Johannes 16:23-27
Ter hunner verdere vertroosting wordt hun hier een antwoord op hun vragen beloofd. Er zijn twee manieren van vragen: een vragen tot onderzoek, dat het vragen is van de onwetenden, en een vragen als verzoek, dat het vragen is van de nooddruftigen. Christus spreekt hier van deze beiden.
I. Het vragen tot onderzoek zullen zij niet nodig hebben, vers 23. In dien dag zult gij Mij niets vragen, gij zult zulk een heldere kennis hebben van de verborgenheden des Evangelies, doordat uw verstand geopend zal zijn, dat gij er niet meer naar behoeft te vragen, (zoals Hebreeën 8:11. Zij zullen niet leren dat is hier onderwijzen), "gij zult opeens meer kennis hebben, dan gij totnutoe door vlijt en inspanning verkregen hebt". Zij hadden enige vragen der onwetendheid gedaan, zoals in Hoofdstuk 9:2, sommige vragen van wantrouwen, zoals Mattheus 19:27, sommigen vragen der onbescheidenheid, zoals Hoofdstuk 21:21, sommigen van nieuwsgierigheid, zoals Handelingen 1:6, maar nadat de Geest over hen uitgestort zal zijn, niets meer van dit alles. In het geschiedverhaal van de Handelingen der apostelen zien wij hen zelden vragen doen, zoals David: Zal ik dit doen? of, Zal ik daar heengaan? want zij waren voortdurend onder Gods leiding. In de gewichtige zaak van de prediking des Evangelies aan de heidenen, ging Petrus niet twijfelende, Handelingen 10:20. Het doen van vragen veronderstelt, dat men zich in verlegenheid bevindt, of tenminste, dat de vrager geen raad meer weet, en dan hebben de besten van ons het nodig om vragen te doen, maar wij moeten streven naar zulk een volle verzekerdheid van verstand of begrip, dat wij niet mogen aarzelen, maar voortdurend geleid worden op den weg der waarheid en des plichts. Nu geeft Hij hier een reden voor op, vers 25, die duidelijk heen wijst naar deze belofte van niet meer vragen behoeven te doen: Deze dingen heb Ik door gelijkenissen tot u gesproken, op ene wijze, die gij niet zo duidelijk en begrijpelijk hebt gevonden, als gij wel gewenst had, maar de ure komt, wanneer Ik u vrijuit -zo duidelijk als gij het kunt wensen-van den Vader zal verkondigen, zodat gij dan gene vragen zult behoeven te doen.
1. De grote zaak, waar Christus hen wilde inleiden, was de kennis van God: Ik zal u van den Vader verkondigen, u met Hem bekendmaken. Dat is hetgeen Christus bedoelt te geven, en hetgeen alle ware Christenen begeren te hebben. Als Christus uitdrukking wil geven aan de grootste gunst, die Hij Zijnen discipelen denkt te betonen, dan zegt Hij, dat Hij hun vrijuit van den Vader zal verkondigen, want wat is de gelukzaligheid des hemels anders, dan onmiddellijk en voor eeuwig God te zien? God te kennen als den Vader van onzen Heere Jezus Christus, is de grootste verborgenheid in welker bepeinzing het verstand zich kan verlustigen, en Hem te kennen als onzen Vader is de grootste zaligheid, die onze ziel kan genieten.
2. Totnutoe had Hij hun hiervan gesproken door gelijkenissen, door wijze, leerrijke gezegden in beeldspraak, en zich bepalende tot algemeenheden. Christus had hun vele dingen klaar en duidelijk gezegd, en Zijne gelijkenissen had Hij voor Zijne discipelen verklaard, maar vanwege hun stompzinnigheid, hun ongeschiktheid om aan te nemen wat Hij hun zei, kan Hij gezegd worden tot hen in gelijkenissen te hebben gesproken, wat Hij hun zei was als een verzegeld boek, Jesaja 29:11.
a. In vergelijking met de ontdekkingen, die Hij hun doen zou als Hij Zijn Geest in hun hart zal gegeven hebben, is hetgeen Hij totnutoe in hun oren gesproken had, slechts in gelijkenissen gesproken. Het zal voor hen zelven een aangename verrassing zijn, en zij zullen zich als in een nieuwe wereld gevoelen, als zij nadenken over al hun vorige denkbeelden, als verward en raadselachtig, vergeleken bij hun tegenwoordige heldere en duidelijke kennis van Goddelijke dingen. De bediening in letteren was niets, in vergelijking met de bediening des Geestes, 2 Corinthiërs 3:8-11. Het bepalende tot hetgeen Hij gezegd had van den Vader en de raadsbesluiten des Vaders was hetgeen Hij gezegd had zeer duister, in vergelijking met hetgeen weldra geopenbaard stond te worden, Colossenzen 2:2.
