Jeremia 14:1-9
Het eerste vers is de titel van het hele hoofdstuk, inderdaad gaat alles over "de droogte," maar veel ervan bestaat uit de desbetreffende gebeden van de profeet, toch kunnen deze niet ongepast genoemd worden. "Het woord des Heeren, dat hierover tot hem geschied" is, want ieder aannemelijk gebed is, wat God ons in `t hart geeft, ons woord, dat tot Hem gaat is niets anders dan wat eerst als Zijn woord tot ons komt. In deze verzen hebben wij:
I. De taal van de natuur, die de ramp bejammert. Toen de hemel van koper was en geen dauwdruppels vallen liet, was de aarde van ijzer en bracht geen vrucht voort, en toen waren smart en ontsteltenis algemeen.
1. Het volk des lands smolt in tranen. Verwoest hun wijnstok en vijgeboom en gij maakt een eind aan al hun vrolijkheid, Hosea 2:11,12. Zonder de vreugde van de oogst, van hun koren en wijn, kennen zij geen vreugde. Juda treurt, niet om haar zonde, maar om haar ellende-omdat de regen, niet omdat Gods gunst ingehouden wordt. "Hare poorten, allen die er in en uitgaan, zijn verzwakt," zien bleek en verkwijnen, uit gebrek aan de noodzakelijke levensbehoeften en uit vrees voor verdere noodlottige gevolgen van dit oordeel. "Haar poorten, waardoor vroeger voorraad van koren in hun steden gebracht werd, zien er nu droevig uit", omdat, in plaats daarvan, de inwoners naar buiten gaan om brood te zoeken in andere landen. Zelfs die in de poorten zitten kwijnen, "zij zijn in `t zwart gekleed ter aarde toe, zoals de arme bedelaars aan de poorten verduisterd zijn van zwartigheid door gebrek aan voedsel", Klaagliederen 4:8. Hongersnood wordt voorgesteld door een zwart paard, Openbaring 6:5. Zij vallen van zwakte op de grond, niet in staat langs de straten te gaan. "Jeruzalems geschrei klimt op," dat wil zeggen van de burgers (want de stad wordt van het veld gediend), of van het volk, uit alle delen van het land te Jeruzalem samengekomen, om te bidden, dat er regen mocht komen, zo menen sommigen. Maar ik vrees, dat het meer het geschrei hunner ellende, en het geschrei hunner zonde, dan het geschrei van hun gebed was.
2. De groten des lands gevoelden dit oordeel, vers 3. Hun voortreffelijken zenden hun kleinen naar water. misschien hun eigen kinderen, daar zij gedwongen waren van hun dienaren te scheiden omdat zij niets hadden om hen te onderhouden, en zij hun kinderen, terwijl ze nog klein waren, wilden gewennen aan arbeid, vooral in een noodzakelijkheid als deze. Wij vinden Achab en Obadja, de koning en zijn hofmeester, in eigen personen, bezig naar water te zoeken in eenzelfden tijd van ellende als deze, 1 Koningen 18:5, 6. Of liever hun minderen, hun knechten en ondergeschikte dienaren, deze zonden zij uit om naar water te zoeken, zonder `t welk men niet leven kan, maar er was niets te vinden: "zij komen met hun vaten ledig weer, " de bronnen waren opgedroogd als er geen regen was om ze te voeden, en dan waren zij (hun meesters, die hen gezonden hadden) "beschaamd en schaamrood bij die teleurstelling". Zij wilden zich niet schamen over hun zonde, noch schaamrood worden als ze er aan dachten, maar hielden het hoofd op onder de verwijten van de wereld, menende, dat hun rijkdom en waardigheid hen boven berouw verhief, maar God nam maatregelen om hen beschaamd te maken over hetgeen, waarop zij zo trots waren, toen zij bevonden, dat ook aan deze zijde van de hel hun adeldom geen druppel water kopen kon om hun tong mee af te koelen. Wanneer wij het verhaal van deze ramp lezen, laat ons dan dankbaar zijn voor het bezit van water, opdat wij de waarde ervan niet behoeven te leren door de ondervinding van zo'n ramp. Wat `t meest nodig is, is het overvloedigst. 