Jeremia 31:27-34
Nadat de profeet zijn slaap zoet bevonden heeft door de openbaringen van de goddelijke genade, valt hij weer in slaap, in hope op verdere mededelingen, en wordt niet teleurgesteld. Want verder wordt beloofd:
I. Dat Gods volk talrijk en welvarend zal worden. Israël en Juda zullen bezaaid worden met zaad van mensen en zaad van beesten, als waren beide planten, vers 27. Zij zullen toenemen en vermenigvuldigen als een met koren bezaaide akker, en dat in de vrucht van Gods zegen, vers 23. Want wie God zegent, tot die zegt Hij: Wees vruchtbaar. Dit zou een beeld van de wondervolle vermeerdering van de kerk zijn. God zal ze bouwen en planten, vers 28. Hij zal over hen waken om te bouwen en te planten, geen gelegenheid zal ongebruikt voorbijgaan, die hun welvaart kan bevorderen. Lange tijd had zich alles tegen hen gekeerd, en alles had zo samengewerkt tot hun verderf, dat het scheen, of God over hen waakte om uit te rakken en af te breken en te verstoren en kwaad aan te doen. Maar nu zal alles meewerken om hen te sterken en hun belang te bevorderen. God zal degenen, die over hun zonden berouw hebben en zich deswege verootmoedigen, even gewillig troosten, als Hij degenen straft, die in hun zonden willen blijven leven en zich daarin verharden.
Il. Dat de zonden hunner vaderen hun niet meer toegerekend zullen worden, vers 29, 30. Zij zullen niet meer zeggen (dat is: zij zullen geen reden meer hebben om te zeggen): De vaderen hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden. Dat is God bezoekt niet langer aan de kinderen de misdaad van de vaderen, hetgeen in de ballingschap geschied was. De zonden van de voorvaderen, vooral die van Manasse, waren aan hen bezocht, daarover hadden zij zich als een hardheid beklaagd. Andere Schriftuurplaatsen rechtvaardigen God in deze wijze van bezoeking, en onze Heiland zegt de goddeloze Joden van Zijn dagen, dat aan hen bezocht zullen worden de zonden hunner vaderen, omdat zij daarin volhardden, Mattheus 23:35, 36. Maar nu belooft de Heere, dat Hij deze strenge wijze van vergelding niet toepassen zal, God gedenkt de zonden hunner vaderen niet meer, maar herinnert zich Zijn verbond met die vaderen, en zal hen, overeenkomstig dat verbond, allerlei goeds doen: Zij zullen niet meer zeggen, gelijk ze gedaan hebben, de vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en van de kinderen tanden zijn stomp geworden. Maar een ieder zal nog om zijn ongerechtigheid sterven Wat altijd had gegolden blijft gelden: een ieder zal om zijn ongerechtigheid sterven, en evenzeer, dat God de misdaad van de vaderen bezoekt aan de kinderen, maar God heeft nu als het ware afgerekend, en de misdaad van de vaderen gedenkt Hij niet meer. Zie, een algemene vergiffenis waarborgt de enkelen zondaar geen straffeloosheid, geen veiligheid, een ieder mens, die de onrijpe druiven eet zijn tanden zullen stomp worden. Wie verboden vrucht eet, hoe verleidelijk die er ook uitziet, zal ervaren, dat het een onrijpe druif is, en zijn tanden zullen stomp worden, dat wordt hij vroeger of later gewaar en wel met smart. In de zonde zelf ligt wat de mens onrustig maakt, gelijk onrijpe druiven de tanden verstompen.