3. Hij wilde duidelijk, vrijuit, tot hen spreken van den Vader. Toen de Geest was uitgestort, hebben de apostelen een veel grotere kennis verkregen van Goddelijke dingen, dan zij tevoren gehad hebben, zoals blijkt uit de wijze waarop de Geest hun gaf te spreken, Handelingen 2:4. Zij werden ingeleid in de verborgenheid van die dingen, waarvan zij tevoren slechts een verward denkbeeld hadden, en wat de Geest hun openbaarde wordt hier gezegd hun door Christus te zijn verkondigd, want gelijk de Vader spreekt door den Zoon, zo spreekt de Zoon door den Geest. Maar de volkomen vervulling van deze belofte zal in den hemel plaatshebben, waar wij den Vader zullen zien gelijk Hij is, van aangezicht tot aangezicht, niet zoals wij Hem nu zien door een spiegel in een duistere rede, 1 Corinthiërs 13:12, hetgeen ene reden van vertroosting is voor ons, die onder de wolk der tegenwoordige duisternis zijn, waardoor wij niet instaat zijn iets ordelijks voor te stellen, maar het dikwijls onordelijk doen. Zolang wij hier zijn, hebben wij vele vragen te doen betreffende den onzichtbaren God en de onzichtbare wereld, maar op dien dag zullen wij alles helder en duidelijk zien, en gene vragen meer doen.
II. Hij belooft hun, dat zij gene vraag bij wijze van verzoek tevergeefs zullen doen. Hier wordt als ene waarheid, een feit, aangenomen, dat alle discipelen van Christus bidden. Hij had hen door Zijn voorschrift en Zijn voorbeeld geleerd om veel in het gebed te zijn, dit moet hun steun en hun troost wezen, als Hij hen verlaten zal hebben, hun onderricht, hun leiding, hun kracht en hun voorspoed moeten zij verkrijgen door het gebed. Nu is hier:
1. Een uitdrukkelijke belofte van een toestaan van hun bede, vers 23. De inleiding tot deze belofte is van zulk een aard, dat zij er volstrekt zeker door wordt, geen twijfel er aan laat overig blijven: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, Ik sta er voor in met Mijn woord. De belofte zelf is ongelijkbaar rijk en lieflijk, hier wordt ons de gouden scepter toegereikt, met dit woord: Wat is uwe bede? zij zal u gegeven worden. Want Hij zegt: Al wat gij den Vader zult bidden in Mijn naam, dat zal Hij u geven. Wij hebben dit tevoren gehad in Hoofdstuk 14:13. Wat willen wij meer? De belofte is zo uitdrukkelijk als wij slechts kunnen wensen.
a. Er wordt ons hier geleerd hoe te zoeken, wij moeten den Vader bidden in Christus' naam, wij moeten op God zien als een Vader, en als kinderen tot Hem komen, en op Christus als Middelaar, en wij moeten komen als Zijne beschermelingen, die van Hem afhankelijk zijn. Het bidden tot den Vader sluit de bewustheid in van geestelijke behoeften en ene begeerte naar geestelijke zegeningen, met de overtuiging, dat die alleen van God te verkrijgen zijn. Er ligt ook ootmoedigheid in opgesloten, in de wijze waarop wij ons tot Hem wenden, met een gelovig vertrouwen in Hem, als Vader, instaat en bereid om ons te helpen. Het bidden in Christus' naam sluit de erkentenis in van onze eigen onwaardigheid om enigerlei gunst van God te ontvangen, een welbehagen in de methode door God aangenomen, om gemeenschap met ons te onderhouden door Zijn Zoon, en een algehele afhankelijkheid van Christus als den Heere onze gerechtigheid. b. Er wordt ons hier gezegd hoe wij zullen slagen. Hij zal het u geven. Wat meer kunnen wij wensen dan te zullen hebben wat wij behoeven, ja te hebben wat wij willen, in overeenstemming met Gods wil, zo wij er slechts om vragen? Hij zal het u geven, van wie iedere goede gave en volmaakte gift komt. Wat Christus door de verdienste van Zijn dood verworven heeft, had Hij niet nodig voor zich zelven, maar Hij bestemde het voor, en gaf het over aan, Zijn getrouwe volgelingen, en er een kostelijke vergoeding voor gegeven hebbende, die ten volle was aangenomen, trekt Hij nu door deze belofte, als het ware, een wissel op de schatkist des hemels, dien wij door het gebed moeten aanbieden, en in Zijn naam, om te vragen om hetgeen gekocht en beloofd is, overeenkomstig de ware bedoeling van het Nieuwe Verbond. Christus had hun een grote verlichting beloofd door den Geest, maar zij moesten er om bidden, en dit hebben zij ook gedaan, Handelingen 1:14. God wil hierom gebeden zijn. Hij had hun voor hiernamaals volmaaktheid beloofd, maar wat moeten zij nu intussen doen? Zij moeten volharden in den gebede. De volmaakte genieting is weggelegd voor het land onzer rust, bidden en ontvangen zijn de vertroosting en de lieflijkheid van het land onzer vreemdelingschap.
