Exodus 31:12-18
Hier is:
I. Een streng gebod voor de heiliging van de sabbatdag, vers 13-17. De wet van de sabbat was hun voor iedere andere wet gegeven, bij wijze van voorbereiding, Hoofdstuk 16:23. Die wet was ingevoegd in de zedelijke wet met het vierde gebod, en toegevoegd aan de rechterlijke wet, Hoofdstuk 23:12. Hier wordt zij gevoegd bij het eerste gedeelte van de ceremoniële wet, omdat de waarneming van de sabbat in waarheid de omheining is van geheel de wet, als daar geen gewetenszaak van wordt gemaakt, dan zal men spoedig alle Godsvrucht en eerlijkheid laten varen, want in de zedelijke wet staat zij in het midden tussen de twee tafelen. Sommigen opperen het denkbeeld, dat zij hier om een andere reden herhaald wordt. Er waren nu orders gegeven om de tabernakel op te richten en te meubileren voor de dienst van God, en met alle mogelijke spoed, maar opdat zij nu niet zouden denken, dat de aard van het werk en de spoed die vereist was, hen rechtvaardigen zouden om er op sabbatdagen aan te werken, teneinde er zoveel eerder mee klaar te zijn, wordt deze waarschuwing intijds ingelast: Gij zult evenwel Mijn sabbatten onderhouden. Hoewel zij zich moesten spoeden met het werk, moeten zij toch niet meer haast maken dan geoorloofd is, zelfs tabernakelwerk moet wijken voor sabbatsrust, zozeer ijvert God voor de eer van Zijn sabbatten. Let hier op hetgeen betreffende de sabbatdag gezegd wordt.
1. Door de verklaring van de aard, de betekenis van en de bedoeling met de sabbat, legt God er eer op, en leert Hij ons hem te waarderen. Verschillende dingen worden hier van de sabbat gezegd.
a. Het is een teken tussen Mij en ulieden, vers 13, en wederom, vers 17. De inzetting van de sabbat was een sterk voorbeeld van Gods gunst over hen, en een teken dat Hij hen van alle andere volken had onderscheiden, en hun Godsdienstig onderhouden van de sabbat was een groot voorbeeld van hun eerbied voor en hun gehoorzaamheid aan Hem. Door die dag onder hen te heiligen heeft God hun doen weten dat Hij hen geheiligd heeft, hen voor zich en Zijn dienst heeft afgezonderd anders zou Hij hun Zijn heilige sabbatten niet geopenbaard hebben tot steun van de Godsdienst onder hen. Of, het kan verwijzen naar de wet betreffende de sabbat: Onderhoudt de sabbat opdat men wete dat Ik de Heere ben, die u heilig. Als God door Zijn genade ons hart neigt om de wet van het vierde gebod te houden, dan zal dit een bewijs wezen dat er door Zijn Geest een goed werk in ons gewrocht is. Als wij Gods dag heiligen, dan is dit een teken tussen Hem en ons, dat Hij ons hart geheiligd heeft, daarom is het de hoedanigheid van de welgelukzalige mens, "dat hij de sabbat houdt, zodat hij die niet ontheiligt," Jesaja 56:2. Door na zes dagen van arbeid een dag van de zeven waar te nemen getuigden en verklaarden de Joden dat zij de God aanbaden, die in zes dagen de wereld gemaakt heeft en op de zevende heeft gerust, en zo onderscheidden zij zich van andere volken, die na eerst de sabbat verloren te hebben, welke ingesteld was tot een gedachtenis aan de schepping, langzamerhand ook de kennis verloren van de Schepper, en aan het schepsel de eer gaven, die Hem alleen toekomt.
b. Hij is ulieden heilig, vers 14, dat is: "hij is bedoeld tot uw nut zowel als tot Gods eer, " de sabbat is gemaakt om de mens. Of: "hij moet heilig door u geacht worden en aldus worden waargenomen, en gij moet het als heiligschennis beschouwen om hem te ontwijden."
c. Het is de sabbat der rust, een heiligheid des Heeren, vers 15. Hij is afgezonderd van gewoon gebruik en bestemd voor de eer en de dienst van God, en door de waarneming er van wordt ons geleerd te rusten van wereldlijke bezigheden en de dienst van het vlees, en onszelf met alles wat wij zijn, hebben en kunnen doen, aan Gods eer en heerlijkheid te wijden.
d. Hij moest waargenomen worden in hun geslachten, in alle tijden, tot een eeuwig verbond, vers 16. Het was een van de duurzaamste tekenen van het verbond tussen God en Israël.
