1 Johannes 2:12-17
Dit nieuwe gebod van liefde, met de beweegredenen er toe, kan gegeven worden aan de verschillende klassen van discipelen, die hier opgenoemd worden. De onderscheidene groepen van de algemene Christelijke kerk moeten zeker zijn, dat de band der heilige liefde behouden wordt. Maar aangezien een belangrijke verslapping en afzakking van den levenden godsdienst zeker te wachten is zonder liefde tot God en de broederen, heeft de apostel het terecht van belang geacht om dat nieuwe gebod plechtig aan elk der verschillende klassen in de school van Jezus aan te bevelen. De kinderen of minderjarigen, de volwassenen en de ouden (de teleioi, de meest-volmaakten) in de Christelijke. gemeente moeten weten, dat zij de wereld niet behoren lief te hebben enz.
I. De vermaning wordt gericht aan de verschillende groepen en standen in de gemeente van Christus. Alle Christenen staan niet op dezelfde hoogte en hebben niet dezelfde grootte: er zijn zuigelingen in Christus, er zijn volwassen mannen en er zijn oude discipelen. Dezen hebben ieder hun bijzonderen toestand, en ook ieder hun bijzondere plichten, maar er zijn voorschriften en er is een gehoorzaamheid, die voor allen zonder onderscheid verbindend zijn, zoals wederkerige liefde en het verzaken van de wereld. Wijze herders zullen dus het woord des levens met oordeel uitdelen, en geven aan ieder der verscheidene leden van het Christelijk gezin zijn geschikte aandeel.
Ik schrijf u, kinderen, vaders en jongelingen. De apostel noemt:
1. De laagsten in de Christelijke school: Ik schrijf u, kinderkens, vers 12. Er zijn nieuwelingen in den godsdienst, zuigelingen in Christus, die de eerste beginselen van de Christelijke godzaligheid moeten leren. De apostel schijnt hen te bemoedigen door zich het eerst tot hen te wenden. Ook is het soms nuttig voor de meergevorderden om te horen wat tot de jongeren gezegd wordt, de beginselen moeten herhaald worden, want de eerste beginselen zijn de grondslag van al het overige. Hij richt zich tot de kinderen in het Christendom om twee redenen:
A. Want de zonden zijn u vergeven om Zijns naams wil, vers 12. De jongste oprechte discipel heeft vergeving van zonden ontvangen, de gemeenschap der heiligen gaat samen met de vergeving der zonden. De zonden zijn vergeven ter wille van Gods naam, tot roem en prijs van Zijne heerlijkheid, omdat Zijn heerlijke volkomenheid in die vergeving geopenbaard wordt. Of zij zijn vergeven ter wille van den naam van Christus, om Zijnentwil, ter wille van de verlossing die in Hem is. En zij, wie de zonden door God vergeven zijn, zijn ten sterkste verplicht om deze wereld te verloochenen, die in tegenstand is met de liefde Gods.
B. Omdat zij God kennen, Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend, vers 13. Kinderen kennen gewoonlijk niemand zo spoedig als hun vader. De kinderen in het Christendom behoren hun Vader te kennen en kennen Hem. Zij zullen Mij allen kennen van de kleinen onder hen tot de groten onder hen, Hebreeën 8:11. Kinderen in Christus moeten weten dat God hun Vader is, dat is hun wijsheid. Het is een wijs kind, dat zijn vader kent. Deze kinderen kunnen niet anders dan den hunnen kennen, zij kunnen er wel van verzekerd zijn door wiens kracht zij wedergeboren en door wiens genade zij aangenomen werden. Zij, die den Vader kennen, mogen zich wel uit de liefde der wereld terugtrekken. Daarna gaat de apostel voort: 2. Tot de hoogsten in de school, de ouden in het Christendom, die hij op eervolle wijze aanspreekt. Ik schrijf u, vaders, vers 13, 14.
