Spreuken 3:1-6
Hier wordt ons geleerd om een leven te leiden van gemeenschap met God, en buiten alle twijfel, de verborgenheid van de Godzaligheid is groot en van groot belang voor ons, en zal gelijk hier wordt aangetoond, van onuitsprekelijk voordeel voor ons zijn.
I. Wij moeten voortdurend achtslaan op Gods geboden, vers 1, 2. Wij moeten:
1. Gods wet en Zijn geboden stellen tot onze regel, door welke wij in alles geleid en geregeerd worden, en waaraan wij gehoorzamen.
2. Wij moeten er ons bekend mee maken want wij kunnen niet gezegd worden iets te vergeten, dat wij nooit geweten hebben.
3. Wij moeten ze zo gedenken, dat wij ze altijd gereed bij de hand hebben, zodra wij het nodig hebben ze in beoefening te brengen.
4. Onze wil en neiging moeten eraan onderworpen zijn, en er in alles mee in overeenstemming wezen. Niet alleen ons hoofd, maar ons hart moet Gods geboden houden, daarin moeten, evenals in de ark van de getuigenis, beide tafelen van de wet neergelegd zijn.
Ten einde ons aan te moedigen om ons te onderwerpen aan al hetgeen de wet Gods ons verbiedt en gebiedt, wordt ons verzekerd dat dit het zekerste middel is om lang leven en voorspoed te verkrijgen, vers 2.
a. Het is het middel om lang te leven. Gods geboden zullen ons lengte van dagen en jaren van leven vermeerderen, aan een goed en nuttig leven op aarde zullen zij een eeuwig leven toevoegen in de hemel, lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos, Psalm 21:5. God zal ons leven zijn en onze lengte van dagen, en dat zal in waarheid een lang leven zijn met een toevoeging. Daar echter lengte van dagen een last en verdriet zou kunnen worden is er beloofd:
b. Dat het ook het middel zal blijken te wezen, om ook gerust te zijn, zodat zelfs de dagen van de ouderdom geen kwade dagen zullen wezen, maar dagen, waarin gij lust zult hebben, vrede zullen zij u voortdurend vermeerderen. Gelijk de genade toeneemt, zal ook de vrede toenemen en van de grootheid van Christus heerschappij en vrede in het hart, zowel als in de wereld, zal geen einde zijn. Grote en toenemende vrede hebben zij, die de wet beminnen.
II. Wij moeten voortdurend acht geven op Gods beloften, die samengaan met Zijn bevelen, en met deze ontvangen en behouden moeten worden, vers 3. "Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten, Gods goedertierenheid in het beloven en Zijn trouw in het volbrengen verbeur deze niet, maar leef er naar, en behoud uw deel er aan, vergeet deze niet, maar leef en teer er op, en neem er het genot en de vertroosting van, bind ze aan uw hals als het sierlijkste ornament." Het is de grootste eer, waarvoor wij in deze wereld vatbaar zijn, om deel te hebben aan de goedertierenheid en de trouw van God. Schrijf ze op de tafel uws harten, als u dierbaar, als uw deel en uw kostelijkst vermaak, vind er behagen in om ze toe te passen en ze te overdenken." Of het kan bedoeld zijn van de goedertierenheid en trouw, die onze plichtzijn: Godsvrucht en oprechtheid, barmhartigheid jegens de mensen, trouw aan God. Laat deze vaste en gebiedende beginselen in u zijn.
Om ons hiertoe aan te moedigen wordt ons verzekerd, vers 4, dat dit het middel is, om ons beide aan onze Schepper en aan onze medeschepselen aan te bevelen, zo zult gij gunst en goed verstand vinden.
1. Een Godvruchtige zoekt de gunst van God in de eerste plaats, hij streeft naar de eer om de Heere welbehaaglijk te zijn, en hij zal die gunst vinden en daarbij een goed verstand, God zal een gunstige uitlegging geven aan hetgeen hij zegt en doet. Hij zal erkend worden als een van de kinderen van de wijsheid, en zal lof bij God hebben als een, die het goed verstand heeft, hetwelk toegeschreven wordt aan allen, die Zijn geboden doen.
