1. Jakobus1) Uit 10:4, een dienstknecht van God in de wettige betekenis van het woord (
Deuteronomium 34:5) en van de Heere Jezus Christus, (
Judas 1:1
Filippenzen 1:1), aan de twaalf stammen van Israël (
Mattheus 19:28 Handelingen 26:7 Openbaring :4vv.), die, wonende buiten Palestina, hun eigenlijk vaderland, in de verstrooiing zijn, in de verschillende heidenlanden (
Handelingen 2:8) verstrooid zijn (1 Makk. 1:11 Aanm.): zaligheid (
Handelingen 23:26 Handelingen 8:1;
1 Petrus 1:11) In de vier lijsten van de apostelen (Mattheus 10:3 Markus 3:18 Lukas 6:15 Handelingen 1:13) aan de ene kant en de opgave van de beide eerste evangelisten over de broeders van Jezus (Mattheus 13:55 Markus 6:3) aan de andere kant, ontmoeten wij drie gelijkluidende namen:
1 Jakobus, de zoon van Alfeüs 1 Jakobus
2 Judas, Jakobus' broeder (Thadeüs of Lebbeüs) 2 Judas
3 Simon Kananites (genaamd Zelotes) 3 Simon
4 Jozes
Wij moeten in het oog houden dat die Maria, die in Mattheus 27:56 Markus 15:40; 16:1 en Lukas 24:10 als de moeder van Jakobus de jongere wordt aangehaald, d. i. van de tweede Jakobus, van hem die onder de apostelen (om hem te onderscheiden van Jakobus, de broeder van Johannes) die naam droeg en dat zij, die in Johannes 19:25 als de zuster van de moeder van Jezus (en daarom in Mattheus 28:1 de "andere Maria" genaamd) als de vrouw van Kleopas optreedt, in Mattheus 27:56 en Mar. 15:40, 47, ook de moeder van Jozes genoemd wordt. De naam Kleopas is slechts een nauwkeurige Griekse omschrijving van de Hebreeuwse naam "Chalpay" in plaats van de andere naam "Alfeüs". Daardoor wordt in ons het vermoeden opgewekt dat de twee rijen van namen betrekking hebben op dezelfde personen en dat dus die drie apostelen: Jakobus, Judas en Simon, broers van de Heere geweest zijn, hetgeen wij nu, daar hun vader Kleopas of Alfeüs en hun moeder de andere Maria, de zuster van de moeder van Jezus was, natuurlijk slechts in de zin van zusters kinderen of neven moeten opnemen. Wij worden in dit vermoeden versterkt, omdat Judas, de schrijver van de brief, zich uitdrukkelijk in Vers 1 als een broer van Jakobus voorstelt. Zonder twijfel is deze Jakobus dezelfde persoon als die Jakobus, die in Handelingen 12:17; 15:13; 21:18 als voorganger van de gemeente te Jeruzalem optreedt; deze was echter niemand anders dan de apostel Jakobus II. Een groot aantal schriftverklaarders wil deze bewering echter niet aannemen, maar beweert daarentegen dat de twee rijen van namen die hier boven aangehaald zijn, ook betrekking hebben op twee verschillende soorten personen, op apostelen aan de ene en op broers van de Heere aan de andere kant. Zij beweren dat de Jakobus die onze brief geschreven heeft en die na de terdoodbrenging van Jakobus de oudere, de broer van Johannes, in het jaar 44 na Christus (Handelingen 12:1), de gemeente te Jeruzalem als zodanig geleid heeft, niet Jakobus II, de zoon van Alfeüs en van de andere Maria, maar een Jakobus III, de broer van Jezus, de zoon van Jozef uit zijn huwelijk met Maria, de moeder van de Heere geweest is. Deze bewering wordt echter beslist weerlegd door de volgende overwegingen: 1) In Handelingen 1:13 heeft Lukas onder de apostelen eerst tussen Petrus en Johannes, een Jakobus (Jakobus I) en dan tussen Mattheus en Simon Zelotes, een Jakobus, met de bijvoeging "zoon van Alfeüs" (Jakobus II) genoemd. Weliswaar heeft hij dadelijk daarop gezegd (Vers 14 : "deze allen volhardden eendrachtig in het bidden en smeken. en Maria, de moeder van Jezus en zijn broers", maar hoe die broers geheten hebben, heeft hij noch hier, noch eerder in zijn evangelie (Lukas 4:22; 8:19) gezegd. Nergens heeft hij ook maar enigszins aangeduid dat er naast de beide apostelen die de naam Jakobus droegen, nog een derde Jakobus in de gemeenschap van Jezus en Zijn gemeente geweest is. Maar hoe zou Theophilus, voor wie Lukas zijn evangelie en de Handelingen der Apostelen geschreven heeft, op de gedachte zijn gekomen dat wanneer Petrus na de terdoodbrenging van Jakobus I bij zijn vertrek uit Jeruzalem, om veilig te zijn voor de vervolgingen van Herodes, met de woorden (Handelingen 12:17): "boodschapt dit aan Jakobus en aan de broeders", een Jakobus als toenmalig voorganger van de gemeente te Jeruzalem aanduidt, daaronder niet Jakobus II, de apostel, maar Jakobus III, de broer van de Heere in lichamelijke zin zou moeten worden verstaan. Men zegt dat hij uit zichzelf had kunnen weten dat Jakobus, de beroemde voorganger van de gemeente te Jeruzalem niet de Apostel Jakobus II, maar Jakobus III, de broer van de Heere was en hij had dus slechts aan deze laatste kunnen denken toen hij die woorden van Petrus las. Wij beweren daarentegen dat Theophilus, daar hij zo weinig bekend was met de gemeente te Jeruzalem, bij hetgeen hij hier las en wat hij verder kreeg te lezen van de grote voorganger Jakobus, na de dood van Jakobus I, volstrekt alleen kon denken aan Jakobus II, die hem slechts bij name bekend was door de opsomming van de apostelen door Lukas in Lukas 6:14 en Handelingen 1:13 Zo'n gewichtig en veelbetekenend man, die zo lang en zo krachtig de joods-christelijke kerk geleid heeft, een eigen brief geschreven en de erenaam "broeder van de Heere" droeg (Galaten 1:19), verwart men niet in zijn eigen gedachten met Jakobus III, wanneer men van een Jakobus II weet, maar men herkent al deze benamingen juist als van deze Jakobus II. Heden komt nog voor geen enkele onbevooroordeelde lezer bij het lezen van de apostelgeschiedenis, deze persoon, deze Jakobus III, in gedachte, wanneer er niet eerst door de verklaarders over gesproken wordt. P. Lange heeft wel gelijk als hij schrijft: "Dadelijk na de dood van Jakobus I komt in de geschiedenis van de apostelen weer een Jakobus op het toneel, die alleen deze naam draagt. Het is nu toch een zeer onwaarschijnlijke gevolgtrekking dat, terwijl Jakobus, de zoon van Alfeüs (Jakobus II) in korte tijd spoorloos van het toneel verdwenen zou zijn, zonder dat hij de eer waardig gekeurd is dat er ergens door de geschiedschrijvers van zijn dood melding gemaakt is, nu plotseling een niet-apostolische Jakobus verschenen zou zijn, die zelf een verheven plaats in de kring van de apostelen zou ingenomen hebben. " Het is ook 2) volstrekt niet te begrijpen hoe in Handelingen 15:6vv. en 21:18vv. de beide apostelen die de hoogste plaatsen bekleedden, Petrus en Paulus, het gezag van Jakobus op zo'n overtuigende wijze konden handhaven, indien deze Jakobus niet eveneens een apostel geweest was, maar slechts een man die men om zijn bloedverwantschap met Jezus en om zijn hoog zedelijke rechtschapenheid tot opziener van de gemeente te Jeruzalem verheven had, zoals die verdedigers van een Jakobus III zeggen. Dit zijn toch allemaal maar deels uiterlijke, deels persoonlijke voorrechten, waarvoor