Mnasons, oude discipelen, Handelingen 21:16. De apostel gaat onmiddellijk van de laagste klasse naar de hoogste over, opdat zij, die in het midden staan, beide lessen mogen horen, en daardoor zich herinneren wat zij geleerd hebben en opletten op hetgeen nog volgen zal. Ik schrijf u, vaders. Ook zij, die het langst in de school van Christus verkeerd hebben, moeten nog raad en verder onderricht ontvangen, de oudste discipel moet naar den hemel (de hogeschool hierboven) gaan met zijn leerboek, zijn bijbel, in de hand, ook aan de vaders moet geschreven worden, niemand is ooit te oud om te leren. Hij schrijft hun op grond van hun kennis. Ik schrijf u, vaders, want gij hebt Hem gekend, die van den beginne is, vers 13, 14. Oude mensen hebben kennis en ondervinding en verwachten erkenning. De apostel is bereid om de kennis van de oude Christenen te erkennen, en hen daarmee geluk te wensen. Zij kennen den Heere Christus, voornamelijk als Hem, die van den beginne is, zie Hoofdstuk 1:1. Christus is de Alfa en de Omega, Hij moet dus het begin en het einde van onze Christelijke kennis zijn. Ik acht alle dingen schade om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus mijnen Heere, Filippenzen 3:8. Zij die Hem kennen, die van den beginne was, voordat de wereld gemaakt was, mogen daardoor er wel toe gebracht worden om de wereld te verloochenen. Daarna:
3. Tot de volwassenen in Christus, zij, die in hun bloei en kracht zijn. Ik schrijf u, jongelingen, vers 13, 14. Dezen zijn als volwassenen gekomen tot een kracht van geest en gezond verstand, dat zij onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad. De apostel neemt dat voor reden voor zijn schrijven aan hen.
A. Hij schrijft hun om hun krijgsdaden. Zij zijn goede krijgsknechten van Christus: Want gij hebt den boze overwonnen, vers 13. Er is een boze, die onophoudelijk strijd voert tegen onze zielen, en voornamelijk tegen de discipelen, maar zij, die in de school van Christus wèl onderwezen zijn, hebben de behandeling van hun wapenen geleerd en overwinnen den boze. En zij, die hem kunnen overwinnen, worden geroepen om ook de wereld te overwinnen, die zulk een groot werktuig des bozen is.
B. Om hun kracht, die door deze daden bewezen is. Want gij zijt sterk en hebt den bozen overwonnen, vers 14. Jonge mensen zijn gewoon zich op hun kracht te beroemen, het behoort de heerlijkheid van jongelingen te zijn sterk in Christus en in Zijne genade te zijn, het zal hun heerlijkheid zijn en hun krachten oefenen, zo zij den duivel overwinnen, want indien zij den duivel niet te sterk zijn, dan zal hij hun te sterk zijn. Krachtige Christenen moeten dus hun sterkte tonen door het overwinnen van de wereld, en dezelfde kracht moet aangewend worden om de wereld te overwinnen, die nodig was om den duivel te overwinnen.
C. Om hun bekendheid met het Woord van God. En het woord Gods blijft in u, vers 14. Het Woord van God moet in de volwassen discipelen blijven, dat is voor hen het voedsel en de toevoer van kracht, het is het wapen, waarmee zij den duivel overwinnen, het zwaard des Geestes, waarmee zij al zijn aanvallen afslaan, en zij, in wie het Woord Gods woont, zijn goed toegerust om de wereld te overwinnen. II. Op deze wijze is de volgende ontrading ingeleid en thans komt de waarschuwing, die in acht genomen moet worden door ieder, die levenden praktischen godsdienst beoefenen wil. Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is, vers 15. Zijt gekruisigd voor de wereld, gestorven aan haar aantrekkelijkheden en zaken. Alle soorten van Christenen moeten zich daarin verenigen, dat zij dood zijn voor de wereld. Indien zij daarin verenigd waren, dan zouden zij het spoedig ook op andere punten zijn, hun liefde zou voor God bewaard worden en niet aan de wereld weggeworpen. Hier zien wij de redenen voor deze waarschuwing. Zij zijn vele en dat is goed, want het is moeilijk de discipelen van de liefde voor de wereld af te trekken. De redenen zijn deze:
1. De onbestaanbaarheid van deze liefde met de liefde tot God. Zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem, vers 15. Het hart van den mens is eng, het kan die beide liefden niet tegelijk bevatten. De wereld trekt het hart van God af, en hoe meer de liefde voor de wereld de overhand verkrijgt, des te meer zal de liefde tot God verzwakken en verdwijnen.
