Psalm 79:6-13
De gebeden, die hier tot God worden opgezonden, zijn zeer gepast voor de tegenwoordige treurige toestand van de kerk, en zij hebben er pleitgronden aan toegevoegd om er kracht aan bij te zetten, welke pleitgronden merendeels aan de eer Gods zijn ontleend.
1. Zij bidden dat God Zijn toorn van hen zal afkeren, en hem richten zal tegen hen, die hen vervolgden en mishandelden, vers 6. Stort Uwe grimmigheid uit, de volle fiolen ervan, over de heidenen, laat hen de droesem er van uitpersen en hem drinken. Dit gebed is feitelijk een profetie, waarin de toorn van God geopenbaard is van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen.
Merk hier op:
a. Het karakter van hen, tegen wie hij bidt, het zijn dezulken, die God niet kennen en Zijn naam niet aanroepen. De reden waarom de mensen God niet aanroepen, is dat zij Hem niet kennen, niet weten hoe machtig en bereid Hij is om hen te helpen. Zij, die in onbekendheid met God volharden en het gebed veronachtzamen, zijn de goddelozen, die leven zonder God in de wereld. Er zijn koninkrijken, die God niet kennen, het Evangelie niet gehoorzamen, maar noch hun menigte, noch hun samengevoegde krachten, zullen hen tegen Zijn rechtvaardige oordelen beveiligen.
b. Hun misdaad: Zij hebben Jakob opgegeten, vers 7. Dat is misdadig genoeg in de schatting van Hem, die acht dat wie Zijn volk aanraakt, Zijn oogappel aanraakt. Zij hebben Jakob niet slechts beroerd, maar verslonden, niet slechts inbreuk gemaakt op zijn woonstede, het land Kanaän, maar haar verwoest door haar te plunderen en te ontvolken.
c. Hun veroordeling. Stort Uwe grimmigheid over hen uit, weerhoud hen niet slechts van nog meer kwaad te doen, maar reken met hen af voor het kwaad, dat zij reeds gedaan hebben.
2. Zij bidden om de vergeving hunner zonden, die zij erkennen de oorzaak te zijn van hun rampen. Hoe onrechtvaardig de mensen ook waren, God was rechtvaardig dat Hij hun toeliet te doen wat ze deden. Zij bidden:
A. Dat God hun de vorige misdaden niet zou gedenken, vers 8, hetzij hun eigen vroegere ongerechtigheden, dat Hij hen, nu zij oud zijn, de misdaden hunner jonkheid niet zal doen erven, of de vorige misdaden van hun volk, de zonden hunner voorouders. In de Babylonische gevangenschap werden vorige misdaden in rekening gebracht, maar God belooft dit niet weer te doen, Jeremia 31:29, 30, en zo bidden zij, Gedenk ons de vorige zonden niet. Sommigen denken dat dit terugziet op het gouden kalf, omdat God gezegd heeft: "Ten dage Mijns bezoekens, zo zal Ik hun zonde over hen bezoeken," Exodus 32:34. Indien de kinderen door berouw en verbetering van hun leven de erfenis van de zonde hunner ouders tenietdoen, dan kunnen zij in het geloof bidden dat God ze niet tegen hen zal gedenken. Als God de zonde vergeeft, dan delgt Hij haar uit en gedenkt haar niet meer.
B. Dat Hij verzoening zal doen over de zonden, waaraan zij zich onlangs hebben schuldig gemaakt en waardoor hun gemoed en geweten verontreinigd waren geworden. Red ons, en doe verzoening over onze zonden, vers 9. Redding uit benauwdheid wordt geschonken in liefde, en is inderdaad een zegen, als zij gegrond is op vergeving van zonde en daaruit voortvloeit, daarom moeten wij vuriger zijn in het gebed tot God om de wegneming van onze zonden, dan om de wegneming van onze beproevingen, en de vergeving ervan is de grond en de lieflijkheid van onze uitreddingen.