3. De landbouwers waren er het pijnlijkst en het meest direct door getroffen, vers 4 :De akkerlieden zijn beschaamd, want de grond was zo verdroogd en hard, dat de ploeg er niet door kon, terwijl hij zo gespleten en gescheurd was, dat hij de ploeg niet nodig scheen te hebben. Zij waren beschaamd over hun niets doen, want er was niets te doen, en daarom niets te verwachten. "De luiaard, die in de winter niet wil ploegen," is niet beschaamd over zijn eigen dwaasheid, maar de ijverige landman, die niet ploegen kan vanwege de hitte, is beschaamd over zijn eigen tegenspoed. Zie, hoe landlieden onmiddellijk afhankelijk zijn van de goddelijke Voorzienigheid, op wie zij derhalve steeds hun oog geslagen moeten hebben, want zij kunnen niet ploegen of zaaien in hope, tenzij "God zijn opgeploegde aarde dronken maakt", Psalm 65:10.
4. Zelfs het lot van de wilde dieren was zeer te beklagen, vers 5, 6. `s Mensen zonde brengt zulke oordelen over de aarde, dat zelfs de lagere schepselen er onder zuchten, en de profeet merkt het op, als een pleitrede om genade bij God. Juda en Jeruzalem hebben gezondigd, maar de hinden en de wilde ezels, wat hebben zij gedaan? De hinden zijn aardige schepselen, lieflijk en liefhebbend, en in `t bizonder voor haar jongen, en toch is de nood zo hoog gestegen, dat zij, in strijd met het instinct van haar natuur, haar jongen verlaten, die zij pas geworpen hebben, en die haar niet missen kunnen, om elders gras te zoeken, en, als zij niets vinden, laten zij hen in de steek, omdat zij niet in staat zijn ze te verzorgen. Het pijnigde de hinden niet zozeer, dat zij geen gras voor zichzelf hadden, als dat zij niets voor haar jongen hadden, wat hen beschaamd moet maken, die aan hun lusten uitgeven, wat zij voor hun familie moesten bewaren. Als de hinde haar jongen geworpen heeft, zegt men, dat zij haar smarten uitgeworpen heeft, Job 39:6, en toch houdt zij niet op te zorgen, maar, zoals daar verder staat, ziet zij spoedig het gunstig resultaat daarvan, want in een weinig tijds groeien haar jongen op en vallen haar niet meer lastig, vers 7.
Maar hier is de grote moeilijkheid, dat zij niets voor ze heeft. Ja, men zou zelfs met de wilde ezels medelijden hebben (schoon het schepsels zijn, waar niemand grote genegenheid voor heeft), want, hoewel de wildernis hun huis is, Job 39:9, is die nu, zelfs voor hen, te heet, zo heet, dat zij er niet in kunnen ademen, maar zij "staan op de hoge plaatsen, waar de lucht het koelst is, en scheppen de wind gelijk de draken," gelijk die schepselen, die voortdurend snakken naar adem, omdat zij zo heet zijn. "Hun ogen versmachten, hun kracht verkwijnt", omdat er geen kruid is. De tamme ezel, die zijn eigenaar dient, kent zijn kribbe en wordt onderhouden voor zijn arbeid, terwijl de wilde ezel, die het geroep des drijvers versmaadt, gedwongen is van de wind te leven, en zwaar genoeg gestraft wordt, omdat hij geen dienst doet. Wie niet werkt, zal ook niet eten.
