Jeremia 6:9-17
Deze afdeling heeft dezelfde strekking als de vorige, want gebod moet komen op gebod, en regel op regel.
I. De verwoesting van Juda en Jeruzalem wordt hier gedreigd. Wij wezen reeds op de haast, waarmee de Chaldeën tot de strijd optrokken, vers 4, 5, nu vernemen wij de ellende, door de oorlog veroorzaakt. Hoe treurig zijn de verwoestingen, hier beschreven! De vijand zal zo lang over hen heersen, en zo onlesbaar zal zijn dorst naar bloed en schatten wezen, dat zij alles zullen grijpen wat zij vinden, en wat de een ontgaat zal in de hand van de andere vallen, vers 9. Zij zullen Israëls overblijfsel vlijtig nalezen, gelijk een wijnstok, als de wijnlezer, die van plan is, niets over te laten, zijn hand weer aan de korven brengt, om er nog meer in te bergen, totdat alles opgelezen is, zo zullen zij door de vijand worden opgelezen, al zijn ze verspreid of verscholen, en niemand zal aan `s vijands oog en hand ontkomen.
Misschien had het volk, geldgierigheid plegende, niet opgemerkt, dat Gods wet verbood, "de wijngaard na te lezen," Leviticus 19:10, en worden zij zelf op gelijke manier zorgvuldig nagelezen, en vallen door het zwaard of gaan in gevangenschap. Dit wordt verklaard in vers 11, 12, waar gezegd wordt, dat Gods grimmigheid wordt uitgestort en Zijn hand uitgestrekt, in de grimmigheid en door de hand van de Chaldeën, want zelfs van goddeloze mensen wordt vaak gebruikt gemaakt als Gods hand, Psalm 17:14, en in hun toorn zien wij Gods toorn. Zie nu op wie de toorn met volle fiolen wordt uitgestort "op de kinderen buiten de stad, of terwijl ze spelen in de straten," Zacheria 8:5, of terwijl ze onbenut naar buiten lopen om rond te zien. Het zwaard van de onbarmhartige Chaldeën zal ze niet sparen, Hoofdstuk 9:21. De kinderen zullen omkomen in het verderf, dat de zonden hunner vaderen over hen gebracht hebben. Eveneens zal de straf de vergadering van de jongelingen bereiken, hun vrolijke samenkomsten, de verenigingen, die ze hebben om elkaar te sterken in het goddeloze werk hunner handen, tezamen zullen ze afgesneden worden. En ziet alleen zij, die ontuchtiglijk tezamen komen zullen in `s vijands handen vallen, waar zelfs de man met de vrouw zullen gegrepen worden, terwijl ze in bed liggen, en geen van hen zal achtergelaten, maar beide gevangen genomen worden. En, zoals ze geen medelijden hebben met het zwakke maar schone geslacht, zo hebben ze het ook niet voor de gebrekkige maar waardige ouderdom: De ouden en die zat van dagen zijn wier dood evenmin kan dienen tot hun veiligheid, als ze levend voor hen kunnen werken, die niet in staat zijn om hun goed of kwaad te doen, zullen afgesneden of weggevoerd worden. Hun huizen zullen dan aan anderen gegeven worden, vers 12, de overwinnaars zullen wezen in hun woonsteden hun eigendommen gebruiken en van hun voorraden leven, "hun akkers en hun vrouwen" zullen tezamen in hun handen vallen, zoals gedreigd was, Deuteronomium 28:30 enz. Want God strekt Zijn hand over de inwoners van het land uit, en niemand kan er aan ontkomen. Nu aangaande deze aankondiging van Gods toorn.
1. De profeet geeft redenen voor deze verschrikkelijke prediking, vers 17. Ik ben vol van de grimmigheid des Heeren, mijn gedachten zijn vol vrees, en ik werd bewogen met geweldige kracht, door de geest van de profetie, om er zo heftig van te spreken. Hij vermeide zich niet in dreigingen, en het was geen vermaak voor hem om met woorden als deze, zijn omgeving ernstig te maken, maar hij kon zich niet inhouden, hij was moe geworden van inhouden, hij hield het achter, zo lang hij kon, zolang hij durfde, maar hij was zo vol kracht door de Geest des Heeren van de Heirscharen, dat hij spreken moest, of zij wilden horen of niet. Merk op: Wanneer dienaren de schrik des Heeren prediken naar de Schrift, dan hebben wij geen reden, ontevreden over hen te zijn, want zij zijn slechts boodschappers, en moeten hun boodschap overbrengen, aangenaam, of onaangenaam.