de apostolische waardigheid die door Christus zelf opgedragen is, toch veel te hoog staat dan dat de gemeente te Jeruzalem een Jakobus III zou genomen hebben, wanneer Jakobus II te hunner beschikking stond. Tenslotte 3) spreekt het het getuigenis van de Schrift tegen wanneer men zegt dat de vier broeders in de tweede rij zonen zijn van Jozef en Maria, terwijl toch in Mattheus 27:56 en Mar. 15:40, 47 Maria, de vrouw van Kleopas (Johannes 19:25), de moeder van Jakobus de kleine genoemd wordt, d. i. van de apostel Jakobus II en ook van Jozes, waaruit toch duidelijk blijkt dat juist Alfeüs of Kleopas en de andere Maria (Mattheus 27:61) de ouders van die vier broers waren. Maar waarom wil men dan niet erkennen dat de twee rijen van namen die hierboven aangehaald zijn, geen twee soorten van personen, maar slechts dezelfde personen in een dubbele relatie zijn? Weliswaar zijn die schriftplaatsen, waar van de broers van de Heere gezegd wordt dat zij bij Zijn leven niet in Hem wilden geloven, maar pas na Zijn dood zich bij de gemeente van de gelovigen voegden (Johannes 7:3 Handelingen 1:14), wanneer men die toepast op de vier broers die in Mattheus 13:55 en Markus 6:3 bij name genoemd worden, een steen des aanstoots waar men niet overheen komen kan. Men moet er echter ook op letten dat de lieden in Nazareth in Mattheus 13:56 en Markus 6:3 ook uitdrukkelijk zeiden van de zusters van Jezus: "zijn ze niet allen bij ons (te Nazareth)? " terwijl zij van zijn broeders de namen vermelden en dus duidelijk genoeg doen verstaan dat deze broeders hun vaderstad hebben verlaten en zich elders gevestigd hebben. De laatste omstandigheid doet ons vermoeden dat drie van deze broers discipelen van Jezus geworden zijn, maar dat de beide Maria's, de moeder van de Heere en de vrouw van Kleopas met Jezus naar Kapernaüm verhuisd waren (vgl. Mattheus 8:15, 12:22 De eerste omstandigheid doet ons ook vermoeden dat de zusters, die in Nazareth achtergebleven waren, daar gehuwd zijn en dat nu haar echtgenoten de ongelovige broers van Jezus waren. De naam broer heeft voor de Israëlieten een veelomvattende betekenis en sluit alle graden van verwantschap en alle betrekkingen, waarin de verschillende leden van een familie tot elkaar staan, in zich (vgl. behalve de bij Mattheus 19:2 aangehaalde teksten, nog Genesis 29:12; 2 Kon. 10:13 Wij hebben deze mening bij Mattheus 19:2 en Johannes 2:10; 7:5 uiteengezet, maar bij Mattheus 1:25, 2:23 hebben wij ook aangeduid, waarom wij het voor geheel ondenkbaar houden dat de Heere lichamelijke broers of zussen uit het huwelijk van Jozef met Maria gehad zou hebben. Wij zijn ons bewust dat wij met dat idee de betekenis van de Schrift niet verkleinen, maar integendeel vergroten en dat wij ook geenszins de goddelijke bestemming van het huwelijk (Genesis 1:28) tekort doen, wanneer wij denken aan de spreuk: "hetzelfde is niet goed voor allen" en houden ons aan het woord van Christus in Mattheus 19:11 en aan het woord van Paulus in 1 Corinthiërs 7:5, 7 en aan de karakteristiek van de gemeente van Zion in Openbaring 4:4