III. God zal Zijn verbond met hen vernieuwen, zodat zij al die zegeningen, niet slechts uit kracht van Zijn voorzienigheid, maar naar Zijn belofte zullen ontvangen en daardoor verzekerd en verkwikt worden. Maar dit verbond wijst op het Evangelie, de latere dagen, die "komen zullen," want de Apostel past deze woorden op het Evangelie van de genade toe, Hebreeën 8:9 enz. waar de gehele passage wordt aangehaald als een kort begrip van Gods genadeverbond met die in Jezus Christus geloven. Merk op
1. Wie zij zijn, met wie dit verbond gemaakt wordt: "met het huis Israëls en met het huis van Juda, de kerk, het Israëls Gods, waarover vrede en barmhartigheid zijn zal," Galaten 6:16, met het geestelijke zaad van de gelovige Abraham en van de biddende Jacob. Juda en Israël waren twee gescheiden koninkrijken geweest, maar werden na hun terugkeer verenigd door gemeenschappelijke gunsten Gods, hun geschonken, zo waren Joden en heidenen één door het Evangelie en het genadeverbond.
2. Van welke aard is dit verbond? "Het is een nieuw verbond, niet naar het verbond, dat de Heere met hun vaderen gemaakt had ten tijde als Hij hun hand aangreep om hen uit Egypteland te voeren." Het verbond van de berg Sinai was geen verbond van natuurlijke onschuld, zoals dat met Adam, toen hij geschapen was, neen, het was in de grond een verbond van genade, hoewel in die oude bedeling de genade lang niet zo helder schitterde als in de nieuwe. Zondaars werden ook naar dat verbond zalig, als zij zich bekeerden, maar zij moesten geloven in een Messias, die nog komen moest, wiens bloed werd afgeschaduwd door de wettelijke offeranden, Exodus 24:7, 8. Dit moet evenwel nieuw genoemd worden, in vergelijking met het oude verbond, dat de verordeningen en beloften van meer geestelijke en hemelse aard zijn en de waarheid duidelijker ontvouwd wordt. In het oude verbond "nam God Zijn volk bij de hand, als waren zij blinden of lammen of zwakkelingen, om hen uit Egypteland te voeren, welk verbond met God zij vernietigd hadden."
Merk op, dat God dit verbond gemaakt, en Israël het gebroken had, onze zaligheid is uit God, maar onze zonde en de daaruit voortvloeiende ellende uit onszelf. Het verergerde die bondsbreuk, dat God "ze getrouwd had, dat Hij Israëls Man" was, dat er dus een huwelijksband bestond tussen Hem en Zijn volk, en dat Zijn volk die door afgoderij, door geestelijk overspel verbroken had. Ons trouweloos overtreden tegen God wordt daardoor van ernstige aard, dat God als een liefhebbend, teder, zorgvol echtgenoot getrouw en ons trouw is geweest, en dat wij Hem ontrouw zijn geworden.
3. Wat zijn de voornaamste artikelen van dit nieuwe verbond? Ze bevatten alle geestelijke zegeningen. Niet: "Ik zal hun het land Kanaän en een talrijke nakomelingschap geven" maar: "Ik zal hun vergeving van de zonden, en vrede, en genade, goed verstand en een nieuw hart geven". Hij belooft,
a. dat Hij hen gewillig zal maken, Hem te dienen: "Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en die in hun hart schrijven." Niet: "Ik zal hun een nieuwe wet geven (gelijk Gataker terecht opmerkt), want Christus kwam niet om de wet te ontbinden maar om die te vervullen. De wet zal door de vinger des Geestes in hun binnenste geschreven worden, gelijk die tevoren in twee stenen tafelen gegrift stond. God schrijft Zijn wet in het hart van alle gelovigen, maakt het bereid tot gehoorzaamheid en gewent het aan Hem. Hij maakt hen Zijn wil indachtig, wanneer zij daaraan behoefte hebben, als iets dat in het hart geschreven staat, Spreuken 3:3. Hij maakt ze ijverig in Zijn dienst, want datgene, waarom wij ons het meest bekommeren, hoort het naast aan ons hart te liggen. Hij werkt in hen een lust om Hem te dienen, overeenstemming van gedachte en lust met de voorschriften van de heilige wet, als die van de copie met het origineel. Dit wordt hier beloofd, en daarom moet gebeden worden, dat wij Hem gehoorzamen mogen met opgewektheid en nauwgezetheid. b. Hij stelt zich in nauwe betrekking tot hen: "Ik zal hun tot een God zijn, een algenoegzamen God voor hen, en zij zullen Mij tot een volk zijn, een trouw, dienstvaardig volk". Dat God ons tot een God is, is het toppunt van geluk, de hemel kent niets hogere, Hebreeën 11:16, Openbaring 21:3. Dat wij Zijn volk zijn, kan opgevat worden in de zin van een voorwaarde onzerzijds (zij en zij alleen zullen God tot een God hebben, die gewillig zijn, Hem tot een volk te wezen), of als een verdere belofte dat God ons door Zijn genade tot Zijn volk wil maken, "een gewillig volk in de dag van Zijn heirkracht, " en wie ook tot Zijn volk behoren, het is Gods genade, die hen daartoe verwaardigt.