II. Dit is de taal van de genade, die jammert over de ongerechtigheid, en bij God klaagt over de ramp. Het volk is niet vlug om te bidden, maar de profeet bidt hier voor hen, en wekt ze zo op om voor zichzelf te bidden, en legt hun de woorden in de mond, waarvan ze gebruik kunnen maken, op hoop van zegen, vers 7-9. In dit gebed,
1. Wordt nederig zonde beleden. Als zij willen bidden tot voorkoming of eindiging van een oordeel, moeten wij altijd erkennen, dat wij het verdienen en duizendmaal erger. Door de misdaad te verkleinen, kunnen wij niet hopen vermindering van straf te krijgen maar wij moeten erkennen, dat "onze ongerechtigheden tegen ons getuigen." Onze zonden zijn getuigen tegen ons, en die waarlijk berouw hebben, zien dat ook in. Zij getuigen, want zij zijn klaar en duidelijk, wij kunnen de aanklacht niet loochenen. Zij getuigen tegen ons, tot onze overtuiging, die de oorzaak is van onze tegenwoordige schaamte en beschaming, en onze toekomstige veroordeling. Zij ontzenuwen en vernietigen al onze pleidooien te onze gunste, en klagen ons dus niet alleen aan, maar weerleggen ons ook. Als wij roemen op onze eigen voortreffelijkheden, en vertrouwen op onze eigene rechtvaardigheid, getuigen onze ongerechtigheden tegen ons, en bewijzen onze dwaling. Indien wij twisten met God, dat HU ons onrechtvaardig of onvriendelijk behandelt met ons te bedroeven, getuigen onze ongerechtigheden tegen ons, dat wij Hem onrecht doen, "want onze afkeringen zijn menigvuldig en onze overtredingen groot, waarmee wij tegen u gezondigd hebben" -te talrijk om verborgen te zijn, want zij zijn vele, te verschrikkelijk om verontschuldigd te worden, want zij zijn tegen U.
2. Genade wordt ernstiglijk afgesmeekt: "Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, en tegen het schenken van de gunst, waarom de noodzaak van ons geval roept, doe Gij het toch." Zij zeggen niet precies, wat zij verlangen, maar als boetelingen en bedelaars past, laten zij het aan God over: ", Doe Gij ons naar alles, dat goed is in Uw ogen, Richteren 10:15. Niet, doe Gij het op deze wijze of op deze tijd, maar, "Doe het om Uws naam wille, doe dat, wat het beste zal zijn voor de heerlijkheid van Uwen naam." Onze beste pleidooien in het gebed zijn, die wij ontlenen aan de heerlijkheid van Gods naam. Heere, doe het, opdat Uw genade mag worden groot gemaakt, Uw belofte vervuld, en Uw zaak in de wereld staande gehouden, wij hebben niets in onszelf om ons pleidooi op te gronden, maar alles in U. Er is nog een verzoek in dit gebed, en wel een zeer bescheiden, vers 9 :Verlaat ons niet, onttrek ons Uw gunst en tegenwoordigheid niet. Wij behoren Gods weggaan van ons meer te vrezen en af te bidden dan het verlies van enig of alle van onze voorrechten als schepselen.
3. Op de meest treffende wijze bepleit hij hun verhouding tot God, hun belang bij Hem, en hun verwachtingen van Hem, die daarop gegrond zijn, vers 8, 9.
