestig zijn en smart hebben, en hen vertroosten, Job 16:5, met hen, tegenover wie wij in het voordeel zijn, en niet hard of streng jegens hen zijn, met hen, die gebrek hebben, en in hun behoefte voorzien, want wat wij ook mogen zeggen of voorgeven, indien wij dit weigerden te doen, dan zouden wij ons hart toesluiten Jakobus 2:15, 16, 1 Johannes 3:17. Open uwe ziel door uw brood mede te delen aan den hongerige, Jesaja 58:7, 10. Wat nu aangaat de barmhartigen:
1. Zij zijn zalig: dit werd gezegd in het Oude Testament: Welgelukzalig is hij, die verschonend is voor de armen, Psalm 41:1. Hierin zijn zij Gode gelijkvormig, wiens goedheid Zijne heerlijkheid is. Door barmhartig te zijn, gelijk Hij barmhartig is, zijn wij in onze mate, volmaakt, gelijk Hij volmaakt is. Het is een blijk van liefde tot God, het zal ene voldoening zijn voor ons zelven, om op enigerlei wijze tot nut en voordeel van anderen te kunnen dienen. In dit woord: Zalig zijn de barmhartigen, ligt ook opgesloten het gezegde van Christus, dat wij anders niet in de Evangeliën vinden, Het is zaliger te geven dan te ontvangen, Handelingen 20:35.
2. Hun zal barmhartigheid geschieden, barmhartigheid van mensen, als zij haar behoeven, die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen geworden, (wij weten niet hoe spoedig wij zelf behoefte zullen hebben aan vriendelijkheid, en daarom moeten wij vriendelijk zijn), maar inzonderheid barmhartigheid van God want bij den goedertierene houdt Hij zich goedertieren, Psalm 18:26. De barmhartigste en liefderijkste kan nog geen aanspraak maken op verdienste hij moet de toevlucht nemen tot genade en ontferming. De barmhartige zal bij God sparende genade vinden, Hoofdstuk 6:14, vergeldende genade, Prediker 19:17, ondersteunende genade, Psalm 41:2, barmhartigheid in dien dag, 2 Timotheus 1:18 :ja zij zullen het koninkrijk beërven, dat hun bereid is, Hoofdstuk 25:34, 35, terwijl diegenen, die gene barmhartigheid betoond hebben, het oordeel zullen hebben zonder barmhartigheid, (dat niets minder kan zijn dan het helse vuur).
VI. De reinen van hart zijn zalig, vers 8, Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien. Dit is de veelomvattendste van al de zaligsprekingen, hier zijn heiligheid en gelukzaligheid volledig beschreven, en samengevoegd.
1. Hier is de meest omvattende hoedanigheid aangeduid van de zaligen, zij zijn rein van hart. De ware godsdienst bestaat in hartereinheid. Zij, die innerlijk rein zijn, betonen zich onder de macht te wezen van den zuiveren en onvervalsten Godsdienst. Het ware Christendom ligt in het hart, in de reinheid van hart, het wassen van het hart van boosheid, Jeremia 4:14. Wij moeten tot God opheffen, niet alleen reine handen, maar een rein hart, Psalm 24:4, 5, 1 Timotheus 1:5. Het hart moet rein, of zuiver zijn, in tegenstelling met een mengsel -een eerlijk hart, dat goed doelt, en rein, in tegenstelling met bevlekking en verontreiniging, zoals wijn, onvermengd en niet troebel. Het hart moet rein gehouden worden van vleselijke lusten, van alle onkuise gedachten en begeerten, en van wereldse lusten. Begeerlijkheid wordt vuil gewin genoemd, van onreinheid van het vlees en van den geest, van alles wat voortkomt uit het hart, en den mens verontreinigt. Het hart moet gereinigd worden door geloof, en volkomen zijn voor God, moet als ene reine maagd bewaard en Christus voorgesteld worden. Schep in mij zulk een rein hart, o God!
2. Hier is de meest omvattende vertroosting van de zaligen, zij zullen God zien.
a. Het is de vervolmaking van de zaligheid der ziel, om God te zien, Hem te zien, zoals wij dit door het geloof ook in onzen tegenwoordigen staat kunnen, is een hemel op aarde, en Hem te zien, zoals wij het zullen in den toekomenden staat, is de hemel van den hemel. Hem te zien, gelijk Hij is, van aangezicht tot aangezicht, en niet langer door een spiegel in ene duistere rede, Hem te zien als den onze, Hem te zien en te genieten, Hem te zien en Hem gelijkvormig te zijn, en met dat beeld verzadigd te worden, Psalm 17:15, en Hem te zien voor eeuwig, en Hem nooit uit het gezicht te verliezen, dat is de gelukzaligheid des hemels.
b. De zaligheid van God te zien is beloofd aan hen, en aan hen alleen, die rein van hart zijn. Gene anderen dan de reinen zijn in staat God te zien, en voor de onreinen zou het ook gene zaligheid zijn. Welk een genot zou ene ongeheiligde ziel kunnen smaken in het zien van een heilig God? Gelijk Hij het niet kan verdragen hun ongerechtigheden te zien, zo kunnen zij het niet dragen Zijne reinheid te zien, ook zal niets dat onrein is in het nieuwe Jeruzalem inkomen, maar in allen, die rein van hart zijn, in allen, die waarlijk geheiligd zijn, worden begeerten gewerkt, die door niets anders dan het zien van God bevredigd kunnen worden, en de Goddelijke genade zal die begeerten niet onbevredigd laten.