Jeremia 33:1-9
Hier moet gelet worden op
I. De tijdsbepaling van deze troostrijke profetie, die God aan Jeremia toevertrouwde. Zij is niet nauwkeurig, alleen in zover, dat zij na die van het vorige Hoofdstuk valt, toen de toestand van dag tot dag slechter werd, het was "ten tweeden male. God spreekt eens of twee maal" tot bemoediging van Zijn volk. Wij zijn niet alleen zo ongehoorzaam, dat wij behoefte hebben aan "gebod op gebod," om ons tot onze plicht te brengen, maar zo wantrouwend, dat wij behoefte hebben aan belofte op belofte, om ons vertroosting te schenken. Dit woord, zowel als het vorige, "geschiedde tot Jeremia, als hij nog was opgesloten." Geen opsluiting kan Gods volk beroven van Zijn tegenwoordigheid, geen sloten of grendels kunnen Hem uitsluiten om hen niet met goedertierenheid te bezoeken, ja, dikwijls, als hun beproevingen overvloedig zijn zijn hun vertroostingen veel meer overvloedig, en zij hebben de meest levendige deelneming in Zijn gunst, als de wereld hen terugstoot. De liefelijkste brieven van Paulus waren die, welke in de gevangenis geschreven waren.
II. De profetie zelf. Zij bevat zeer veel troost tot verlichting van de gevangenen, om te verhinderen, dat ze ondergingen in wanhoop. Ziehier,
1. Wie het is, die hun deze troost verzekert, vers 2. Het is de Heere, die het doet, de Heere, die dat formeert. Hij is de formeerder van de hemel en de aarde, en heeft daarom alle macht in handen, dit slaat dus op Jeremia's gebed, Hoofdstuk 32:17. Hij is de Formeerder van Jeruzalem, van Zion, Hij bouwde ze in het eerst, en daarom kan Hij ze herbouwen, bouwde ze tot Zijn lof, en daarom zal Hij het doen. Hij formeert, opdat Hij het bevestige, en daarom zal het bevestigd worden, totdat datgene gekomen is, wat niet wankelen kan, maar eeuwig zal bestaan. Hij heeft deze belofte gedaan, Hij heeft het plan gemaakt voor Jeruzalems herstel en Hij die het gemaakt heeft, zal het bevestigen, Hij, die de belofte gedaan heeft, zal ze ook vervullen, want "Heere" is Zijn naam, een God, die Zijn beloften leven geeft door ze te vervullen en als Hij dat doet, is Hij bekend met die naam, Exodus 6:3, een God, die het volbrengt. Toen de hemel en de aarde geschapen waren toen en niet eerder, werd de Schepper "Heere" genoemd. Genesis 2:4.
2. Hoe deze troost verkregen en bereikt moet worden-door het gebed, vers 3 :Roep tot Mij en Ik zal u antwoorden. Als de profeet enige wenken van deze aard ontvangen heeft, moet hij in nederige ernst tot God gaan om verdere onthullingen van Zijn vriendelijke bedoelingen. Hij had gebeden, Hoofdstuk 32:16 maar hij moet weer bidden. Die verwachten troost van God te ontvangen, moeten in het gebed volharden. Wij moeten Hem aanroepen, dan zal Hij ons antwoorden. Christus zelf moet eisen, en het zal Hem gegeven worden, Psalm 2:8. "Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen (u een klaar en volledig beeld ervan geven), die gij, hoewel ten dele alreeds onthuld, niet weet, die gij niet verslaan en geloven kunt". Dit kan betrekking hebben niet alleen op de voorspelling van deze dingen, waarmee Jeremia, als hij het verlangt, begunstigd zal worden, maar op de vervulling van deze dingen waarvoor het volk van God, bemoedigd door deze voorspelling, moet bidden. Beloften worden gegeven, niet om het gebed te vervangen, maar om het te bespoedigen en aan te moedigen. Zie Ezechiël 36:37.