2. Hij veroordeelt de valse profeten, die aangename dingen predikten, want daarmee vleiden zij het volk en handelden niet trouwelijk, vers 13, 14:De priester en de profeet, die hun wachters en vermaners moesten zijn, hebben valsheid bedreven, zijn niet trouw geweest aan hun opdracht en hebben het volk zijn zonden niet aangezegd en het gevaar, waarin ze verkeerden, zij moesten hun geneesheren zijn, maar zij vermoorden hun patiënten door ze hun zin te geven, door ze alles te geven, waar ze lust in hadden, door hen te vleien, dat er geen gevaar was, vers 14 :Zij hebben de breuk van de dochter Mijns volks op `t lichtst geheeld, of zo als men een lichte breuk heelt, de wond bedekkende, zonder die te peilen, ze hebben alleen de pijn verzacht, terwijl de wond zuivering nodig had, het volk troostend in zijn zonden en het verblindende, om hen gerust te maken voor `t ogenblik, terwijl de ziekte de levensdelen verteerde. Zij zeiden, "Vrede, vrede-alles zal goed gaan", wanneer er onder hen waren, die nadachten, die waakzaam waren en gevaar vreesden, dan stopten zij hun de mond met hun priesterlijk en profetisch gezag, stoutelijk bewerende, dat kerk noch staat in gevaar verkeerden, en er is geen vrede, omdat ze voortgingen met hun afgoderijen en vermetele goddeloosheid.
Merk op: Tot onze valse vrienden (dat wil zeggen onze ergste en gevaarlijkste vijanden) moeten gerekend worden zij, die ons vleien op zondige wijze.
II. De zonde van Juda en Jeruzalem, die God tergde om dit verderf over hen te brengen en dat rechtvaardiglijk, wordt hier verklaard.
1. Zij wilden in geen geval verdragen, dat men hun zonden noemde, of het gevaar, waarin zij verkeerden. God zegt de profeet hen te waarschuwen het komende oordeel, vers 9, maar, zegt hij, tot wie zal ik spreken en betuigen. Ik kan niemand vinden, om mij zelfs maar geduldig aan te horen. Ik kan getuigen zolang ik wil, meer niemand wil het ter harte nemen. Ik kan niet spreken, dat zij het horen, ik kan niet in verwachting, of met hoop van slagen, want hun oor is onbesneden, het is van vlees en vleselijk, niet bereid om Gods stem te horen, zodat ze niet kunnen toeluisteren. Hun gehoororgaan is als het ware begroeid met een dikke huid, zodat men evengoed tot een steen over goddelijke zaken kan spreken als tot hen. Ja, zij zijn er niet alleen doof voor, maar zij haten het, daarom kunnen ze niet horen, omdat ze besloten zijn, dat ze niet willen, het woord des Heeren is hun tot een smaad, zowel de bedreigingen als de verwijten van het woord, zij hielden zich voor verongelijkt en gesmaad beide, en wrokten over de openhartigheid van de profeet als over de meest redeloze laster en smaad. Dit was "de verzenen tegen de prikkels slaan," Handelingen 9:5, zoals de wetgeleerden tegen het woord van Christus, Lukas 2:45. Als gij deze dingen zegt, zo doet gij ook ons smaadheid aan.
Merk op: Zulke berispingen, die als verwijten opgenomen worden, en als zodanig gehaat, zullen gewis in de ergste rampen veranderen. Als hier gezegd wordt: Zij hebben geen lust in het woord, wordt meer bedoeld dan is uitgedrukt, "zij hebben er tegenzin in, hun hart komt er tegen in opstand, het brengt het buiten zichzelf en vertoornt hun bedorven zin, en zij zijn gereed, die hen berispen aan te vliegen en hun de ogen uit te rukken." En hoe kunnen deze verwachten, dat het woord des Heeren enige troost zou spreken tot hen, die er geen lust in hebben, maar liever overal elders zijn dan onder het gehoor? 2. Zij waren buitensporig gehecht aan de wereld, en zij hingen er aan met hun hele hart, vers 13. Van hun kleinste aan tot hun grootste toe, oud en jong, rijk en arm, hoog en laag, van wat stand, rang of beroep ook, pleegt een ieder van hen geldgierigheid, begerig naar vuil gewin, per fas per nefas-recht of onrecht, en dit maakte hen tot verdrukkers en geweldplegers, vers 6, 7, want van dat kwaad, en van alle ander kwaad, is de geldgierigheid de bittere wortel. Ja, en dit verhardde hun harten tegen het woord van God en Zijn profeten. Het waren de hebzuchtige Farizeën, die Christus beschimpten, Lukas 16:14.
