Jeremia 18:1-10
De profeet wordt hier gezonden naar het huis van de pottenbakker (hij wist waar hij het vinden moest), om geen preek te houden als vroeger voor de poorten van Jeruzalem, maar zich op een voor te bereiden, of liever om er een te ontvangen, kant en klaar. Die hun preken, zoals hij, door onmiddellijke inspiratie hadden, behoefden hun preken niet te bestuderen. "Ga af in het huis des pottenbakkers, en merk, hoe hij zijn werk verricht, en aldaar zal Ik u, stil fluisterend, Mijn woorden doen horen." Daar zult gij een boodschap ontvangen, die gij zult overbrengen aan het volk. Die Gods bedoeling willen weten, moeten letten op Zijn vingerwijzingen, en daarheen gaan, waar zij Zijn woorden kunnen horen. De profeet was nimmer ongehoorzaam aan het hemels gezicht, en ging daarom in des pottenbakkers huis, vers 3, en gaf acht, hoe hij een werk op de schijven maakte, juist zoals hem behaagde, met groot gemak, en in weinig tijds vers 4, En als een klomp leem, die hij in een vorm wilde kneden, te stijf bleek, of, dat er een steen inzat, of op een of andere manier in zijn hand verdorven werd, draaide hij die terstond in een anderen vorm, zal het niet dienen tot een vat ter ere, dan zal het dienen tot een vat ter onere, gelijk als het recht was in de ogen des pottenbakkers. Het is waarschijnlijk, dat Jeremia zeer goed wist, hoe de pottenbakker zijn werk deed, en hoe gemakkelijk hij het in elke begeerde vorm draaide, maar hij moet gaan en het nu waarnemen, opdat, terwijl hij het begrip ervan vers in zijn geest had, hij te gereder en te duidelijker de waarheid mocht leren, die God hem daarmee wilde beduiden, en hij het te begrijpelijker mocht uitlegger aan het volk. "Door de dienst van de profeten zal Ik gelijkenissen voorstellen," Hosea 12:11, en het was een vereiste, dat zij zelf de gelijkenissen zouden verstaan, die zij gebruikten. Dienaren zullen een goed gebruik maken van hun aanraking met de zaken, en de dingen van dit leven als zij daardoor leren duidelijker en meer vertrouwelijk tot het volk te spreken over de dingen van God, en bijbelse gelijkenissen te verklaren. Want zij behoren al hun kennis op een of andere wijze dienstbaar te maken aan hun beroep.
Laat ons nu zien, wat de boodschap is, die Jeremia ontvangt, en waarvan de overbrenging hem is toevertrouwd, in het huis van de pottenbakker. Terwijl hij zorgvuldig let op het werk van de pottenbakker, geeft God hem deze twee grote waarheden in de geest, die hij aan "het huis van Israël" prediken moet.
I. Dat God beide, een onbetwistbaar recht en een onweerstaanbare macht heeft om koninkrijken en volken te vervormen, naar Hem behaagt, om Zijn eigen plannen te bevorderen: Zal Ik ulieden niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, spreekt de Heere? vers 6. Heb Ik geen even absolute macht over u ten aanzien van beide, kracht en recht? Neen God heeft een klaarder recht op heerschappij over ons dan de pottenbakker over zijn klei, want de pottenbakker geeft er alleen vorm aan, terwijl wij beide, inhoud en vorm, van God ontvangen. "Gelijk leem in de hand des pottenbakkers gekneed en gevormd wordt, gelijk hem behaagt, alzo zijt gijlieden in Mijn hand." Dit wil zeggen:
1. Dat God een onbetwistbare soevereiniteit over ons heeft, onze schuldenaar niet is, over ons beschikken mag, zoals Hem goeddunkt, niet verantwoordelijk is aan ons, en dat het even ongerijmd zou zijn voor ons om dit te betwisten, als voor het leem om met de pottenbakker te twisten.
2. Dat het heel gemakkelijk voor God is van ons het gebruik te maken, dat Hem behaagt, en dat wij Hem niet kunnen weerstaan. Een handomdraaien, een wenteling van het wiel, verandert de vorm van het leem geheel en al maakt het tot een vat, vernietigt het, maakt het opnieuw. Zo zijn onze tijden in Gods hand, en niet in de onze, en het is tevergeefs, dat wij met Hem strijden. Hier wordt gesproken van volken, de politiek sterksten, de machtigsten zijn, wat God behaagt er van te maken, en niet anders. Zie dit uitgelegd bij Job, Hoofdstuk 12:23:"Hij vermenigvuldigt de volkeren en verderft ze, Hij breidt de volkeren uit en leidt ze." Zie Psalm 107:33 enz. en vergelijk Job 34:29. "Zie de volkeren zijn geacht als een druppel van een emmer, snellijk weggevaagd, en als een stofken van de weegschaal," spoedig weggeblazen, Jesaja 40:15, en worden daarom, zonder twijfel, even gemakkelijk behandeld als het leem door de pottenbakker.
