Jeremia 20:1-6
Hier is:
I. Pashurs onbillijk misnoegen tegen Jeremia, en de gevolgen van dat misnoegen, vers 1, 2. Deze Pashur was priester, en daarom behoorde hij Jeremia te beschermen, zou men zo zeggen, die ook priester, en dus van dezelfde klasse was, en te meer, omdat hij een profeet des Heeren was, wiens belangen de priesters Zijn dienaars moeten raadplegen. Maar deze priester was een vervolger van hem, die hij de hand boven `t hoofd had moeten houden. "Hij was de zoon van Immer, " dit is: hij was van de zestiende dagorde, waarvan Immer de vader was, toen David deze geslachten voor `t eerst regelde, 1 Kronieken 24:14, zoals Zacharia van de dagorde van Abia, Lukas 1:5. Zo wordt deze Pashur onderscheiden van een ander van dezelfde naam, vermeld in Hoofdstuk 21:1, die van de vijfde dagorde was. Deze Pashur was bestelde overste in het huis des Heeren, " misschien was hij dat alleen "pro tempore-voor een bepaalde tijd," omdat de dagorde, waarvan hij het hoofd was, nu de wacht had, of hij was helper van de hogepriester of misschien hoofdman des tempels of van de wachten om de tempel, Handelingen 4:1. Dit was Jeremia's grote vijand. De grootste vijandschap tegen Gods profeten werd gevonden onder hen, die in het heilig ambt stonden en ontzag voor God en de kerk voorwendden. Wij kunnen niet veronderstellen, dat Pashur een van de oudsten van de priesters was, die met Jeremia naar het dal Tofeth gingen om hem te horen profeteren, tenzij het was met de boze bedoeling oorzaak tegen hem te zoeken, maar het is waarschijnlijk, dat toen hij in het huis des Heeren kwam, hij zelf getuige was van wat hij zei, en dan kan het aldus gelezen worden, vers 1 :Hij hoorde, dat Jeremia deze dingen profeteerde. Een andere lezing is, dat anderen het hem overbrachten, die hij ondervroeg. Hij hoorde, dat Jeremia deze dingen geprofeteerd had, en kon het niet verdragen, inzonderheid, dat hij het waagde in de hoven van het huis des Heeren, waarvan hij bestelde overste was, en -dat zonder zijn verlof. Wanneer macht in de kerk misbruikt wordt, is het de gevaarlijkste macht, die er tegen gebruikt kan worden. Daar hij vertoornt was tegen Jeremia,
1. Sloeg hij hem, sloeg hem met zijn hand, of ambtsstaf. Misschien was het een slag, alleen bedoeld om hem te onteren, zoals die welke de hogepriester Paulus liet geven, Handelingen 23:2. Hij sloeg hem op de mond, en beval hem te zwijgen. Of misschien gaf hij hem vele slagen, met de bedoeling hem pijn te doen, hij sloeg hem met strengheid, als een boosdoener. In Mattheus 21:35 wordt de landlieden verweten, dat zij de dienstknechten sloegen. De manier van handelen hier was onwettig, de hogepriester en de andere priesters behoorden geraadpleegd te worden, Jeremia's geloofsbrieven onderzocht, en er moest uitgemaakt worden, of hij op gezag gesproken had of niet. Maar deze rechtregels worden op zij gezet en, als formaliteiten, veracht, goed of kwaad, met Jeremia moet afgerekend worden. De vijanden van de vroomheid zouden zich nooit laten binden door de wetten van de billijkheid.
2. "Hij stelde hem in de gevangenis." Sommigen denken hierbij aan een plaats van opsluiting alleen, hij sloot hem op. Maar het schijnt meer de bedoeling te zijn van een nauwere opsluiting, met de intentie van beide pijn en schande aan te doen. Sommigen denken, dat het een plank met gaten voor hoofd en armen was, anderen (als wij), dat het er een voor zijn benen was, maar wat het ook was, hij bleef er in de hele nacht, en wel op een publieke plaats, "in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis des Heeren is," waarschijnlijk een doorgang tussen de stad en de tempel. Pashur bedoelde hem zo te kastijden, dat hij afgeschrikt werd van het profeteren, en hem aldus prijs te geven aan de verachting en hem gehaat te maken, opdat men niet op hem letten zou, als hij toch profeteerde. Zo hebben de beste mensen de slechtste behandeling ondervonden van deze ruwe, ondankbare wereld, en die de grootste zegen waren van hun tijd zijn beschouwd als aller afschrapsel. Moet het geen vrome verontwaardiging wekken, een man als Pashur op `t kussen en een man als Jeremia in de gevangenis te zien? Het is goed, dat er nog een leven na dit leven is, als wanneer personen en zaken een ander uiterlijk zullen vertonen.