c. Er zal overvloed van kennis Gods zijn onder alle soorten van volk, en dit zal allerlei goeds in de hand werken, want zij, die God wel kennen, zullen Hem zoeken en dienen en hun vertrouwen op Hem stellen, vers 34. Zij zullen Mij allen kennen, allen zal de kennis Gods gaarne meegedeeld worden en allen zullen die kennis kunnen verwerven. Zijn weg zal op aarde gekend worden, onder alle volken zijn heil, terwijl in de voorbijgegane eeuwen de kennis des Heeren tot Israël beperkt was. Heel wat meerderen zullen God kennen dan in de dagen van het oude verbond, die voor de heidenen tijden van de onwetendheid waren, daar de ware God hun een onbekende God was. De dingen Gods zullen onder het Evangelie duidelijker en verstaanbaarder gepredikt worden en aller bevattelijkheid verhogen, geheel anders dan toen Mozes "een deksel op zijn aangezicht" moest leggen. De kennis zal zo algemeen zijn, dat er minder behoefte aan onderricht zal bestaan. Sommigen houden dit voor een ietwat overdreven uitdrukking (en de stompheid der Joden maakte dan zo iets nodig om hem wakker te schudden), alleen bedoeld om aan te tonen, dat de kennis van God onder het Evangelie verre zou te boven gaan die, welke men onder de wet had. Of het wil zeggen, dat er onder het Evangelie zo'n overvloed van openbare prediking zal wezen, duidelijk en aanhoudend, door mannen, bevoegd en aangesteld om "het Woord te prediken tijdig en ontijdig," veel meer dan onder de wet, dat er minder dan vroeger behoefte zal zijn aan onderricht van "naasten of broeders." De priesters leerden alleen nu en dan, in de tempel, voor betrekkelijk weinigen, maar nu zullen of kunnen allen God kennen door het deelnemen aan vergaderingen van Christenen, in welke op alle plaatsen, waar de kerk zich bevindt, de kennis Gods zal worden onderwezen. Enkelen zijn deze mening toegedaan (gelijk Gataker meldt): Velen zullen zo'n duidelijk inzicht in de dingen Gods hebben, dat zij eer door onmiddellijke bestraling dan door gewoon onderricht onderwezen schijnen. Kortom, de dingen Gods zullen door het Evangelie van Christus tot helderder licht gebracht worden dan ooit, 2 Timotheus 1:1 (), en Gods volk zal door de genade van Christus tot een klaarder inzicht dan ooit opgevoed worden, Efeziers 1:17, 18.
d. Als voorbereiding voor al deze zegeningen, zullen de zonden vergeven worden. Dit wordt de oorzaak van al het overige: "Ik zal hun ongerechtigheid vergeven" en hun niet meer toerekenen, noch hen behandelen naar verdienste. Ik wil vergeven en vergeten. "Ik zal hun zonde niet meer gedenken." Het is de zonde, die het goede van ons verwijderd houdt, die de stroom van Gods gunstbewijzen doet opdrogen. Wordt de zonde door vergevende genade uitgedelgd, dan is de hindernis uit de weg geruimd, en de goddelijke genade vloeit als een rivier, als een machtige stroom.