Jeremia 22:1-9
Hier hebben wij:
I. Bevelen aan Jeremia gegeven om te gaan prediken voor de koning. In het voorgaande hoofdstuk is ons meegedeeld, dat Zedekia boden zondt tot de profeet, maar hier wordt de profeet gelast in hoogst eigen persoon, in het huis des konings te gaan, en aandacht te vragen voor het woord van de Koning van de koningen, vers 2. Hoor het woord des Heeren, gij koning van Juda!
1. Onderdanen moeten erkennen, dat, waar het woord van de koning is, daar macht over hen is, maar koningen moeten erkennen, dat, waar het woord des Heeren is, daar macht over hen is. De koning van Juda wordt hier toegesproken als "die zit op Davids troon," die een man was naar Gods hart, als die zijn waardigheid en macht bezat door het verbond met David gemaakt, daarom moet hij gelijk worden aan zijn voorbeeld, opdat hij mag genieten van de beloften, aan hem gedaan. Met de koning worden zijn knechten toegesproken, omdat een goede regering afhankelijk is van een goed ministerie zowel als van een goed koning.
II. Wat hem bevolen wordt te prediken.
1. Hij moet hun zeggen, wat hun plicht is, welke goede dingen het waren, die God de Heere van hen verlangde, vers 3. Zij moeten zorg dragen,
a. Dat zij al het goede doen, dat zij kunnen doen met de macht, die zij hebben. Zij moeten recht doen, ter verdediging van hen, die verongelijkt zijn, en moeten "de beroofde redden uit de hand des verdrukkers." Dat was hun plicht om de plaats, die zij innamen, Psalm 82:3. Hierin moeten zij Gods ministers zijn voor `t goede.
b. Dat zij er geen kwaad mee doen, "geen onrecht, geen geweld." Het grootste onrecht en geweld is wat geschiedt onder bedekking van wet en gerechtigheid, en door hen, wier taak het is te straffen en te beschermen tegen onrecht en geweld. Zij moeten de vreemdeling, de wees, noch de weduwe onderdrukken, want deze neemt God op bijzondere wijze onder zijn bescherming en opzicht, Exodus 22:21, 22.
2. Hij moet hun verzekeren, dat de getrouwe vervulling van hun plicht hun voorspoed zal bevorderen en hen beveiligen, vers 4. Dan zal er een opeenvolging van koningen zijn, een onafgebroken opeenvolging van koningen, "op Davids troon, en van zijn geslacht, ze zullen een volmaakte rust genieten, en in groten staat en waardigheid leven, rijdende op wagens en op paarden," als tevoren, Hoofdstuk 17:15. De meest krachtdadige wijze om de waardigheid van de regering te bewaren is haar plicht te doen.
3. Eveneens moet hij hun verzekeren, dat de ongerechtigheid van hun familie, indien zij er in volharden, de ondergang van hun familie zal zijn, hoewel het een koninklijke familie is, vers 5 :Indien gij deze woorden niet zult horen, niet wilt gehoorzamen, zal dit huis tot een woestheid worden, met het paleis van de koningen van Juda zal het niet beter gaan dan met andere woningen in Jeruzalem. Zonde is dikwijls de ondergang geweest van koninklijke paleizen hoe statig, hoe sterk ook. Dit vonnis wordt bekrachtigd door een eed: "Ik heb bij Mij gezworen en bij niemand groter kan God zweren, Hebreeën 6:1, dat dit huis tot een woestheid worden zal". Zonde verwoest zowel de huizen van de vorsten als die van gewone lieden 4. Hij moet tonen hoe noodlottig hun goddeloosheid voor het koninkrijk zal zijn, zowel als voor hen zelf, in `t bijzonder voor Jeruzalem, de koninklijke stad, vers 6-9.
a. Toegegeven wordt, dat Juda en Jeruzalem waardevol geweest zijn in Gods ogen en belangrijk in de hun: "Gij zijt mij een Gilead, een hoogte van Libanon." Hun lot was gevallen op een plaats, rijk en lieflijk als Gilead, Zion was een sterkte, even statig als Libanon, daarop vertrouwden zij als hun beveiliging. Maar,
b. Dat zal hen niet beschermen, het land, dat nu vruchtbaar is als "Gilead, zal tot een woestijn gesteld worden. De steden, die nu sterk zijn als Libanon, zullen onbewoonde steden zijn, en, als het land verwoest is moeten de steden ontvolkt worden". Zie, hoe gemakkelijk Gods oordelen een volk kunnen verderven, en hoe zeker de zonde het doet. Als dit verwoestingswerk gedaan moet worden,
c. Zullen er gevonden worden, die het krachtdadig zullen doen, vers 7 :"Ik zal verdervers tegen u heiligen, Ik zal ze voor deze dienst aanwijzen en gebruiken." Als de verwoesting beraamd is, worden er ook verdervers in gereed gemaakt, en zijn al klaar, en alles is in voorbereiding voor de beraamde verwoesting, of is reeds lang van tevoren gereed. En wie kan strijden tegen verdervers, die God geheiligd heeft? Zij zullen de steden verwoesten met evenveel gemak als men bomen in een woud velt: zij zullen uw uitgelezene cederen omhouwen, en toch, als ze neerliggen, zullen zij ze niet meer achten dan doornen en distelen, zij zullen ze in het vuur werpen, want hun uitgelezene ceders zijn verrot en deugen nergens meer voor."
d. Er zullen er gevonden worden, die bereid zullen zijn God te rechtvaardigen in `t geen Hij gedaan heeft, vers 8, 9. Dan zullen vele heidenen voorbij deze stad gaan, en zullen vragen: "Waarom heeft de Heere alzo gedaan aan deze grote stad? Hoe kwam het, dat zo'n sterke stad overweldigd werd? Dat zo'n rijke stad verarmde? Dat een zo dicht bevolkte stad ontvolkt werd? Dat zo'n heilige stad ontheiligd werd? En dat een stad, die zo dierbaar geweest was aan God, door Hem verlaten werd?" De reden ligt zozeer voor de hand, dat ze iedereen op de tong zal liggen. "Vraag de voorbijgaande op de weg, Job 27:29. Vraag de eerste de beste, en hij zal u vertellen, dat het was, omdat zij andere goden namen, wat andere volken niet gewoon waren te doen. "Zij verlieten het verbond met Jahweh, hun eigen God, schonden hun trouw aan hem en aan de plicht, waartoe zij gebonden waren door het verbond met Hem, en hebben zich voor andere goden nedergebogen, en die gediend," Hem tot verachting, en daarom gaf Hij hen over aan deze verwoesting. God verwerpt nooit iemand, die Hem niet eerst verworpen heeft. "Ga heen", zegt God tot de profeet, "en predik dit aan de koninklijke familie."