2. De wereldse liefde en begeerlijkheden zijn verboden, zij zijn niet uit God. Niet uit den Vader, maar uit de wereld, vers 16. Deze liefde en begeerlijkheid zijn niet door God voorgeschreven, maar Hij roept er ons van terug, zij rijzen uit de wereld op, en de wereld maakt zich meesteres van onze genegenheid. Maar hier vinden wij de ware beschouwing en beoordeling van de wereld, volgens welke zij door ons gekruisigd en verloochend moet worden. De wereld, de stoffelijke zaken op zich zelve, is goed en moet bewonderd worden als het werk van God en een spiegel, waarin Zijn volmaaktheden weerkaatsen, maar zij moet beschouwd worden in haar tegenwoordige betrekking tot ons in onzen verdorven toestand, en zoals zij werkt op onze slechte genegenheden en die ontvlamt. Er is grote vriendschap en verbintenis tussen deze wereld en het vlees, en deze wereld oefent invloed op het vlees, en maakt dat tot een vijand Gods. De dingen der wereld worden daarom onderscheiden in drie soorten, overeenkomstig hun invloed op de drie voornaamste neigingen van onze bedorven natuur, en wel:
A. De begeerlijkheid des vlezes. Het vlees, hier onderscheiden van de ogen en het leven, bedoelt het lichaam. De begeerlijkheid des vlezes is, onderwerpelijk, de lust en begeerte naar het genieten van vleselijke vermaken, en voorwerpelijk, alles wat de vermaken des vlezes prikkelt en ontvlamt. Deze begeerlijkheid wordt gewoonlijk weelderigheid en wellust genoemd.
B. De begeerlijkheid der ogen. De ogen worden verblijd door schatten, rijkdom en rijke bezittingen zijn de begeerte van een buitensporig oog. Dat is de begeerlijkheid van de gierigheid.
C. De grootsheid des levens. Een ijdel gemoed streeft naar alle grootheid, opschik, praal van een ijdel schitterend leven, dat is eerzucht en dorst naar eer en toejuiching. Deze is, in zeker opzicht, de ziekte van het oor, dat wil door bewondering en lof gevleid worden. De voorwerpen van deze begeerlijkheden moeten verlaten en verloochend worden, want zij nemen de begeerte en genegenheid in beslag en doen die toenemen, zij zijn niet uit den Vader, maar uit de wereld, vers 16. De Vader versmaadt ze, en de wereld mag ze voor zich zelve houden. De begeerte naar deze dingen moet onderdrukt en gedood worden, en dus is het toegeven er aan niet door den Vader gewild, maar wordt opgelegd door de verlokkende wereld.
3. De ijdele en verdwijnende gedaante van de aardse dingen en van hun genot. En de wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid, vers 17. De dingen dezer wereld zijn verdwijnend en voortdurend stervend. De begeerte zelf en het genot er van staan tegen en vergaan, de begeerte zal binnenkort afnemen en verdwijnen, Prediker 12:5. En wat is er geworden van al de pracht en al het vermaak dergenen, die nu in het graf tot stof vergaan?
4. De onsterflijkheid van hem, die God liefheeft. Maar die den wil van God doet -hetgeen de eigenschap moet zijn van hem, die God liefheeft, in tegenstelling met hem, die de wereld bemint-blijft in der eeuwigheid, vers 17. Het voorwerp van zijn liefde blijft, in tegenstelling met de wereld die voorbijgaat, in eeuwigheid, zijn heilige lust en liefde, in tegenstelling met de begeerlijkheid die voorbijgaat, blijft in eeuwigheid, de liefde zal nimmer vergaan, en hijzelf is een erfgenaam van onsterfelijk leven, en zal dat op zijn tijd verkrijgen. Uit den gehelen inhoud van deze verzen leren wij de reinheid en geestelijkheid van de apostolische leer kennen. Het dierlijke leven moet onderworpen worden aan het goddelijke, het lichaam met zijn genegenheden moet ondergeschikt zijn aan de ziel, en de ziel moet bewogen worden door den godsdienst, of de overwinnende liefde tot God.