a. Zij zien op Hem als Eén, van Wien zij reden hebben te denken, dat Hij hen verlossen zal, als zij in ellende zijn, al getuigen hun ongerechtigheden tegen hen, want bij Hem heeft genade vaak geroemd tegen het oordeel. De profeet is, als Mozes van ouds, gewillig in de zaak van zijn volk te doen, wat hij kan, en daarom, schoon hij erkennen moet, dat zij menige grote zonde gezondigd hebben, Exodus 32:31, pleit hij toch: "Gij zijt de verwachting Israëls". God heeft Zijn volk aangemoedigd op Hem te hopen, door Zichzelf zo vaak "de God van Israël, de rots van Israël en de Heilige Israëls" te noemen, heeft Hij Zich tot "de verwachting Israëls" gemaakt. Hij heeft Israël Zijn woord gegeven om op te hopen, en hen er op doen hopen, en er zijn er in Israël nog, die God alleen hun hoop maken, en verwachten dat Hij hun "Verlosser" zal zijn in tijd van benauwdheid, en zij zien voor verlossing naar niemand anders: "Gij zijt het zo menigmaal geweest, ten tijde van hun uiterste. Sinds God de algenoegzame Verlosser van Zijn volk is moeten zij op Hem hopen en in hun grootste benauwdheden, en sinds Hij hun enige verlosser is, moeten zij hopen op Hem alleen. Gelijkerwijs pleiten zij: "Gij zijt toch in het midden van ons, wij hebben de bijzondere tekens van Uwe tegenwoordigheid bij ons, Uw tempel, Uw ark, Uw profeten, en wij zijn naar Uw naam genoemd, het Israël van God, " en daarom hebben wij reden te hopen, dat Gij ons niet zult verlaten, wij zijn de Uwen, verlos ons. Uw naam is op ons overgebracht en daarom werpen de rampen, waaronder zij gebukt gaan, oneer op U, alsof Gij niet in staat waart, te redden wat van U zelf is. De profeet had het volk vaak gezegd, dat hun belijdenis van godsdienst hen niet beschermen zou tegen de oordelen van God, toch pleit hij op deze grond bij God, zoals Mozes, Exodus 32:11. Zelfs dit kan veel afdoen aan tijdelijke straffen, bij een God van genade. "Vale at quantum valere potest-Het pleit moge uitwerken, wat billijk is." b. Daarom smart het hun te moeten denken, dat Hij niet verschijnt tot hun verlossing, en, hoewel zij het niet tegen Hem inbrengen als een aanklacht van onrechtvaardigheid, pleiten zij daarop nederig als een reden om hun genadig te zijn, tot heerlijkheid van Zijn eigen naam. Want anders zal Hij schijnen te zijn.
c. Onverschillig voor Zijn eigen volk: Wat zullen de Egyptenaren zeggen? Zij zullen zeggen: "Israëls Verwachting en Verlosser bekommert zich om hen niet, "Hij is als een vreemdeling in het land geworden, welks belangen Hem niet meer ter harte gaan, Zijn tempel, die Hij noemde: Mijn ruste tot in eeuwigheid", is dat niet meer, maar "Hij is daar als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten, hij is voor Hem een herberg, waarmee Hij zich verder niet bemoeit en waarover Hij Zich niet bekommert". Ofschoon God nooit onbekommerd is over wat er met Zijn kerk gebeurt, schijnt het soms toch alsof Hij het is: Christus sliep, terwijl Zijn discipelen in de storm waren.
d. Niet in staat hun enige hulp te verlenen. De vijanden zeiden eens: Omdat de Heere dit volk niet kon brengen in dat land, zo heeft Hij ze geslacht in de woestijn, Numeri 14:16, zo zullen zij nu zeggen: "Het ontbreekt Hem aan wijsheid of aan macht, "Hij is of als een versaagd man (die, al heeft hij het verstand van een man, toch verlegen en ten einde raad is, omdat hij versaagd is) of als een held, overweldigd door die nog sterker zijn, en die daarom niet kan verlossen, schoon sterk, toch een man, en daarom van beperkte kracht." Het een als het ander zou een ondragelijke blaam zijn op de goddelijke volmaaktheden, waarom dus is God "als een vreemdeling geworden, daar wij zeker zijn, dat Hij in het midden van ons is?" Waarom schijnt het, dat God niet meer is dan een sterke man, die, als Hij versaagd is, al zou Hij het ook willen, toch niet verlossen kan? Het past ons in `t gebed ons meer bezorgd te tonen voor Gods heerlijkheid dan voor ons eigen gemak. Heere, wat zult Gij doen voor Uw grote naam?