Jeremia 13:1-11
Hier is,
I. Een teken, het verderf van de gordel, die de profeet enigen tijd had gedragen, door die in een kloof van de steenrots nabij de rivier Eufraat te verbergen. De profeten waren gewoon, door tekenen te leren, opdat een dom onnadenkend volk tot nadenken gebracht werd en geloofde en belang ging stellen in wat hun meegedeeld werd.
1. Hij moest enige tijd een linnen gordel dragen, vers 1,2. Sommigen menen, dat hij die onder zijn klederen droeg, omdat het linnen was, en er van gezegd wordt, dat hij die aan zijn lendenen deed, waaraan de gordel kleefde, vers 1, 11. Eer schijnt hij boven zijn klederen gedragen te zijn, want hij werd gedragen tot een naam en tot lof, en was waarschijnlijk een schone band, zoals officieren die in groot tenue dragen en ook in het Oosten gebruikelijk is. Hij moest die gordel niet in het water brengen, maar dragen gelijk die was, opdat hij sterker zou zijn en minder onderhevig aan verrotting, linnen verteert bijna evenzeer door wassen als door dragen. Wijl de gordel niet nat was, was hij te stijver en te minder buigzaam, toch moest hij hem dragen. Waarschijnlijk was het zeer fijn linnen, dat lang goed blijft zonder wassen. De profeet was, evenmin als Johannes de Doper, iemand, die gewoon was zachte klederen te dragen, en het zou daarom te opvallender zijn, hem met een linnen gordel om te zien, terwijl hij denkelijk aan een iederen gewoon was.
2. Nadat hij die linnen gordel enige tijd gedragen had, moest hij heengaan en die in de kloof van een steenrots versteken, vers 4, aan de waterkant waar hij bij hoge waterstand nat zou worden, en weer droog als het water viel, op die manier zou eer verrotting intreden dan wanneer de gordel steeds droog of altijd nat bleef.
3. Na vele dagen moest hij de gordel weer wegnemen: en zie, hij was verdorven en deugde nergens meer toe, vers 7. Het is steeds een vraag onder uitleggers geweest of de gordel inderdaad verrot was, zodat het volk het zien kon, of dat het alleen een droom of visioen van de profeet was en dus niet verder ging dan zijn geest. Men kan zich moeilijk voorstellen, dat de profeet twee zulke lange reizen naar de rivier de Eufraat zou maken, die ieder enige weken duren moesten, terwijl hij thuis zo node gemist kon worden, om deze reden zijn de meesten geneigd, aan geen wezenlijke reis te denken, maar alleen aan een visioen gelijk dat van Ezechiël omtrent Jeruzalem, toen deze zelf in Chaldea verkeerde, Ezechiël 8:3, 11:24. De verklaring van het teken wordt dan alleen de profeet gegeven, vers 8, niet het volk, wijl het teken dan alleen persoonlijk was. Maar daar een reis van Jeruzalem naar Babylon toen niet zo bezwaarlijk en de Eufraat niet overal zo ver van Kanaän af lag (ze was de uiterste grens van het Beloofde Land, Jozua 1:4), zie ik er geen moeilijkheid in, aan te nemen, dat de profeet inderdaad de beide reizen heeft gemaakt, want er wordt uitdrukkelijk gezegd, "Hij deed gelijk de Heere hem geboden had," en gaf zo een duidelijk bewijs van zijn gewillige gehoorzaamheid aan zijn God, om de hardnekkigheid van een ongehoorzaam volk te beschamen De moeite van de reis kon zeer juist de moeite voorstellen, die het volk deed om elkaar door afgoderij te verderven en van de droeve ellende hunner ballingschap. De Eufraat, de rivier van Babel, zou de plaats hunner gevangenschap zijn en daardoor de waarde van het teken verhogen.
II. De betekende zaak. De profeet was gewillig om, wat het ook kostte, het volk met het Woord des Heeren wakker te schudden. Bedienaren des Woords moeten zich geven en gegeven worden voor het heil van zielen. Wij hebben de uitlegging van dit teken in vers 9-11. 1. Het volk Israël was God als deze gordel geweest in twee opzichten:
a. Hij had ze met zich in een verbond en gemeenschap genomen, "gelijk een gordel kleeft aan de lendenen eens mans" en hem omgeeft, "alzo heb Ik het gehele huis Israëls en het gehele huis Juda aan Mij doen kleven". Zij waren een volk "nabij God" Psalm 148:14. Zij waren Zijn eigen, een bijzonder volk voor Hem, een koninklijk priesterdom, dat toegang tot Hem had boven alle andere volken. "Hij deed hen aan Zich kleven" door de wet, die Hij hun gaf, door de profeten die Hij hun zond, door de gunsten die Zijn voorzienigheid hun schonk. Hij begeerde hun gestadige hulde in de voorhoven van Zijn Huis en de telkens herhaalde bevestiging van Zijn verbond met hen door hun offeranden. Zó deed Hij hen aan Zich kleven, dat men zou gedacht hebben: een onafscheidelijke vereniging.
