Jeremia 44:1-14
De Joden in Egypte waren nu verstrooid naar verschillende delen van het land, naar Migdol, Noph en andere plaatsen, en Jeremia werd door God met een boodschap tot hen gezonden, die hij overbracht, hetzij, toen hij de meesten van hen bijeen had te Pathros, vers 15, of in zijn preken, die hij met dit doel van plaats tot plaats hield. Hij bracht hun deze boodschap in de naam des Heeren van de heirscharen, de God van Israël, en daarin,
I. God brengt hun de verwoesting van Juda en Jeruzalem in herinnering, want, hoewel de gevangenen bij de rivier van Babel er dagelijks aan dachten, Psalm 137:1, schijnen de vluchtelingen in de steden van Egypte het vergeten te hebben en behoefte te hebben er aan herinnerd te worden hoewel men denken zou, dat zij nog niet zo lang weg waren, dat het bij hen kon zijn: uit het oog, uit het hart, vers 2. Gij hebt gezien, in welk een treurigen toestand Juda en Jeruzalem gebracht zijn, wilt gij nu bedenken, vanwaar die verwoesting kwam? Van de toorn Gods: Zijn toorn en Zijn grimmigheid was het, die het vuur ontstak, dat Jeruzalem en alle steden van Juda een woestheid maakte, vers 6, wie en wat de werktuigen ter verwoesting waren, zij waren maar werktuigen, het was een verwoesting van de Almachtige.
II. Hij brengt hun de zonde in herinnering, die deze verwoesting over Juda en Jeruzalem bracht. Het was vanwege hun boosheid, om Mij te tergen, en vooral hun afgoderij, en andere goden te dienen, vers 3, en, dat zij aan valse goden, de schepselen van hun eigen verbeelding en het werk van hun eigen handen, de ere gaven, die zij aan de ware God alleen hadden moeten geven. Zij verlieten de God, die onder hen bekend was, en Wiens naam groot was, voor goden, die zij niet kenden, plotseling opgekomen goden, wier afkomst duister en niet de moeite waard was er kennis van te nemen. "Zij, gij, noch uw vaders" konden een aannemelijke reden opgeven, waarom de God Israëls voor zulke bedriegers op zijde was gezet. Zij wisten niet, dat het goden waren, ja, zij moesten weten, dat het geen goden waren.
III. Hij brengt hun in herinnering de vele ernstige waarschuwingen om geen andere goden te dienen, die Hij hun door Zijn woord gegeven had, en, dat zij deze waarschuwingen in de wind geslagen hadden, was een overtreding te meer bij hun afgoderij, vers 4. Met grote zorg waren de profeten uitgezonden, om tot hen te roepen, zeggende: Doet toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat. Het past ons van de zonde te spreken met de uiterste vrees en afschuw, als van een gruwelijke zaak, want dat is het, wat God haat, en wij zijn zeker, "dat het oordeel Gods naar waarheid is." Noem ze ergerlijk, noem ze hatelijk, opdat wij in elk geval, bij onszelf, en bij anderen de liefde daartoe uitroeien. Het past ons te waarschuwen tegen het gevaar van zonde, en de noodlottige gevolgen er van, met allen ernst en met aandrang: "Doet het toch niet. Indien gij God liefhebt, doet het niet, want het is een terging voor Hem, indien gij uw eigene zielen liefhebt, doet het niet, want het is uw verderf." Moge het geweten dit voor ons doen in een uur van verzoeking als wij op `t punt staan te bezwijken. Weest op uw hoede! "doet deze gruwelijke zaak niet", die de Heere haat, want, als God ze haat, behoort gij ze ook te haten. Maar sloegen zij acht op `t geen God tot hen zei? Neen: "Zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, vers 5, zij hielden zich hardnekkig bij hun afgoderijen, en gij ziet, wat er van kwam, daarom is Mijn toorn uitgestort over hen, gelijk het is te deze dage. Dit was bedoeld als een waarschuwing voor u, die niet alleen de oordelen uit Gods mond hebt gehoord, zoals zij, maar eveneens de oordelen van Zijn hand hebt gezien, welke u moeten doen opschrikken en opwekken, want zij worden volbracht "in terrorem," opdat anderen er van zouden horen en vrezen en aflaten te doen wat zij deden, opdat het hun niet eveneens verga." IV. Hij berispt hen over en verwijt hun hun voortdurende afgoderijen, nu zij in Egypte gekomen waren, vers 8 :Gij rookt andere goden in het land van Egypte. Daarom verbood God hun naar Egypte te gaan, omdat Hij wist, dat het hun tot een valstrik zou zijn. Die God naar het land van de Chaldeën zond, waren daar, hoewel het een afgodisch land was, door de macht van Gods genade, gespeend aan alle afgoderij, maar zij, die tegen Gods wil naar het land van de Egyptenaars gingen, waren daar, door de macht van hun eigen verdorvenheid, meer dan ooit, overgegeven aan hun afgoderijen, want, als wij onszelf, zonder reden of roeping, naar plaatsen van verzoeking begeven, dan is het rechtvaardig van God, dat Hij ons aan onszelf overlaat. Met dit te doen, deden zij zichzelf en hun gezinnen veel kwaad: "Gij doet zo'n groot kwaad tegen uw zielen, vers 1, gij doet hun onrecht, gij bedriegt hen met hetgeen vals is, gij verderft hen, want het zal hun noodlottig zijn." Met tegen God te zondigen, zondigen wij tegen onze eigen zielen. Het is precies de weg, waarop gij uzelf uitroeit, vers 8, waarop gij uw naam en eer uitroeit, zodat gij beide door uw zonde en door uw ellende, tot een vloek en tot een smaadheid wordt onder alle volken van de aarde. Het zal een spreekwoord worden: Zo ellendig als een Jood. Het is precies de weg om al uw verwanten uit te roeien, allen die uw blijdschap zouden zijn, en die uw gezinnen zouden opgebouwd hebben de man en de vrouw, het kindeke en de zuigeling, zodat Juda verloren zal gaan, omdat er geen erfgenamen zijn.
