Jeremia 50:33-46
Wij hebben in deze verzen,
I. Het lijden van Israël en zijn verlossing uit dat lijden. God neemt kennis van de slavernij van Zijn volk te Babel, zoals Hij gedaan had van hun slavernij in Egypte, Hij heeft het zeker gezien, en hun geschrei is tot Hem gekomen. De kinderen Israëls en de kinderen van Juda zijn tezamen verdrukt, vers 33. Bij de vereniging van de koninkrijken van Assyrië en van Chaldea, schijnen de overgeblevenen van de gevangenen van de tien stammen zich vermengd te hebben met die van de twee stammen, zodat zij tezamen verdrukt werden. Zij smeekten nederig om hun vrijheid, en dat was alles, zij konden geen enkele poging doen, om ze te herkrijgen, want allen, die ze gevangen hadden, hebben ze vastgehouden, en waren hun te sterk. Maar dit is hun troost in ellende, dat, hoewel zij zwak zijn, hun Verlosser sterk is, vers 34. (Wreker betekent het woord eigenlijk), Hij, die recht op hen heeft, en Zijn recht zal eisen, en Zijn eis kracht bijzetten. Hij is sterker dan hun vijanden, die hen vasthouden, alle macht, die tegen Hem is, kan Hij overweldigen, en Zijn volk kracht geven, hoewel het zeer zwak is. "Heere van de heirscharen is Zijn naam," en op zijn naam zal Hij antwoord geven, en het duidelijk maken, dat Hij is, wat Zijn volk Hem noemt, en voor hen datgene zal zijn, waarom zij zich op Hem verlaten. Het is de onuitsprekelijke troost van Gods volk, dat, hoewel zij "heirscharen tegen zich hebben, de Heere van de heirscharen voor hen is, Hij zal hun twist zeker twisten, Hij zal hem twisten met jaloersheid, krachtdadig Hij zal hem twisten en ten einde brengen, opdat Hij het land in ruste brenge, rust van alle hun vijanden rondom, aan het land van Zijn volk". Dit is toepasselijk op alle gelovigen, die klagen over de heerschappij van zonde en verdorvenheid, en van hun eigen onvastheid en menigerlei zwakheden. Zij moeten weten, dat "hun Verlosser sterk is, " Hij is in staat te houden wat zij Hem toevertrouwen, en Hij zal hun twist zoeken. De zonde zal geen heerschappij over hen hebben, "Hij zal hen vrij maken, en zij zullen waarlijk vrij zijn, Hij zal hun ruste geven, die ruste, die er overblijft voor het volk Gods."
II. De zonde van Babel en zijn straf voor die zonde.
1. Die zonden, die hun hier ten laste gelegd worden, zijn afgoderij en vervolging.
a. Zij verdrukten Gods volk, zij hielden hen vast en wilden hen niet laten gaan. Die lieten hun gevangenen niet los gaan naar huis toe, Jesaja 14:17. Dit was Gods twist met hen, als van ouds met Farao, het kwam hem duur te staan, en toch wilden zij niet gewaarschuwd zijn. De inwoners van. Babel moeten beroerd worden vers 34, omdat zij Gods volk beroerd hebben voor welks eer en rust Hij waakt, en daarom zal Hij "verdrukking vergelden dengenen, die u verdekken, en u, die verdekt wordt, verkwikking", 2 Thessalonicenzen 1:6, 7.
b. Zij deden God onrecht en eroofden Hem, daar zij anderen de eer gaven, die Hem alleen toekwam, want, vers 38, het is een land van gesnedene beelden. Alle delen van het land waren vervuld van alle afgoden, en zij waren erop verzot, zij hadden ze lief, en waren er dol op, zij ontzagen geen moeite en kosten voor hun verering, zij waren onvermoeid in eerbewijzen, en in dit alles waren zij ellendig verdwaasd en handelden als mensen zonder verstand, zij zetten hun afgoderij voort, zonder rede of verstand, als mensen die volslagen dol zijn. Het woord dat hier voor afgoden gebezigd wordt, beduidt verschrikkingen-Enim, de naam, die aan geduchte reuzen gegeven werd, omdat zij een schrikverwekkend uiterlijk gaven aan hun afgodsbeelden, om kinderen en gekken bang te maken. Hun afgoden waren vogelverschrikking, en toch waren zij er op verzot. "Babel was de moeder van de hoererijen," Openbaring 17:5. De grootste dwaasheid ter wereld is: van enig schepsel een god te maken, en zij, die trots zijn tegen de Heere, de ware God, worden met recht overgegeven aan de grote begoocheling, om verzot te zijn op afgoden, die niet helpen kunnen. Maar deze zotheid is goddeloosheid, waarom de zondaars zeker en met strengheid gestraft zullen worden.
