Hebreeën 9:15-22
In deze verzen beschouwt de apostel het Evangelie onder het beeld van een wil of testament, den nieuwen of laatsten wil en het testament van Christus, en toont de noodzakelijkheid en de kracht van het bloed van Christus aan om dat testament van waarde en kracht te maken.
I. Het Evangelie wordt hier beschouwd als een testament, den laatsten wil, het nieuwe testament van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Het is opmerkelijk, dat de plechtige overeenkomst tussen God en den mens soms verbond genoemd wordt, en hier een testament. Een verbond is een overeenkomst tussen twee of meer partijen betreffende dingen, die in hun eigen macht staan, of behoren te staan, en zulks met of zonder middelaar, dit verbond behoudt kracht zo lang en op zulk een wijze als daarbij bepaald wordt. Een testament is de vrijwillige daad van een enkel persoon, behoorlijk vastgesteld en door getuigen gestaafd, dat erflatingen bepaalt voor de personen genoemd en omschreven door den testamentmaker, welke alleen door diens dood kracht verkrijgen. Merk nu op, dat Christus is de Middelaar des Nieuwen Testaments, vers 15, en Hij wordt hier in onderscheidene betekenissen aldus genoemd.
1. Om mensen te verlossen van hun overtredingen, tegen de wet of het eerste testament gepleegd, want daaronder maakte elke overtreding de vrijheid verbeurd, en werden de mensen schuldenaars, slaven en gevangenen, die verlossing nodig hadden.
2. Om allen, die daadwerkelijk geroepen worden. bevoegd te maken voor het ontvangen van de belofte ener eeuwige erfenis. Dat zijn de grote erflatingen, welke Christus door Zijn laatsten wil of testament vermaakte aan alle waarlijk aangewezen erfgenamen.
II. Ten einde dit Nieuwe Testament van kracht te doen zijn, was het noodzakelijk dat Christus stierf, de erflatingen krijgen kracht alleen door den dood. Dit wordt met twee bewijsgronden aangetoond.
1. Door den algemenen aard van elke testamentaire beschikking, vers 16. Waar een testament is, daar is het noodzaak dat de dood van den testamentmaker kome, om het tot uitvoering te brengen. Tot zolang is het eigendom in de macht van den testamentmaker, en hij heeft het recht te herroepen of te veranderen, naarmate hem behaagt, zodat geen bezitting of recht wordt overgedragen, alvorens de dood van den testamentmaker de bepaling onherroepelijk en van kracht gemaakt heeft.
2. Door de bijzondere handelwijze van Mozes bij de inwijding of vaststelling van het eerste Testament, die niet zonder bloed geschiedde, vers 18, 19 en verder. Door de zonde zijn alle mensen schuldig geworden voor God, en hebben tegenover de goddelijke rechtvaardigheid hun erfenis, hun vrijheid, ja hun leven zelf verbeurd. Maar God, willende de grootheid van Zijne barmhartigheid bewijzen, heeft een verbond van genade afgekondigd, en bepaald dat het zinnebeeldig zou bediend worden onder het Oude Testament, doch niet zonder het bloed en het leven van het schepsel. God nam het bloed van stieren en bokken aan als zinnebeelden van het bloed van Christus, en door deze middelen werd het genadeverbond ingewijd onder de vorige bedeling. De handelwijze van Mozes, overeenkomstig de bevelen, die hij van God ontvangen had, wordt hier in bijzonderheden vermeld.
A. Mozes sprak al de geboden naar de wet, tot het volk, vers 19. Hij gaf hun den inhoud van de wet te kennen, de plichten daarin vereist, de beloften daarin gedaan aan hen, die haar naleefden, de straffen tegen de overtreders gedreigd, en hij riep hen op om hun instemming met de voorwaarde op uitdrukkelijke wijze te kennen te geven.
B. Toen nam hij het bloed der kalveren en bokken, met water, purperen wol en hysop, en paste dat bloed door sprenkeling toe. Het bloed en het water stellen het bloed en het water voor, dat uit des Zaligmakers doorstoken zijde vloeide, ter rechtvaardigmaking en heiligmaking, en evenzo de beide sacramenten van het Nieuwe Testament, den doop en het avondmaal des Heeren, met purperen wol, een beeld van de gerechtigheid van Christus, met welke wij moeten bekleed worden, en hysop, een teken van het geloof, waardoor wij ons dit alles moeten eigen maken. Met deze dingen besprengde Mozes:
a. Het boek van de wet of des verbonds, om aan te tonen dat het genadeverbond gevestigd is en voor ons welzijn krachtdadig gemaakt wordt door het bloed van Christus.
b. Het volk, om te kennen te geven dat het vergieten van het bloed van Christus voor ons geen voordeel zal hebben, indien het niet op ons toegepast wordt. En de besprenging van beiden, van het boek en van het volk, toonde de wederzijdse toestemming van beide partijen, God en den mens, en hun wederzijdse aannemen van dit verbond door Christus. Mozes sprak daarbij deze woorden: Dit is het bloed des testaments, hetwelk God u heeft geboden. Dit bloed, afschaduwende het bloed van Christus, is de bevestiging van het genadeverbond aan alle ware gelovigen.
c. Hij besprengde met het bloed den tabernakel en al de vaten van den dienst, aanduidende dat al de daar gebrachte offeranden en gepleegde diensten alleen aangenomen werden ter wille van het bloed van Christus, dat de wegneming van alle onreinheid brengt, die aan al onze heilige dingen kleeft, en die niet kan verwijderd worden dan door dat verzoenend bloed.