Zij maakten de maat van de ongerechtigheid van hun vaderen vol, en, alsof dat nog te weinig voor hen was, voegden zij daar nog aan toe, vers 3 :"Hebt gij vergeten de boosheden van hen, die voor u waren, dat gij u daarom niet vernederd hebt, zoals toch behoorde, en zijt gij niet bevreesd voor de gevolgen ervan?" "Hebt gij vergeten de straffen uwer vaderen", zo lezen sommigen. "Weet gij niet, hoe duur hun de afgoderij te staan gekomen is? En durft gij toch voort te gaan met dat ijdele leven, dat gij bij overlevering van uw vaderen ontvangen hebt, hoewel gij er de vloek bij ontvingt?" Hij herinnert hen aan de zonden en de straffen "van de koningen van Juda," die, groot als ze waren, niet aan de oordelen Gods om hun afgoderij konden ontkomen, zij hadden zich moeten laten waarschuwen door "de boosheden hunner vrouwen," die hen tot afgoderij verleid hadden. In het oorspronkelijke staat: "En van zijn vrouwen," waar zoals Dr. Lightfoot denkt, stilzwijgend Salomo's vrouwen mee bedoeld worden, in `t bijzonder zijn Egyptische vrouwen, van wie de afgoderij van de koningen van Juda haar oorsprong nam. "Hebt gij dat vergeten, en wat de gevolgen waren, dat gij dezelfde goddeloze wegen durft te bewandelen?" Zie Nehemia 13:18, 26. Ja, ook in uw eigen tijd, hebt gij vergeten uw boosheid, en de boosheid van uw vrouwen, toen gij in voorspoed te Jeruzalem leefde", en welk een verderf het over u gebracht heeft? Maar, helaas! wat helpt het ook, of Ik al tegen hen spreek zegt God tot de profeet, vers 10, Zij zijn tot op deze dag niet verbrijzeld van hart, door al de vernederende leidingen, waarmee Ik ze geleid heb. Zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet." Die niet in de wet van God wandelen, tonen daarmee, dat zij zonder de vreze Gods zijn.
V. Hij dreigt met hun volkomen ondergang, om hun hardnekkige afgoderij, nu zij in Egypte zijn. Als tevoren, Hoofdstuk 42:22, wordt tegen hen het oordeel uitgesproken, dat zij zullen omkomen in Egypte, het besluit is uitgevaardigd en zal niet herroepen worden. Zij hebben hun aangezicht en gesteld om naar Egypteland te gaan. vers 12, zij waren vastbesloten in hun plan tegen God, en nu is God vastbesloten in Zijn plan tegen hen: Ik zal Mijn aangezicht stellen om geheel Juda uit te roeien, vers 11. Die God almachtig niet alleen denken te beledigen, maar ook tegen te staan, zullen eenmaal het onderspit delven, "want het aangezicht des Heeren is tegen degenen, die kwaad doen", Psalm 34:16. Tegen de afgodische Joden in Egypte wordt hier gedreigd, 1. Dat zij allen verteerd zullen worden, zonder uitzondering, geen enkele rang of stand zal ontkomen: zij zullen vallen van de kleinste tot de grootste toe, vers 12, hoog en laag, rijk en arm.
2. Dat zij verteerd zullen worden door precies dezelfde oordelen, waarvan God gebruik maakte om Jeruzalem te straffen, het zwaard, de honger, en de pestilentie, vers 12, 13. Zij zullen niet weggenomen worden door een natuurlijke dood, zoals Israël in de woestijn maar door deze pijnlijke oordelen, waarvoor zij, door hun vlucht naar Egypte, onbereikbaar dachten te zijn.
3. Dat niemand van hen, enige weinigen uitgezonderd, die ternauwernood ontsnappen zullen, ooit in het land van Juda weer zal keren, vers 14. Zij dachten, dat zij meer kans hadden naar hun eigen land terug te keren, omdat zij er dichter bij waren, dan die naar Babel gevoerd waren, toch zullen die terugkeren en zij niet, want de weg, waarop God ons troost heeft beloofd, is veel zekerder dan die, waarop wij die voor onszelf verwacht hebben. Zij, die wrevelig en ontevreden zijn, zullen dat blijven, waar zij ook heengaan. Toen de Israëlieten in het land van Juda waren, verlangden zij naar Egypte te gaan, Hoofdstuk 42:22, maar toen zij in Egypte waren, verlangden zij weer te keren "in het land van Juda, zij verhieven hun ziel daarheen", zo staat in de kanttekening, wat een ernstig verlangen betekent. Maar, omdat zij daar niet wilden wonen, toen God het beval, zullen zij er ook niet wonen, nu zij het zelf verlangen. Als wij wandelen tegen Gods wil, zal Hij tegen ons handelen. Hoe kunnen zij verwachten, dat het hun wel zal gaan, die er niet van wilden weten toen het werkelijkheid was, hoewel God het hun zei?