3. Zij bidden dat God verlossing en heil voor hen zal werken, en hun moeilijkheden tot een goed einde zal brengen, en dat wel spoedig: haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen, vers 8. Zij hadden geen andere hoop dan op Gods barmhartigheden, Zijn ontfermingen, hun toestand was zo deerniswaardig, dat zij zich als de geschikte voorwerpen beschouwden van het Goddelijk mededogen, en zo wanhopig schier, dat zij, indien Gods genade niet spoedig tussenbeide trad om hun algeheel verderf te voorkomen, verloren zouden zijn. Dit vuurt hen aan in hun dringend smeken: Heere, help ons Heere, red ons, help ons onder onze benauwdheden, opdat wij ze goed en naar behoren dragen, help ons uit de benauwdheden, opdat de moed ons niet begeve. Verlos ons van zonde, bewaar ons opdat wij niet bezwijken. Zij pleiten op drie dingen:
A. Op de grote ellende waarin ze verkeerden. "Wij zijn zeer naar beneden gebracht vers 8, en, in de diepte zijnde zullen wij verzinken, zo Gij ons niet te hulp komt." Hoe meer wij naar beneden zijn gebracht, hoe meer hulp wij nodig hebben van de hemel, en hoe meer de macht van God in ons op te heffen verheerlijkt zal worden.
B. Hun steunen en getrouwen op Hem. Gij zijt de God onzes heils, die alleen instaat zijt ons te helpen, het heil is des Heeren, van wie wij hulp verwachten, want in de Heere alleen is het heil Zijns volks." Zij, die God tot de God huns heils stellen, zullen Hem aldus bevinden.
C. Het belang van Zijn eigen eer in hun toestand. Zij pleiten op generlei verdienste van henzelf, maar: "Help ons, ter oorzake van de eer Uws naams, vergeef ons om Uws naams wil." De beste aanmoedigingen in het gebed zijn die, welke alleen in God gelegen zijn en in de dingen, waardoor Hij zich bekend heeft gemaakt. Er wordt in dit pleiten op twee dingen gewezen.
a. Dat Gods naam en eer er grotelijks onder zouden lijden, indien Hij hen niet redde, want zij, die hen bespotten, lasterden God, alsof Hij zwak was en hen niet kon helpen. of zich terugtrok omdat Hij hen niet wilde helpen. Daarom pleiten zij: Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Hij heeft hen verlaten, heeft hen vergeten, en dit hebben zij nu van hun aanbidden van een God, die zij niet zien kunnen. "Ni praete nubes, et coeli numen adorant Jun. Zij aanbidden geen andere Godheid dan de wolken en de lucht." Hetgeen hun tot lof was (dat zij een God aanbidden die alomtegenwoordig is), werd nu verkeerd tot hun en ook Zijn, versmaadheid, alsof zij een God dienden, die nergens is. "Heere," zeggen zij, Doe het blijken dat Gij zijt, door het te doen blijken dat Gij met en voor ons zijt, zodat, als ons gevraagd wordt: Waar is uw God? wij instaat zijn om te zeggen: Hij is nabij ons in al hetgeen, waarvoor wij Hem aanroepen, en gij ziet dat Hij dat is in hetgeen Hij voor ons doet."
b. Dat Gods naam en eer grotelijks bevorderd zouden worden indien Hij hen verloste, Zijn genade zou verheerlijkt worden in de verlossing van hen, die ellendig en hulpeloos waren. Door Zijn eeuwige arm tot hun behoeve te onbloten, zal Hij zich een eeuwige naam maken, en hun verlossing zal een type en afschaduwing zijn van de grote verlossing, die in de volheid des tijds gewerkt zal worden door Messias, de Vorst, tot eer en roem van Gods naam. 4. Zij bidden dat God hen zal wreken op hun vijanden:
a. Om hun wreedheid: "Laat de wraak des vergoten bloeds" (overeenkomstig de aloude wet, Genesis 9:6), "onder de heidenen bekend worden, laat hen er zich van bewust worden dat de oordelen, die over hen gebracht zijn, straffen zijn voor het onrecht, dat zij ons gedaan hebben, laat dit onder onze ogen bekend worden, en laat hierdoor God bekend worden onder de heidenen, als de God, "wiens de wrake is," Psalm 94:1 en de God, die de zaak Zijns volks omhelst. Aan hen, die zich dronken hebben gemaakt met het bloed van de heiligen, zal bloed te drinken worden gegeven want zij zijn het waardig.