3. Zij waren onbeschaamd geworden in de zonde, ongevoelig voor schande. Na `t bewijs van zo'n zware aanklacht van in `t oog lopende misdaden tegen hen, was het zeer gepast te vragen, vers 15 :Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwelen bedreven hebben, die zo'n verwijt zijn aan hun zede en godsdienst? Bloosden zij, als ze overtuigd worden, en erkenden zij, dat het aan hen was om beschaamd van aangezicht te zijn? Zo ja, dan is er nog hoop voor hen. Maar helaas, de deugd vertoonde zich niet eens in deze kleur onder hen, hun harten waren zo verhard, dat zij zich in `t minst niet schaamden, en ook niet wisten van schaamrood te maken, zo hebben zij hun aangezicht verstijfd. Zelfs roemden zij in hun goddeloosheid, en stelden zich openlijk tegen de overtuiging, die hen vernedert en tot berouw gebracht moest hebben. Zij besloten om het brutaal vol te houden tegen God zelf en hun schuld niet te erkennen. Sommigen laten dit slaan op de priesters en profeten, die het volk lichtelijk geheeld hadden en hun gezegd, dat zij vrede zouden hebben, en toch niet beschaamd waren over hun verraad en valsheid, neen zelfs niet, toen de uitslag het tegendeel bewees en hen in `t ongelijk stelde. De schaamtelozen staan buiten de genade en hun geval is hopeloos. Maar die zich niet willen onderwerpen aan boetvaardige schaamte, en menen, dat hun die niet past, zullen niet ontsnappen aan een volkomen verderf, want er volgt: daarom zullen zij vallen onder de vallenden: ze zullen hun deel hebben met hen, die geheel teniet gedaan zijn, en als God het volk in Zijn toorn bezoekt, zullen zij zeker bevende gemaakt en neergeworpen worden, omdat zij niet wilden blozen.
Merk op: Zij, die zondigen en niet kunnen blozen, zijn er nu slecht aan toe, en binnenkort zal het nog erger met hen worden. Eerst verhardden zij zich en wilden niet blozen, daarna waren zij zo verhard, dat ze niet konden. Quod urum habebant in melis bonum perdunt peccandi verecundiam. -Zij hebben de enige goede eigenschap verloren, die eens onder hun vele slechte eigenschappen gemengd was, namelijk schaamte over hun daden. -Senec. De Vit. Beat.
III. Zij worden herinnerd aan de goede raad, die hun dikwijls, maar tevergeefs, gegeven was. Hun was veel voorgehouden, met gering resultaat.
1. Bij wijze van raad, betreffende hun plicht, vers 16. God was gewoon tot hen te zeggen: Staat op de wegen en ziet toe, dat wil zeggen:
a. Hij wilde hen tot nadenken brengen, niet haastig voortgaan, maar zoals reizigers onder weg doen, die bezorgd zijn om de goede weg te vinden, en daarom stilstaan en er naar vragen. Als zij enige reden hebben om te denken, dat zij verdwaald zijn, zijn ze niet gerust, voor hun verlangen voldaan is. Och, dat men zo wijs wilde zijn voor zijn ziel, en het pad voor zijn voet wilde overwegen, als iemand, die gelooft, dat wettig of onwettig van niet minder belang voor ons is, dan de goede weg en de verkeerde voor de reiziger.