De wet van Mozes werd door Jakobus niet beschouwd als een noodzakelijk middel tot rechtvaardiging, dat geheel buiten en naast het geloof aan Christus staat, zoals naderhand door Joodse leraars in de gemeente van Paulus aan de christenen uit de heidenen verkondigd werd, maar Jakobus beschouwde de wet als een door God ingestelde leefregel, waaraan ook de Joden die christenen geworden waren, zich moesten houden, in vrije gehoorzaamheid van de kinderen van God (Mattheus 17:25; 23:3; 24:20 Daarom kon hij, hoezeer hij ook bij zijn geloof aan Christus Jood bleef, toch op de apostelvergadering te Jeruzalem in het jaar 50 van harte ermee instemmen dat de zaligheid in Christus Jezus aan de heidenen verkondigd werd, zonder hen eerst onder de wet van Israël te stellen (Handelingen 15:5) en toen Paulus zich onder bijzondere omstandigheden ook op zijn standpunt plaatste (Handelingen 21:18vv.), reikte hij opnieuw aan Paulus de rechterhand en liet hem gaan om gezegend onder de heidenen werkzaam te zijn naar zijn eigen grondbeginselen (Galaten 2:9). Zeer verschillend was de innerlijke ontwikkeling van de beide apostelen, daarom was ook hun verhouding tot de mozaïsche wet een andere; en nu bediende de Heere Zich van de één voor dit en van de ander voor dat werk, dat Hij tot bevordering van Zijn rijk wilde volvoeren. Daar Paulus Farizeeër was, had hij de wet aangezien voor het middel om de gerechtigheid te verkrijgen, maar met die beschouwing was hij geheel beschaamd uitgekomen en had pas vrede gevonden toen hij door het geloof in Christus van de wet vrij geworden was. Daarom voelde bij zich ook in Christus als van de wet van Mozes afgestorven en alleen door de wet van Christus levend (Romeinen 7:6; 1 Corinthiërs 9:21 en kon hij voor hen die zonder de wet waren, voor de heidenen worden "als zijnde zonder wet". Jakobus was daarentegen opgevoed in huisgezinnen, zoals dat van Zacharias en Elisabeth, waar men in het geloof in het genadeverbond dat door God met Zijn volk gesloten was, de wet als een getuigenis van dit verbood beschouwde en zijn vreugde en troost daarin vond (Lukas 1:6 Van het begin af dat hij een discipel van Jezus geworden was, had hij de Heere horen zeggen: "Meent niet dat Ik gekomen ben om de wet en de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar om te vervullen" en had hij uit de bergrede en uit de wandel van de Meester zelf een gerechtigheid leren kennen, beter dan die van de Schriftgeleerden en Farizeeërs. Om naar deze gerechtigheid te streven, moest hij door Hem die ons door God gegeven is tot wijsheid en gerechtigheid, maar ook tot heiliging en verlossing, met krachten van de toekomende wereld toegerust worden. Daarom trachtte hij ook altijd om de wet in elk opzicht gehoorzaam te zijn. Zo kon hij hetgeen voor Paulus een roeping was, die hij uit zelfverloochenende liefde tot zijn volk vervulde wanneer het nodig was, dit namelijk, om voor hen die onder de wet waren te worden "als zijnde onder de wet, " opdat hij ze ook zou mogen winnen (1 Corinthiërs 9:20), tot zijn eigenlijke roeping maken. Hij voldeed daarbij veel meer aan de behoefte van zijn eigen hart, dan dat hij daardoor van zijn standpunt afging en zichzelf moest verloochenen. Door hem probeerde, zoals wij op een andere plaats reeds herinnerd hebben Ac 12:17 Christus voor het laatst in Zijn verheven liefde om de Joden als volk voor Zijn rijk te winnen (Mattheus 23:37). Heeft een andere bijbelverklaarder hem de laatste, liefelijkste verkondiger van het evangelie aan het Joodse volk genoemd, dan mogen wij hem wel vergelijken met de donkerrode gloed, waarin de zon zich hult wanneer zij `s avonds wil ondergaan. Na de terdoodbrenging van deze getuige van het geloof zou