2. Hij wenst ook gunst te vinden bij de mensen, zoals Christus genade had bij God en de mensen, Lukas 2:42- aangenaam te zijn bij de menigte van zijn broederen, Esther 10:3, en dat zal hij, zij zullen hem recht verstaan, en in zijn handelingen met hen zal hij blijken verstandig te zijn, hij zal met verstand en omzichtigheid handelen. Hij zal goede voorspoed hebben, zo wordt dit door sommigen overgezet, het gewone gevolg van een goed verstand.
III. Wij moeten voortdurend acht geven op Gods voorzienigheid, moeten haar erkennen en op haar steunen in al onze zaken en aangelegenheden, beide door geloof en door gebed.
1. Door geloof. Wij moeten een volkomen vertrouwen stellen in de macht, de wijsheid en goedheid van God, ons verzekerd houdende dat Zijn voorzienigheid zich uitstrekt over al Zijn schepselen en al hun handelingen. Daarom moeten wij op de Heere vertrouwen met ons gehele hart, vers 5, wij moeten geloven dat Hij doen kan wat Hij wil, de wijsheid heeft om te doen wat het beste is, en, naar Zijn belofte goed is om te doen wat het beste voor ons is, indien wij Hem liefhebben en dienen. Wij moeten met algehele overgegevenheid en voldoening op Hem steunen om alles voor ons te doen, en niet steunen op ons verstand, alsof wij zelf door enigerlei overleg, onszelf zouden kunnen helpen zonder God, en zelf onze zaken tot een goed einde kunnen brengen. Zij, die zichzelf kennen, moeten wel bevinden dat hun eigen verstand een gebroken rietstaf is, die hun gewis zal falen zo zij er op leunen. In ons gedrag en al onze handelingen moeten wij ons eigen oordeel mistrouwen, volkomen vertrouwen hebben in Gods macht, wijsheid en goedheid, en derhalve Gods voorzienigheid volgen, maar haar niet dwingen. Datgene blijkt dikwijls het best, wat het minst ons eigen doen is.
2. Door gebed, vers 6. Ken God in al uw wegen. Wij moeten niet slechts met ons verstand geloven dat Gods hand alles bestuurt dat Hij over ons en onze zaken beschikt, maar wij moeten dit ook plechtig erkennen, en ons dienovereenkomstig tot Hem wenden. Wij moeten Hem om verlof vragen, en niets beramen of doen, dan hetgeen wij zeker weten wettig en geoorloofd te zijn. Wij moeten Hem om raad vragen, Hem bidden om leiding en bestuur, niet alleen als de zaak moeilijk is, als wij niet weten wat te doen, is het niet te verwonderen, dat wij ons tot Hem wenden maar in elke zaak, hoe eenvoudig en duidelijk zij ook is. Wij moeten Hem om voorspoed vragen, als degenen, die weten dat "de loop is niet van de snellen, " wij moeten ons aan Hem houden, ons naar Hem gedragen en met heilige lijdzaamheid Zijn oordeel afwachten. In al onze wegen, die ons lieflijk en aangenaam zijn, en waarop wij voorspoed hebben en ons doel bereiken, moeten wij met dankbaarheid God erkennen. In al onze wegen, waarop wij met tegenspoed hebben te worstelen, die met doornen omtuind zijn, moeten wij God erkennen met onderworpenheid aan Zijn wil. Ons oog moet steeds op God gericht zijn, Hem moeten wij in alles onze begeerten bekend maken, zoals Jeftha, die al zijn woorden sprak voor het aangezicht des Heeren te Mizpa.
Om ons hiertoe aan te moedigen is beloofd: "Hij zal uw paden recht maken, zodat uw weg veilig en goed zal zijn, en de einduitkomst gelukkig zal wezen." Zij, die zich onder de Goddelijke leiding stellen, zullen er altijd het voordeel van hebben. God zal hun de wijsheid geven, die nuttig is om te leiden, zodat zij zich niet op de bijpaden van de zonde begeven, en dan zal Hij zelf de zaak zo wijselijk regelen, dat zij naar hun genoegen of, hetgeen hetzelfde is, tot hun nutte en beste zal zijn. Zij, die getrouwelijk de wolk- en vuurkolom volgen, zullen bevinden dat zij hen wel langs een omweg laat gaan, maar toch op de rechte weg leidt, en hen ten laatste veilig in Kanaän zal brengen.