b. Hij wilde, dat ze vroegere geslachten zouden vragen, de waarneming en ervaring van hen, die voor hen waren. Vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen," Job 8:8, vraag uw vader, uw ouden, Deuteronomium 32:7, en gij zult bevinden, dat de weg van de godzaligheid en rechtvaardigheid altijd de weg geweest is, die God gekozen en gezegend heeft en waarin mensen voorspoedig zijn geweest. Vraag naar de oude paden, de paden, door Gods wet geordineerd, het geschreven woord, de juiste maat van vroegere geslachten. Vraag naar de paden, die de aartsvaders voor u bewandelden, Abraham, Izak en Jakob, en als gij hoopt de beloften te erven, die hun gedaan zijn, treedt dan in hun voetstappen. Vraag naar de oude paden, waar toch de goede weg is? Wij moeten ons niet alleen laten leiden door vroegere geslachten, alsof het geschreven woord en zijn ouderdom alleen voldoende waren om ons pad voor te schrijven. Neen, er is een "pad van de eeuw, dal de ongerechtige lieden betreden hebben," Job 22:15. Maar als wij vragen naar de oude paden, dan is dat alleen om de "goede weg" te vinden, de grote weg voor de oprechte.
Merk op de weg van de godsdienst en van de godzaligheid is een goede oude weg, de weg, die alle heiligen in alle eeuwen hebben gewandeld.
c. Hij wil, dat ze besluiten zullen, naar de uitkomst van dit onderzoek te handelen. Wanneer gij uitgevonden zult hebben welke de goede weg is, wandelt daarin, handelt dienovereenkomstig en volhardt daarin. Sommigen menen, dat deze raad is gegeven ten opzichte van de worsteling tussen de ware en valse profeten, tussen hen, die zeiden, dat ze vrede zouden hebben, en degenen, die moeite voorspelden, zij beweerden, dat zij niet wisten wie te geloven. Staat op de wegen, zegt God, "en zie, en onderzoekt, welke van de twee overeenstemt met het geschreven woord en de gewone gang van Gods voorzienigheid, welke van die u de goede weg wijst en handelt daarnaar".
d. Hij verzekert hun, dat, indien zij alzo doen, het welvaren en de verzadiging hunner eigene ziel verzekerd is. "Wandelt in de goede oude paden," en gij zult ondervinden, dat daarin te wandelen aangenaam en gemakkelijk zal zijn, gij zult beide God en u zelf genieten, en de weg zal u tot uw ware rust voeren. Al kost het u enige moeite, in die weg te wandelen, gij zult aan het einde overvloedige beloning vinden.
e. Hij klaagt, dat deze goede raad, zo redelijk en zo geschikt voor hen, niet aangenomen wordt: "Maar zij zeggen: wij zullen daarin niet wandelen." Niet alleen willen wij de moeite niet doen te vragen welke de goede weg is, maar als die ons wordt gewezen en wij kunnen daar niets tegen inbrengen, toch willen wij ons zelf en onze lust niet in zoverre verloochenen, dat wij daarin wandelen. De menigte gaat haar verderf tegemoet, louter door onwilligheid.
2. Door vermaning aangaande het gevaar, omdat zij onvatbaar bleken voor redenering, gaat God anders met hen te werk, door kleinere oordelen bedreigt Hij met grotere en zendt Zijn profeten om daarvan verklaring te geven en hun zo vrees in te boezemen voor het naderend gevaar, vers 17. Ik heb ook wachters over ulieden gesteld. Gods dienaren zijn wachters, en het is grote genade, dat God ze over ons stelt. Let nu hierop:
a. Dat deze wachters luide waarschuwen. Dit was de last hunner profetie, zij riepen telkens weer: "Luistert naar het geluid van de bazuin", God in Zijn voorzienigheid, blaast de bazuin, Zacheria 9:14, de wachters horen het en hun hart vergaat, Jesaja 4:19, en zij moeten anderen opwekken er ook naar te luisteren, te horen naar des Heeren pleitrede, de stem van de voorzienigheid op te merken en ter harte nemen. b. Deze luide waarschuwing in de wind geslagen. Maar zij zeiden: Wij zullen niet luisteren, wij zullen niet horen, wij zullen geen acht geven, wij zullen niet geloven, de profeten kunnen zichzelf en ons de moeite wel sparen. De reden, waarom zondaars omkomen, is, dat zij niet luisteren naar het geluid van de bazuin, en de reden van hun niet-doen is dat zij niet willen, en zij willen niet omdat zij niet willen, dat is, zij zijn hoogst onredelijk. Men kan gemakkelijker met de redenering van tien dan met de wil van een klaar komen.