2. Hier is een uitnodiging voor hen om te bidden. Het wordt voldoende geacht, als aanzienlijke, hooggeplaatste personen vergunning geven om hun iets te verzoeken, maar Christus roept ons, nodigt ons, tot bidden, vers 24.
a. Hij ziet terug op de wijze van doen, die zij totnutoe gevolgd hebben: Totnogtoe hebt gij niet gebeden in Mijn naam. Dit ziet of op den inhoud van hun gebed: "gij hebt niets gevraagd, in vergelijking met hetgeen gij had kunnen vragen, en wat gij zult vragen, nadat de Geest zal uitgestort zijn". Zie welk een milde weldoener onze Heere Jezus is boven alle andere weldoeners, Hij geeft middelijk, en wel verre van ons het menigvuldige en de grootte Zijner gaven te verwijten, verwijt Hij ons veeleer het zeldzame en enghartige van ons vragen. "Gij hebt niets gevraagd in vergelijking met wat gij nodig hebt, en wat Ik heb te geven, en u beloofd heb te geven". Er wordt ons gezegd onzen mond wijd open te doen. Of wel, op den naam, waarin zij hebben gebeden. Menig gebed hebben zij gebeden, maar nooit zo bepaald en uitdrukkelijk in den naam van Christus, als nu Hij hun zei dit te doen, want Hij had de grote offerande nog niet geofferd, krachtens welke onze gebeden aangenomen en verhoord zullen worden, en Hij was ook Zijn voorbidden voor ons nog niet ingetreden, waarvan het reukwerk onze gebeden zou doorgeuren, om ons aldus instaat te stellen te bidden in Zijn naam. Totnutoe hadden zij in den naam van Christus, als Koning en Profeet, duivelen uitgeworpen en kranken genezen, maar zij konden nog niet bepaald in Zijn naam, als Priester, bidden.
b. Hij ziet uit naar hun wijze van doen in de toekomst: Bidt, en gij zult ontvangen, opdat uwe blijdschap vervuld zij. Hij zegt hun om alles te bidden wat zij behoeven en Hij beloofd heeft. En Hij geeft hun de verzekering, dat zij zullen ontvangen. Wat wij uit het beginsel van genade vragen, zal God genadiglijk geven. Gij zult ontvangen. Er is hier iets meer in dan in de belofte, dat Hij het geven zal. Hij zal het niet slechts geven, maar u geven het te ontvangen, er u de vertroosting en het voordeel van geven, de macht om er van te eten, Prediker 6:2. Dat hierdoor hun blijdschap vervuld zal worden. Dit duidt aan: Ten eerste. De gezegende uitwerking van het gebed des geloofs, zij helpt om de blijdschap des geloofs te vervullen. Wensen wij onze blijdschap volkomen te hebben, zo volkomen als zij in deze wereld zijn kan, dan moeten wij veel bidden. Als ons gezegd wordt ons ten allen tijde te verblijden, dan volgt daar onmiddellijk op: Bidt zonder ophouden. Zie, naar hoe hoge zaak wij moeten uitgaan in ons bidden- niet slechts naar vrede, maar naar blijdschap, volkomen blijdschap. Of: Ten tweede. De gezegende uitwerking van de verhoring van ons gebed: "Bidt, en gij zult datgene ontvangen, wat u met blijdschap zal vervullen". Door Christus vervullen Gods gaven de schatkamers der ziel, Spreuken 8:21. Bidt om de gave des Heiligen Geestes en gij zult haar ontvangen, en terwijl andere wetenschap smart vermeerdert, Prediker 1:18, zal de wetenschap, de kennis, die Hij geeft, uwe blijdschap vervullen".
3. Hier zijn de gronden, waarop zij kunnen hopen te zullen welslagen, vers 26, 27, die door den apostel kortelijk saamgevat zijn, 1 Johannes 2:1.