3. Die God wil zich door niemand Zijn heerlijkheid laten ontnemen, en, als Hij, op de lange duur, niet door hen verheerlijkt wordt, zal Hij zichzelf verheerlijken te hun koste. Als des pottenbakkers vat verdorven wordt voor het een doel, dan moet het dienst doen voor een ander, die geen gedenktekenen van genade willen wezen, zullen gedenktekenen van rechtvaardigheid zijn. "De Heere heeft alles gewrocht om Zijns zelfs wille, ja ook de goddeloze tot de dag des kwaads," Spreuken 16:4. God formeerde ons uit het stof, Job 33:6, en wij zijn nog steeds als leem in Zijn handen, Jesaja 64:8 en heeft Hij niet evenveel macht over ons ais de pottenbakker over het leem? Romeinen 9:21, en zijn wij niet als het leem, gebonden ons te onderwerpen aan de wijsheid en de wil van de pottenbakker? Jesaja 29:15,16, 45:9.
II. Dat Hij in de uitoefening van Zijn recht en macht, altijd handelt volgens vaste regels van billijkheid en goedheid. Inderdaad Hij schenkt gunsten weg op de wijze van een souverein, maar straft nooit door willekeurige machtsuitoefening. Uw rechterhand is hoog, maar, zoals daar volgt, gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons," Psalm 89. 14, 15. God betuigt U Zijn oppermacht, en vertelt ons wat Hij kan doen, maar ter zelfder tijd verzekert Hij ons, dat Hij zal handelen als een rechtvaardig en genadig Rechter.
1. Als God ons tegenkomt op de weg des oordeels, kunnen wij zeker zijn, dat het om onze zonde is, `t geen hieruit blijken zal, dat een nationaal berouw de voortgang van de oordelen stuiten zal, vers 7, 8:Een ogenblik zal Ik spreken over een volk, dat Ik het zal uitrukken, zijn muren omverwerpen, zijn vruchtbomen uitroeien en dan aan zijn lot overlaten-zijn versterkingen neerhalen, opdat de vijand er vrijelijk binnen komen kan, en zijn huizen, opdat zijn inwoners genoodzaakt worden er uit te gaan, en het verdoen, zoals een wijngaard of een stad verdaan wordt-als het volk ontsteld wordt, zijn zonden betreurt en zijn leven betert, als iedereen zich afkeert van zijn bozen weg en tot God terugkeert, zal God ze genadiglijk aannemen, niet voortgaan met Zijn twist, in genade tot hen wederkeren, en schoon Hij Zijn gedachten niet veranderen ken, zal Hij Zijn weg veranderen, zodat men zeggen kan: "Het berouwt Hem over het kwaad, dat hij zei aan hen te zullen doen." Aldus geschiedde vaak in de tijd van de Richteren, wanneer het onderdrukte volk zich boetvaardig toonde, verwekte God hun verlossers, en als zij zich bekeerden tot God, namen hun zaken terstond een anderen keer. Zo ging het met Nineve, en wij zouden wensen, dat het vaker zo met Jeruzalem was geweest, 2 Kronieken 7:14. Het is een ontwijfelbare waarheid, dat een oprechte bekering van de boosheid van de zonde een wezenlijke belemmering zal zijn van het kwaad van de straf, en God kan even gemakkelijk een boetvaardig volk uit zijn vernietiging opheffen als de pottenbakker een vat van leem opnieuw maken kan, wanneer het verdorven werd in zijn hand.
2. Als God tot ons komt op de weg van de genade, kan niets dan zonde de voortgang dier genade stuiten, vers 9, 10:"Als Ik spreek over een volk, dat Ik het zal bouwen en planten," al zijn wezenlijke belangen bevorderen en bevestigen zal, dan is dat "Gods akkerwerk, Gods gebouw", 1 Corinthiers 3:9, en als Hij spreekt ten gunste van dat volk, dan wordt het gezegend, vermeerderd, verrijkt, uitgebreid, zijn handel bloeit, zijn regering is in goede handen en al zijn zaken bloeien en zijn ondernemingen slagen. Maar als dit volk, dat God aldus met weldaden overlaadt, "doet wat kwaad is in Zijn ogen en Zijn stem niet gehoorzaamt, als het zijne deugd verliest, en losbandig en goddeloos wordt, als de godsdienst in minachting raakt, en de ondeugd in de mode komt en aldus de steun van een goede naam geniet, en er onder hen een algemeen verval van ernstige godzaligheid is, -dan zal God Zijn hand tegen hen keren, zal uitrukken, wat Hij bezig was te planten, en neerhalen, wat Hij aan `t bouwen was," Hoofdstuk 45:4, het goede werk, dat in wording was, zal stilstaan en achterwege blijven, en alle verdere bedoelde gunsten zullen ingehouden worden, en dit wordt genoemd Zijn "berouw over het goede, met hetwelk Hij gezegd had het te zullen weldoen," zoals Hij van plan veranderde met het huis van Eli, I Samuël 2:30, en zoals Hij Israël haastig weer in de woestijn voerde, toen Hij het reeds in `t gezicht van Kanaän had gebracht. Zonde is de grote kwaadstichtster tussen God en een volk, zij verbeurt de weldaad van Zijn beloften en bederft de uitwerking van hun gebeden. Zij vernietigt Zijn goede bedoelingen met hen, Hosea 7:7, en stelt hun aangename verwachtingen van Hem teleur. Zij maakt een einde aan hun gelukkige toestand, verlengt hun moeilijkheden, brengt hen in `t nauw, en stelt hun verlossing uit, Jesaja 49:12.