b. Voor hun onbeschoftheid en hun minachting, vers 12. "Geef onze naburen zevenvoudig weer in hun schoot hun smaad, waarmee zij U, O Heere, gesmaad hebben. Laat hun de smaad en de beledigingen, die zij in woorden en daden aan het volk van God, aan Hemzelf, aan Zijn naam en eer, aangedaan hebben, met interest worden vergolden." Wij moeten het aan God overlaten, of Hij de smaad, waarmee de mensen ons gesmaad hebben, hun al of niet zal vergelden, en moeten bidden dat Hij hun vergeven zal, maar wij mogen bidden in het geloof dat God de smaad, waarmee zij Hem gelasterd hebben, zevenvoudig in hun boezem zal wedergeven, zodat Hij hun hart treft ten einde hen te vernederen en tot bekering te brengen. Dit gebed is een profetie van dezelfde strekking als die van Henoch, "om te straffen alle goddelozen vanwege al de harde woorden, die zij tegen Hem gesproken hebben,' Judas: 15, die Hij in hun boezem zal wedergeven door eeuwige verschrikkingen bij de herinnering eraan.
5. Zij bidden dat God een weg ter ontkoming zal vinden voor Zijn arme gevangenen inzonderheid voor de ter dood veroordeelde gevangenen, vers 11. Het lot van hun broederen, die in de handen des vijands waren gevallen, was zeer treurig, zij werden in strenge gevangenschap gehouden, en omdat zij niet durfden hun gekerm laten horen, gaven zij lucht aan hun smart door stille verzuchtingen. Al hun ademhalen was zuchten, en dat was ook hun gebed. Zij waren aangewezen om ter dood te worden gebracht, als schapen ter slachting en hadden al zelf in zichzelf het vonnis des doods. Die treurige zaak beveelt de psalmist:
a. Aan het Goddelijk mededogen: Laat het gekerm van de gevangenen voor Uw aanschijn komen, het behage U kennis te nemen van hun zuchten.
b. Aan de Goddelijke macht: "naar de grootheid Uws arms, waarmee geen schepsel kan strijden, behoud overig de kinderen des doods van de dood, waartoe zij verwezen zijn." De uiterste nood van de mens is Gods gelegen tijd om voor Zijn volk te verschijnen. Zie 2 Corinthiers 1:8-10.
Eindelijk. Zij beloven de vergelding des lofs voor de verhoring van hun gebed, vers 13. Zo zullen wij U loven in eeuwigheid.
Merk op:
a. Hoe zij zich verlustigen in hun betrekking tot God. "Wij zijn verdrukt en naar de diepte gebracht, maar toch zijn wij de schapen Uwer weide, die met dat al toch niet door U verstopt en of verlaten zijn, wij zijn de Uwen, behoud ons." b. Hoe zij zich vleien met de gelegenheid van God te loven voor hun redding, die zij begeerden en welkom zouden heten, omdat deze hun de stof zou bieden voor dankzegging aan God, en hen zou stemmen voor dat uitnemende werk, het werk des hemels.
c. Hoe zij zich verplicht achten, niet slechts om thans Gode dank toe brengen, maar om van geslacht tot geslacht Zijn roem te vertellen, dat is: om alles te doen wat zij konden, beide om de gedachtenis van Gods gunsten jegens hen te doen voortleven en om hun nakomelingen aan te sporen om dit werk des lofs voort te zetten.
d. Hoe zij hierop pleiten bij God: "Heere, verschijn voor ons tegen onze vijanden, want als zij tegen ons overmogen, dan zullen zij U smaden, vers 12, maar als wij verlost worden, dan zullen wij U loven. Heere, wij zijn Uw volk, dat Gij geformeerd hebt om Uwen lof te vertellen, als wij nu uitgeroeid worden, vanwaar zal U dan deze hulde, deze schatting gebracht worden?" De levens, die geheel aan Gods lof zijn toegewijd staan voorzeker onder Zijn bescherming.