Wij hebben een Voorspraak bij den Vader.
a. Wij hebben een Voorspraak. Christus vond reden om hier vooralsnog niet op aan te dringen, hier den nadruk niet op te leggen, ten einde de volgende bemoediging des te helderder te doen uitkomen: Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal. Gesteld eens, dat Ik u niet zou zeggen, dat Ik voorbede voor u doen zal, het niet zou ondernemen al uwe zaken bij den Vader te behartigen, dan kan het toch een algemene grond van vertroosting voor u zijn, dat Ik de gemeenschap heb geopend tussen u en God, een troon der genade heb opgericht, en een versen en levenden weg om in te gaan in het heiligdom voor u heb ingewijd. Hij spreekt, alsof zij geen verdere gunsten meer behoefden, nu Hij de gave des Heiligen Geestes heeft verkregen om in ons voor ons te bidden, als een Geest der aanneming, roepende "Abba, Vader", alsof zij Hem nu niet meer nodig hadden om voor hen te bidden, maar wij zullen bevinden, dat Hij meer voor ons doet dan Hij zegt. Wat de mensen doen, blijft dikwijls achter bij hetgeen zij beloven, maar Christus doet meer dan Hij beloofd heeft.
b. Wij hebben te doen met een Vader, hetgeen zo groot ene bemoediging is, dat zij de andere in zekeren zin krachteloos maakt. Want de Vader zelf heeft u lief, is een Vriend voor u, en beteren vriend kunt gij niet hebben. De discipelen van Christus zijn de beminden van God zelven. Christus heeft niet slechts Gods toorn van ons afgewend, en ons in een verbond van vrede en verzoening met Hem gebracht, maar Hij heeft ons ook Zijne gunst verworven, en ons in een verbond van vriendschap met Hem gebracht. Let op den nadruk, die hierop gelegd wordt. De Vader zelf heeft u lief, de Vader, die volmaakt gelukkig is in zich zelven, wiens liefde tot zich zelven Zijne oneindige rechtheid is, zowel als Zijn oneindige gelukzaligheid, en toch behaagt het Hem u lief te hebben. De Vader zelf, wiens gunst gij hebt verbeurd, en aan wiens toorn gij u hebt blootgesteld, en bij wie gij een voorspraak nodig hebt, Hij zelf heeft u thans lief. Merk op: a. Waarom de Vader de discipelen van Christus liefhad: dewijl gij Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd, dat Ik van God ben uitgegaan, dat is: omdat gij waarlijk Mijne discipelen zijt, niet alsof de liefde van hen was uitgegaan, in hen was begonnen, maar als Hij door Zijne genade liefde in ons gewerkt heeft, dan heeft Hij een welbehagen in het werk Zijner handen. Zie hier: Ten eerste. Wat de eigenschap is van Christus' discipelen, zij hebben Hem lief, omdat zij geloven, dat Hij van God is uitgegaan, de eengeboren Zoon is van den Vader, en Zijn Gevolmachtigde in de wereld. Geloof in Christus werkt liefde tot Hem, Galaten 5:6. Indien wij geloven, dat Hij de Zoon van God is, dan kunnen wij niet anders dan Hem liefhebben, als zijnde oneindig beminnenswaardig in zich zelven, en als wij geloven, dat Hij onze Zaligmaker is, dan kunnen wij niet anders dan Hem liefhebben om Zijn grote goedheid jegens ons. Zie met welk een waardering het Christus behaagde van de liefde Zijner discipelen te spreken, en hoe vriendelijk Hij haar aannam. Hij spreekt er van als van datgene, hetwelk hen in Zijns Vaders gunst aanbeval: gij hebt Mij liefgehad en in Mij geloofd, toen de wereld Mij heeft gehaat en verworpen, en gij, die u aldus hebt onderscheiden, zult onderscheiden worden. Ten tweede. Zie het voorrecht van Christus' discipelen: de Vader heeft hen lief, en dat wel omdat zij Christus liefhebben, Hij heeft in Hem zulk een welbehagen, dat Hij ook een welbehagen heeft in Zijne vrienden. b. Welk ene bemoediging dit voor hen was in het gebed. Zij behoeven niet te vrezen, dat zij gene verhoring zullen vinden, als zij bidden tot Hem, die hen liefheeft, en hun welzijn wenst. Ten eerste. Dit waarschuwt ons tegen harde gedachten omtrent God. Als ons geleerd wordt om in het gebed te pleiten op Christus' verdienste en voorspraak, dan is dit niet, alsof alle vriendelijkheid alleen in Christus bestond, en in God niets dan toorn en wrok was, neen, zo staat de zaak niet, het is des Vaders liefde en welwillendheid, die Christus gesteld heeft tot een Middelaar, zodat wij Christus' verdienste verschuldigd zijn aan de barmhartigheid Gods, waarmee Hij Hem aan ons heeft gegeven.
Ten tweede. Laat hierdoor goede gedachten omtrent God in ons gekoesterd en bevestigd worden. Gelovigen, die Christus liefhebben, behoren te weten, dat God hen liefheeft, en moeten dus vrijmoedig tot Hem gaan, als kinderen tot een liefhebbenden Vader.