II. Gods rechtvaardig misnoegen tegen Pashur en de tekens daarvan. Des anderen daags ontsloeg Pashur Jeremia, bracht hem uit de gevangenis voor, vers 3, het is waarschijnlijk, dat hij hem daar in zijn ongemakkelijk verblijf liet, zolang als men gewoonlijk iemand die straf liet ondergaan. En nu heeft Jeremia een boodschap van God aan hem. Wij vinden niet, dat, toen Pashur Jeremia in de gevangenis bracht de laatste hem enige berisping gaf om wet hij deed, hij schijnt zich stil en rustig aan de mishandeling onderworpen te hebben, als hij leed, dreigde hij niet. Maar, toen hij hem uit de gevangenis leidde, gaf God hem een woord in de mond, dat zijn geweten tot ontwaken zou brengen, als hij er een had. Want, was de profeet van God gebonden, het woord van God was het niet. Wat moeten wij denken van Pashurs bedoeling, waarom sloeg en mishandelde hij Jeremia? Wat het ook zij, wij zien door wat God tot hem zegt, dat hij zijn doel niet bereikt.
1. Was het zijn bedoeling zichzelf te bevestigen en het zich makkelijk te maken door iemand tot zwijgen te brengen, die hem zijn fouten zei en waarschijnlijk zijn reputatie bij het volk zou verminderen? Dat zal hem niet gelukken, want:
a. Al zou de profeet stil zijn, zijn eigen geweten zal hem slaan en altijd onrustig maken. Om dit te bevestigen zal hij een naam ontvangen. "Magor-missabib-Schrik van rondom, of vrees van alle kanten." God zelf zal hem die naam geven, en als Hij hem zo noemt, zal Hij hem zo maken ook. Het schijnt een spreekwoordelijke uitdrukking te zijn, waarmee iemand aangeduid wordt, die niet alleen in moeite, maar in wanhoop is, niet alleen in gevaar aan alle kanten (men kan daar in zijn en toch door het geloof zonder vrees, zoals David, Psalm 3:6, 27:3, maar in vrees aan alle kanten, en dat kan niemand zijn, al is er ook geen gevaar. De goddelozen vlieden, waar geen vervolger is, en zij zijn vervaard geworden, waar geen vervaardheid was. Dit zal met Pashur het geval zijn, vers 4. "Zie, Ik stel u tot een schrik voor uzelf, dat is: gij zult onderworpen zijn aan voortdurende verschrikkingen, en uw eigen fantasie en verbeelding zullen u een voortdurende onrust in `t leven roepen." God kan de meest vermetele zondaar tot een schrik voor zichzelf maken, en zal gelegenheid vinden om te verschrikken, die zijn volk afschrikken van hun plicht te doen. En die hun fouten niet willen horen van Gods profeten, de boetpredikers in de poort, zullen ze moeten horen van hun geweten, de boetprediker in hun boezem, die niet te verschrikken of tot zwijgen te brengen is. En ellendig is de man die aldus tot een schrik voor zichzelf wordt gemaakt. Toch is dit niet alles, sommigen zijn een grote schrik voor zichzelf, maar zij verbergen het en schijnen anderen toe op hun gemak te zijn, "Ik stel u tot een schrik voor alle uw liefhebbers, gij zult u bij elke gelegenheid, met zoveel schrik en ontsteltenis uitdrukken, dat al uw vrienden bevreesd zullen zijn met u te spreken en er de voorkeur aan geven zich van uw kwellingen te verwijderen." Mensen, verdiept in zwartgallige afgetrokkenheid, zijn een schrik voor zichzelf en voor allen om hen heen, wat een goede reden is om zeer dankbaar te zijn, zolang God ons het gebruik van ons verstand en de vrede van ons geweten laat.