b. Hij had zulks gedaan tot Zijn eer. Toen Hij ze nam om "Hem een volk te zijn," was dat, opdat zij "Hem zouden zijn tot een naam en tot lof en tot heerlijkheid," gelijk een gordel een man tot sieraad strekt. Vooral de sierlijke gordel met de efod was de hogepriester tot glorie en schoonheid. Zie, met wie God verkiest om Zijn volk te zijn, bedoelt Hij zich lof te bereiden.
c. Het is hun plicht Hem te eren, door Zijn inzettingen te onderhouden, Zijn eer daardoor te verhogen en hun belijdenis op die wijs te versieren.
d. Het is hun geluk, dat Hij zich in hen en door hen verheerlijkt. Zij behagen Hem en Hij wordt geëerd door hun betrekking tot Hem, zo zij zich gedragen als Zijn volk betaamt. Hij noemt Zich als met een eretitel de God Israëls, 1 Kronieken 17:24. Tevergeefs menen of beweren wij Zijn volk te zijn, als wij Hem niet verheerlijken.
2. Door hun afgoderij en andere goddeloosheid hadden zij zich van Hem losgemaakt, verwijderd, Hem van de eer beroofd, die zij Hem schuldig waren, zichzelf in de aarde begraven, zich met de kinderen vermengd. Zij waren zo verdorven, dat zij "nergens meer toe deugden, " zij konden voor God niet meer zijn, gelijk hun bestemming was, "een naam en een lof en een eerlijkheid," want hun plicht wilden zij niet meer doen en hun voorrecht waardeerden zij niet langer. Zij weigerden naar Godswoorden te horen, waardoor zij Hem weer hadden kunnen aankleven. "Zij wandelden in de inbeeldingen van hun hart," waar hun fantasie hen ook heen leidde, en ontzegden zich geen enkel genot, waarin zij lust hadden, vooral in hun godsverering. Zij wilden "God niet aankleven maar wandelden andere goden na om hen te dienen en hen te aanbidden". Zij huldigden de goden van de heidenen naar de zijde van de Eufraat, zodat zij geheel bedorven werden voor de dienst van hun eigen God, en waren die gordel, die verrotte gordel, gelijk, een schande en geen sieraad voor hun stand. Jammer was het, dat zo'n gordel verdorven zou worden, dat zo'n volk zo ten enenmale ontaarden zou.
3. God zou hen door Zijn oordelen van Zich scheiden, ze in ballingschap heenzenden, al hun schoonheid wegnemen en hun uitnemendheid doen ophouden, zodat ze zouden zijn als een schone gordel, die verrot is, aan flarden ligt, een waardeloos, nutteloos, verachtelijk volk. Op die wijze zou God "de hovaardij van Juda en de grote hovaardij van Jeruzalem verderven." Hij zou hun ontnemen alles waarop zij zich beroemden, of waarin zij hun betrouwen stelden, het zou niet alleen besmet en bevuild worden, maar geheel verdorven, zoals de linnen gordel. Let hierop: Hij spreekt van de hovaardij van Juda" (het landvolk verhief zich op hun heilig land, op hun groot land), maar van de "grote hovaardij van Jeruzalem." Daar stonden de tempel en het koninklijk paleis, en daarom waren derzelver inwoners hoogmoediger dan het landvolk. God let op de mate van iemands hoogmoed, hij zal daarnaar zijn oordeel richten. Hoogmoed komt voor de val, en God wederstaat de hovaardigen. Hij zal óf de hoogmoed in ons vernederen (dit is die door Zijn genade wegnemen, er ons beschaamd over maken, ons daarom, gelijk Hiskia, vernederen, en er ons zo van genezen) -gelukkig hij, die door Gods genade zó vernederd wordt! -óf Hij bederft de zaak die ons hoogmoedig maakt. Aanleg, talenten, geleerdheid, macht, uiterlijke voorrechten zal God, zo wij er ons op verheffen, rechtvaardiglijk verderven. Zelfs de tempel werd, toen Israël er trots op was geworden, in de as gelegd. Het is Gods eer te zien op elkeen, die hoogmoedig is, en hem te vernederen.