2. De oordelen Gods, die om deze zonden over hen zullen komen, zullen hen verderven en het land verwoesten.
A. Al wat hen verdedigen en ondersteunen moest, zal door het zwaard afgesneden worden De Chaldeën waren lang Gods zwaard geweest, waarmee Hij de zondige volken om hen heen gekastijd had: maar nu, daar zij even slecht zijn als een van hen, zal het zwaard over hen zijn, ja, over de inwoners van Babel, vers 35 het oorlogszwaard, en, daar het in Gods hand is, door Hem gezonden en gericht, is het het zwaard van de gerechtigheid. Het zal zijn,
a. Over haar vorsten, zij zullen er door vallen, en hun waardigheid, rijkdom en macht, zullen hen niet beveiligen.
b. Over haar wijzen, wijsgeren staatslieden, en geheime raadsleden, hun geleerdheid en handigheid zullen noch hen zelf beveiligen, noch het publiek ten nutte zijn.
c. Over hun waarzeggers en sterrenwichelaars hier leugenaars genoemd, vers 36, want hun voorspellingen van vrede en voorspoed waren bedrog het zwaard, dat over hen komt, zal hen stompzinnig maken, zodat zij zullen spreken als dwazen, en zullen zijn, als die hun verstand ten enenmale verloren hebben. God heeft een zwaard, dat de ziel bereiken kan, en het verstand treffen, en mensen ten prooi geven aan geestelijke kwalen.
d. Over haar helden. Een zwaard zal over hun geest zijn, als zij niet gedood worden, zullen zij toch versagen, en zullen geen helden meer zijn, want wat zullen hun hun handen baten, als het hart hun ontzinkt?
e. Over hun leger, vers 37, Het zwaard zal zijn over zijn paarden en over zijn wagenen, de invallers zullen zich meester maken van al hun krijgsvoorraad, zullen hun paarden en wagens voor zichzelf nemen of ze vernielen. De troepen uit andere volken die in hun dienst stonden, zullen geheel moedeloos worden: Over de gehele gemengden hoop, dat zij tot vrouwen worden, zo zwak en zo bevreesd.
f. Over hun schatkist: het zwaard zal zijn over haar schatten, die de zenuw van de oorlog zijn, dat zij geplunderd worden en door de vijand tegen hen gebruikt. Zie welk een algemene verwoesting het zwaard teweeg brengt, als het een opdracht heeft te volvoeren.
B. Het land zal verwoest worden vers 38 :Droogte zal zijn over haar wateren, het water, dat de stad beveiligt. Cyrus leidde de Eufraat af in zoveel kanalen, dat hij doorwaadbaar werd voor zijn legers zodat zij zonder moeite bij de muren van Babel konden komen, die naar men meende, door de rivier niet te naderen waren. Ook het water, dat het land vruchtbaar maakte, zal uitdrogen, zodat het zal verdorren, en niet meer bewoond zal worden door de kinderen van de mensen maar door de wilde dieren van de woestijnen, vers 39. Dit werd voorspeld van Babel, in Jesaja 13:19-22. Het zal worden als Sodom en Gomorra, vers 40. Hetzelfde wordt voorspeld van Edom, Hoofdstuk 49:18. Zoals de Chaldeën Edom verwoest hadden, zo zal hun land ook verwoest worden. C. De koning en het koninkrijk zullen in de uiterste verwarring en ontsteltenis gestort worden door de inval van de vijanden, vers 41-43. Al de uitdrukkingen, die hier gebruikt worden om de geduchte macht van de invallers te typeren, de schrik, die zij zouden inboezemen door hun slagorde, en de grote vrees, die daardoor, beide, op het hof en op het land vallen zou, hebben wij reeds ontmoet in Hoofdstuk 6:22-24, waar zij betrekking hebben op de inval van de Chaldeën in het land van Juda. Daar wordt gezegd: De strijd is "tegen u, o dochter Zions!" en hier staat: "tegen u, o dochter van Babel!" om te kennen te geven, dat zij met hun eigen munt betaald zouden worden. God kan altijd dezulken vinden, die tot schrik en verwoesting zijn voor degenen, die anderen tot schrik en verwoesting zijn geweest, en zij, die wreedaardig gehandeld en geen genade getoond hebben, kunnen verwachten, wreedaardig behandeld te zullen worden en geen genade te zullen vinden. Er is maar een verschil tussen deze passages, daar wordt gezegd: "Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden, hier wordt gezegd: De koning van Babe heeft hunlieder gerucht gehoord, en zijn handen zijn slap geworden," wat betekent, dat die trotse en vermetele vorst, in de dagen van zijn ellende, even zwak en ontmoedigd zal zijn als de minste Israëlieten waren ten dage van hun ellende.
D. De verwoesting zal even groot zijn als hun schrik, want gelijk een leeuw zal de invaller opkomen, om te verscheuren en te doden, vers 44, en hij zal de woning boven hen verwoesten, vers 45, en die verwoesting zal zo verbazend zijn, dat alle volken rondom er verschrikt door zullen worden, vers 46. Deze drie verzen vinden wij reeds vroeger, Hoofdstuk 49:19-21, in de profetie van de verwoesting van Edom, die door de Chaldeën vervuld werd, en hier worden zij herhaald, "mutatis mutandis-met de noodzakelijke wijzigingen," in de profetie van de verwoesting van Babel, die tegen de Chaldeën vervuld zou worden, om te tonen, dat, al mag het lot, dat de Voorzienigheid ieder toebedeelt, een tijd lang ongelijk schijnen, de eindelijke vergelding de gelijkheid herstellen zal, "als gij het verwoesten zult volbracht hebben, zult gij verwoest worden," Jesaja 33:1, Openbaring 13:10.