3. Hoe betreurenswaardig de toestand van Jeruzalem was, dat hij het nodig maakte, vertroostingen als deze te geven, en ondanks welke zijn herstel te rechter tijd tot stand zou komen, vers 4, De huizen van deze stad, niet uitgezonderd die van de koningen van Juda, zijn door de wallen, of werptuigen, of stormram, en door het zwaard, of bijlen of mokers, afgebroken. Het is hetzelfde woord, dat gebruikt wordt in Ezechiël 26:9. "Hij zal uw torens met zijn zwaarden afbreken." De sterkste, statigste huizen, en die het best gemeubileerd waren, werden met de grond gelijk gemaakt. Het vijfde vers is een tussenzin, die een uitvoeriger beschrijving geeft van de tegenwoordige rampzalige toestand van Jeruzalem. Zij, die er "ingekomen zin om te strijden tegen de Chaldeën," om het beleg te doen opbreken, deden meer kwaad doen goed, lokten de vijand uit tot hevige en woedende aanvallen, zodat de huizen te Jeruzalem opgevuld werden met dode lichamen van mensen, die stierven aan de wonden, die zij ontvingen bij de uitvallen tegen de belegerden. God zegt: "die Ik verslagen heb in Mijn toorn," want het zwaard van de vijanden was Zijn zwaard, en hun toorn was Zijn toorn. Maar het schijnt, dat zij, die verslagen werden, in `t algemeen die waren, die zich onderscheiden hadden door hun goddeloosheid, want zij waren dezelfden, "om wier boosheid Ik Mijn aangezicht van deze stad verborgen heb," zodat Hij rechtvaardig was in al wat Hij over hen bracht.
4. Wat de zegeningen zijn, die God bewaard heeft voor Juda en Jeruzalem, en die al hun bezwaren zullen opheffen.
A. Verkeren zij in een ziektetoestand? Zijn zij gewond? God zal krachtdadig voorzien in hun genezing, al dacht men, dat de ziekte dodelijk en ongeneeslijk was, Hoofdstuk 8:22. "Het gehele hoofd is ziek en het gehele hart is mat, Jesaja 1:5, maar, vers 6 :Ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen, Ik zal de dood verhinderen, de ziekte genezen, en alles recht maken", Hoofdstuk 30:17. Al is het geval nog zo wanhopig, als God de genezing beproeft, zal Hij ze ook bewerken. De zonde van Jeruzalem was zijn ziekte, Jesaja 1:6, zijn bekering zal derhalve zijn herstel zijn. En de volgende woorden zeggen ons, hoe die wordt gewerkt: "Ik zal hun openbare overvloed van vrede en waarheid, Ik zal hun die te rechter tijd geven en intussen zal Ik hun een bemoedigend vooruitzicht daarvan geven." "Vrede staat hier voor al wat goed is, vrede en waarheid zijn vrede, overeenkomstig de belofte, of vrede en waarheid zijn vrede en de ware godsdienst, vrede en de ware aanbidding van God, in tegenstelling met de vele valsheden en bedriegerijen, waardoor zij van God verwijderd waren". Wij kunnen het ook meer algemeen toepassen, en opmerken,
a. Dat vrede en waarheid het grote onderwerp van de goddelijke openbaring zijn. De beloften hier leiden ons tot het Evangelie van Christus, en daarin heeft God ons "vrede en waarheid" geopenbaard- de waarheid om ons te leiden, de vrede om ons tot rust te brengen. "Genade en waarheid, en overvloed van beide, zijn door Jezus Christus geworden." Vrede en waarheid zijn het leven van de ziel, en Christus is "gekomen, opdat wij het leven en overvloed zouden hebben." Christus heerst door de macht van de waarheid, Johannes 18:37, en daardoor heeft hij "veelheid van vrede." Psalm 72:1, 85:11.
b. Dat de goddelijke openbaring van vrede en waarheid, gezondheid en genezing brengt aan allen, die ze in geloof ontvangen, zij geneest de ziel van de ziekten, die deze heeft opgedaan, daar zij een middel tot heiligmaking is, Johannes 17:17. "Hij zond Zijn woord uit en heelde ze," Psalm 107:20. En dat brengt de ziel tot welstand en houdt ze in een goede stemming, om bezig te zijn en te genieten in het geestelijk en goddelijk leven.