2. De wet van de sabbat, zij moeten hem onderhouden, vers 13, 14, 16, hem houden als een schat, als een toevertrouwd pand, hem waarnemen, hem bewaren, hem bewaren voor ontheiliging, hem bewaren als een teken tussen God en hen, hem houden en hem nooit loslaten, er nooit van scheiden. De heidenen hadden jaarlijkse feesten tot eer van hun goden, maar het was bijzonder eigen aan de Joden om een wekelijkse feestdag te hebben, daarom moeten zij hem zorgvuldig onderhouden.
3. De reden van de sabbat, want Gods wetten worden niet slechts gesteund door het hoogste gezag, maar ook door de beste redenen. Gods eigen voorbeeld is de grote reden, vers 17. Gelijk het werk van de schepping het waard is om aldus herdacht te worden, zo is de grote Schepper het waard om aldus te worden nagevolgd door een heilige rust op de zevende dag na zes dagen van arbeid, inzonderheid daar wij hopen in nog verdere gelijkvormigheid met hetzelfde voorbeeld weldra met Hem van al onze arbeid te rusten.
4. De straf, gesteld op de overtreding van deze wet. Een ieder, die de sabbat ontheiligt door hierop enig werk te doen, buiten werken van Godsvrucht en barmhartigheid, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk, vers 14, wie op de sabbatdag arbeid doet, zal zeker gedood worden, vers 15. De magistraat moet hem afsnijden met het zwaard van de gerechtigheid, indien de misdaad bewezen kan worden, maar indien niet, of indien de magistraat nalatig is, zijn plicht niet doet, dan zal God zelf het werk ter hand nemen en hem afsnijden door een slag van uit de hemel, en zijn gezin zal uitgeroeid worden uit Israël. De minachting en ontheiliging van de sabbatdag is een misdaad, die door de rechters gestraft moet worden, en zo de mensen haar niet straffen, zal God het doen, hier of hiernamaals, tenzij de misdadiger er zich van bekeert.
II. Het geven van de twee tafelen der getuigenis aan Mozes. God had hem deze tafelen beloofd, toen Hij hem op de berg riep, Hoofdstuk 24:12 en thans, nu Hij hem naar beneden zond, gaf Hij ze hem, om ze zorgvuldig en met eerbied in de ark te leggen, vers 18.
1. De tien geboden, die God ten aanhore van het gehele volk op de berg Sinai had gesproken, waren nu geschreven, "in perpetuam rei memoriam-ter eeuwige gedachtenis," omdat hetgeen geschreven is, blijft.
2. Zij waren geschreven op tafelen van steen, bereid, niet door Mozes, naar het schijnt, (want in Hoofdstuk 24:12 wordt te kennen gegeven dat hij ze geschreven vond toen hij op de berg ging) maar, naar sommigen denken, door de dienst van de engelen. De wet was op stenen tafelen geschreven, om er het altijddurende van aan te duiden, (wat kan verondersteld worden langer te duren dan hetgeen op steen geschreven en bewaard is?) en tevens om op de hardheid van ons hart te wijzen, men zou lichter in steen kunnen schrijven, dan iets dat goed is in ons zondig en verdorven hart te schrijven.
3. Zij waren beschreven met de vinger Gods, dat is: door Zijn onmiddellijke wil en macht, zonder het gebruik van een werktuig. Het is God alleen, die de wet in het hart kan schrijven, Hij geeft een vlezen hart en dan schrijft Hij door Zijn Geest die de vinger Gods is, in vlezen tafelen des harten, 2 Corinthiërs 3:3.
4. Zij waren geschreven op twee tafelen, bestemd om ons te leiden en te sturen in onze plicht jegens God en de mensen.
5. Zij worden tafelen der getuigenis genoemd, omdat deze geschreven wet getuigde, beide de wil van God hen betreffende en Zijn welwillendheid voor hen, en een getuigenis zal wezen tegen hen, indien zij ongehoorzaam zijn.
6. Zij werden gegeven aan Mozes, waarschijnlijk met de last om ze, eer hij ze in de ark legde, in het openbaar te tonen, opdat zij door allen gezien en gelezen zouden worden, en aldus hetgeen zij met het oor hadden gehoord, weer in de herinnering gebracht zou worden. Alzo is de wet door Mozes gegeven, maar de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.