b. Zijn vrienden, in wie hij vertrouwen stelde en die hij misschien zocht te verplichten door wat hij tegen Jeremia deed, zullen hem allen in de steek laten. God laat hem geen ogenblikkelijken dood sterven om wat hij tegen Jeremia deed, maar laat hem ellendig leven, zoals Kaïn in het land van de beving, in zo'n voortdurende ontsteltenis dat hij overal, waar hij gaat, een gedenkteken van de goddelijke rechtvaardigheid zal zijn, en als er gevraagd wordt: "Wat is de oorzaak van diens mans onophoudelijken angst?" zal men antwoorden: "Gods hand rust op hem, omdat hij Jeremia in de gevangenis gezet heeft." Zijn vrienden, die hem zouden bemoedigen zullen allen afgesneden worden, "zij zullen vallen door het zwaard hunner vijanden, dat het uw ogen aanzien, en dat vreselijk gezicht zal zijn schrik vergroten."
c. Aan het einde zal hij vinden dat zijn angst niet zonder grond is, maar dat de goddelijke wraak hem wacht, vers 6, hij en zijn familie zullen gaan in de gevangenis naar Babel, hij zal niet sterven voor het kwaad komt, zoals Josia, en het ook niet overleven, zoals sommigen, maar hij zal als gevangene sterven, en zal letterlijk in banden begraven worden, hij en al zijn vrienden. Zover gaat het vonnis van Pashur. Vervolgers mogen sidderen, als zij het lezen, sidderen tot berouw, voordat zij moeten sidderen tot verderf.
2. Was het zijn bedoeling om het volk rustig te houden, om de verwoesting, die Jeremia voorspelde, te voorkomen, en zijn woorden op de grond te doen vallen door zijn goede naam te doen verdwijnen? Het is wel waarschijnlijk, want het blijkt uit vers 6, dat hij zelf als profeet optrad, en het volk wijsmaakte, dat het vrede zou hebben. Hij profeteerde hun vals, en omdat Jeremia's profetie met de zijne in strijd was, en de strekking had om op te wekken, die hij in slaap poogde te wiegen in hun zonden, daarom stelde hij zich tegen hem. Maar kon hij zijn doel bereiken? Neen, Jeremia blijft bij wat hij tegen Juda en Jeruzalem gezegd heeft, en door zijn mond herhaalt God het. Men wint niets door het zwijgen op te leggen aan hen, die verwijten en waarschuwen, want het woord moet zijn loop hebben, zo ook hier.
a. Het land zal verwoest worden, vers 4. Ik zal geheel Juda geven in de hand des konings van Babel. Het was lang Gods eigen land geweest, maar Hij zal nu Zijn recht er op overdoen aan Nebukadnezar. Deze zal meester van het land zijn en over de inwoners oordelen, sommigen tot het zwaard, en anderen tot gevangenschap, zoals hem behaagt, maar niemand zal hem ontsnappen.
b. De stad zal ook verwoest worden, vers 5. De koning van Babylon zal ze verstoren, en al haar schatten meenemen naar Babylon.
c. Hij zal haar magazijnen en arsenalen (hier "het vermogen van deze stad" genoemd) nemen en ze tegen haar keren. Hierop vertrouwden zij als haar vermogen, maar wat konden die hun helpen, als zij zich buiten Gods bescherming geplaatst. hadden, en als Hij, die inderdaad hun kracht was, van hen gegaan was?
d. Hij zal meenemen al hun voorraden, hun goederen en hun koopwaar, "hier al haar arbeid" genoemd, omdat zij ze zelf gemaakt hadden en ze het resultaat van hun arbeid waren.
e. Hij zal hun fraaie huizen plunderen, en de sierlijke meubelen wegnemen, "hier haar kostelijkheid" genoemd, omdat zij ze in waarde hielden en hun hart er zozeer op zetten. Gelukkig, die zich kostelijke dingen hebben verworven in Gods kostelijke belofte, die buiten het bereik van de soldaten zijn. Hij zal de schatkist ledigen en de kroonjuwelen en "alle schatten van de koningen van Juda" wegnemen. Dit was de vervulling van de ramp, waarmee Hizkia `t eerst, lang geleden, bedreigd werd, als zijn straf, omdat hij zijn schatten aan de gezanten van de koning van Babel getoond had, Jesaja 39:6. De schatkist was hun verdediging, zo dachten zij, maar zij verried hen, en zij werden een lichte prooi voor de vijand.