B. Zijn zij verstrooid en onder het juk gebracht, en heeft hun volk opgehouden te bestaan?" Ik zal de gevangenissen wenden", vers 7, "beide die van Israël en die van Juda" (want hoewel die onder Zerubbabel terugkeerden, hoofdzakelijk van Juda, Benjamin en Levi waren toch keerden later ook velen van de andere stammen terug), "en zal hen bouwen als in het eerste." Als zij berouwvol hun eerste werken doen, zal God hen herstellen en Zijn eerste werken doen.
C. Is zonde de bewerker en de oorzaak van al hun ellende? Zij zal vergeven en gedood worden, en zo zal de wortel van de oordelen uitgerukt worden, vers 8.
a. Door de zonde zijn zij bezoedeld en hebben Gods heiligheid beledigd, maar "God zal ze reinigen, en zuiveren van al hun ongerechtigheid." Evenals zij, die naar de wet onrein waren, en daarom buiten de tabernakel gesloten werden, zodra zij besprenkeld waren met water van de ontzondiging, weer vrijen toegang hadden, zo hadden zij ook weer vrije toegang tot hun land, en al de voorrechten daarvan, zodra God hen van al hun ongerechtigheid gereinigd had. Met toespeling op die besprenkeling bidt David: Ontzondig mij met hysop.
b. Door zonde zijn zij schuldig geworden, en strafbaar voor Zijn gerechtigheid, maar "Hij zal alle hun ongerechtigheden vergeven," zal de straf doen ophouden, waaraan zij overgegeven waren om hun zonden. Allen, die door heiligmakende genade gereinigd zijn van de smet van de zonde, worden door vergevende genade bevrijd van de schuld van de zonde.
D. Hebben beide, hun zonde en hun lijden, de ere Gods verkeerd in onere? Hun bekering en herstel zal op dezelfde wijze tot Zijn lof strekken, vers 9. Aldus herbouwd en opnieuw bevolkt, zal Jeruzalem Mij zijn tot een vrolijken naam, even welbehagelijk aan God, als hij ooit tergend is geweest, tot een roem en tot een sieraad bij alle heidenen van de aarde. Wanneer zij aldus hersteld zijn, zullen zij God verheerlijken door hun gehoorzaamheid aan Hem, en Hij zal zichzelf verheerlijken door Zijn gunsten aan hen. Het vernieuwde volk zal evenzeer een aanbeveling van de godsdienst zijn, als het vroeger een bespotting daarvan was. De volken zullen al het goede horen, dat God door Zijn genade in hen heeft gewerkt, en al het goede, dat Hij door Zijn zorg voor hen heeft gewrocht. De wonderen van hun terugkeer uit Babel zullen evenveel beweging maken in de wereld als de wonderen van hun verlossing uit Egypte vroeger gedaan hadden. En zij zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede.
a. Het volk van God zal zelf vrezen en beven, zij zullen er zeer door verrast zijn, zij zullen bevreesd zijn zo'n goede God te beledigen en Zijn gunst te verbeuren. "Zij zullen vrezende komen tot de Heere en tot Zijn goedheid," Hosea 3:5. De naburige vorken zullen vrezen wegens de voorspoed van Jeruzalem, zij zullen tegen de toenemende grootheid van het Joodse volk opzien, als wezenlijk geducht, en zullen bevreesd zijn hen tot hun vijanden te maken. Wanneer de kerk schoon is gelijk de maan, en "zuiver als de zon, dan is zij schrikkelijk als slagorden met banieren."