Psalm 137:7-9
De vrome Joden in Babel hadden zich bedroefd door te denken aan de puinhopen van Jeruzalem, nu verlustigen zij zich hier in het vooruitzicht van het verderf van haar onboetvaardige, onverzoenlijke vijanden, niet in een geest van wraakzucht, maar in heilige ijver voor de heerlijkheid Gods en de eer van Zijn koninkrijk.
1. Met de Edomieten zal gewis afgerekend worden, evenals met al de anderen, die medeplichtig waren aan de verwoesting van Jeruzalem, die er toe aangezet en medegeholpen hebben, "ten kwade geholpen hebben," Zacheria 1:15, en er in gejuicht hebben, die in de dag van Jeruzalem, de dag van haar oordeel, zeiden: `Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fundamenten toe." Weg er mede, weg er mede! laat geen steen op de andere blijven." Aldus hebben zij het leger van de Chaldeeën nog meer verwoed gemaakt, dat reeds verwoed genoeg was en er geen aansporing toe nodig had. Aldus hebben zij schande gelegd op Israël, dat nu beschouwd zal worden als een volk, waardig om uitgeroeid te worden, daar toch hun naaste buren hun zo slecht gezind waren. En dat alles was de vrucht van de oude vijandschap van Ezau tegen Jakob, omdat hij het geboorterecht en de zegen verkreeg, en een tak van die nog oudere vijandschap tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang. Heere, gedenk aan hen, zegt de psalmist, hetgeen een beroepen is op Zijn gerechtigheid tegen hen. Verre zij het van ons, om onszelf te wreken, indien dit ooit in onze macht zou zijn, wij zullen het overlaten aan Hem, die gezegd heeft: Mijn is de wrake. Zij, die zich verblijden over rampen, inzonderheid over de rampen van Jeruzalem, zullen niet ongestraft blijven. Zij, die in verbintenis zijn met vervolgers van Godvruchtige mensen, hen opwekken en aansporen tot hetgeen zij doen, en er behagen in scheppen, zullen er voorzeker eenmaal ter verantwoording voor worden geroepen, en God zal het tegen hen gedenken.
2. Babel is de voornaamste, en ook zij op haar beurt zal de beker van de zwijmeling hebben te drinken, ja de droesem ervan, vers 8, 9. O dochter van Babel! hoe trots en gerust gij ook zijt, door de Schrift van de waarheid weten wij maar al te goed, dat gij verwoest zult worden, of, zoals Dr. Hammond het leest: gij die de verwoester zijt. De verwoesters zullen verwoest worden, Openbaring 13:10, en misschien is het met betrekking hierop dat de mens van de zonde, het hoofd van het Nieuw Testamentische Babylon, de zoon des verderfs wordt genoemd, 2 Thessalonicenzen 2:3. De verwoesting van Babel voorzien zijnde als een stellige verwoesting: die verwoest zult worden, wordt ervan gesproken:
a. Als een rechtvaardige verwoesting: zij zal in haar eigen munt betaald krijgen. "Gij zult behandeld worden zoals gij ons behandeld hebt, even wreed en barbaars door de verwoesters behandeld worden, zoals gij ons behandeld hebt." Zie Openbaring 18:6. Laat diegenen geen barmhartigheid verwachten, die, toen zij de macht er toe hadden, geen barmhartigheid betoond hebben.
b. Als een algehele verwoesting. Zelfs de kinderkens van Babel zullen, als de stad stormenderhand wordt ingenomen en alles over de kling wordt gejaagd, door de verworden en onbarmhartige overwinnaar verpletterd worden. Als deze kleinen omkomen, zal niemand ontkomen. Zij zijn het zaad van een ander geslacht, zodat, indien zij gedood worden, het verderf niet alleen, zoals dat van Jeruzalem totaal, maar ook finaal zal wezen. Zij is als een molensteen in de zee verzonken, om nooit meer boven te komen. c. Als een verwoesting, die eer zal doen afstralen op de werktuigen ervan. Welgelukzalig zullen zij wezen, die het doen, want zij volbrengen Gods raad, en daarom noemt Hij Cyrus, die dit gedaan heeft, Zijn knecht, Zijn herder, Zijn gezalfde, Jesaja 44:28, 45:1, en de krijgslieden, die er voor gebruikt werden, Zijn geheiligden, Jesaja 13:3. Zij maken plaats voor de verruiming van Gods Israël, en zalig zijn zij, die daar op enigerlei wijze dienstbaar aan zijn. De val van het Nieuw- Testamentische Babel zal de triomf zijn van al de heiligen, Openbaring 19:1.