toch de maat van de zondeschuld van het Joodse volk vol zijn en de nacht voor zeer lange tijd aanbreken (Mattheus 23:35). Daarom vertoonde de zon van de genade zich nog eens, voordat zij onderging, zo vuurrood in haar laatste genadebode en deed het hoogste wat de liefde kon doen om de verharde harten zo mogelijk nog te winnen. Ook Josephus heeft daarvan iets gevoeld, wanneer hij volgens het bericht van Eusebius daarvan zegt: "al het leed van de verwoesting van Jeruzalem is de Joden overkomen uit wraak over Jakobus de rechtvaardige, die, hoewel hij volgens het overeenstemmend oordeel van allen de rechtvaardigste geweest is, toch door hen gedood is. " Volgens zijn verhouding tot Israël en zijn roeping voor dit volk, daar het nog niet voor altijd gescheiden was van de christelijke zaligheid en zijn verharding pas bezegeld werd met de moord op de laatste geloofsheld, ziet Jakobus de nog levende Joden even goed aan voor geboren leerlingen van het christendom, als hij in de christenen uit de Joden, net als de apostel Paulus (Galaten 6:16), de ware leden van het volk Israël ziet. Wanneer hij zich dus tot de twaalf stammen wendt, maakt hij geen onderscheid tussen hen die tot de oude en die tot de nieuwe godsdienstgemeenschap behoren; hij noemt dan ook hun vergadering in hoofdstuk 2:2 nog geen ecclesia (kerk) maar nog synagoge (school) Re 2:9, maar hij heeft (geheel anders dan Petrus met zijn "aan de vreemdelingen die in de verstrooiing zijn" in 1 Petrus 1:1) de Joden als zijn theocratisch-nationale broeders op het oog. Zij die hun edelste kern uitmaakten, waren reeds zijn broeders in het geloof in Christus Jezus geworden en volgens hun roeping waren ook alle anderen bestemd om het te worden; en zelfs bij deze laatsten had hij, omdat ze erkenden dat hij "rechtvaardig" was, betekenis genoeg om hun wat te kunnen zeggen. Het spreekt daarbij echter vanzelf, hetgeen ook uit hoofdstuk 2:1, 7, 5:7 duidelijk mogelijk blijkt, dat de eigenlijke ontvangers van de brief degenen zijn die reeds christen geworden zijn, om welke reden de apostel zichzelf niet alleen een dienstknecht van God noemt, maar ook van de Heere Jezus Christus, van de nabijheid van de Heere spreekt en er nog vele andere zinnen invlecht die ons doen veronderstellen dat de lezers op een christelijk standpunt staan. Het zijn juist lezers die hetgeen aan hen geschreven werd, ook aan hun broeders naar het vlees moeten doorgeven, met wie zij nauw verbonden samenleven en onder wie zij moeten proberen om hun geloofsovertuiging altijd verder te verbreiden (vgl. hoofdstuk 5:19). Daar Jakobus bij "de twaalf geslachten" uitdrukkelijk voegt "die in de verstrooiing zijn", moeten wij, zoals ook hierboven verklaard is, aan de christenen in de joodse diaspora of aan de joods-christelijke gemeenschappen in de landen buiten Palestina denken. Wij denken daarbij naar de toenmalige tijdsomstandigheden uitsluitend aan de landen Fenicië, Syrië en Cilicië en ook aan het eiland Cyprus (Handelingen 9:2; 11:19, 25; 12:17, waar men in elk geval Mesopotamië nog bijvoegen kon, wanneer men Handelingen 11:30 in aanmerking neemt. Aan de ene zijde namelijk staat het vast dat Jakobus pas in het jaar 41 n. Chr. zijn brief geschreven heeft, want hij zou zich hierboven niet zonder meer Jakobus kunnen noemen, indien de apostel van dezelfde naam, Jakobus de oudere, niet reeds sedert geruime tijd ter dood gebracht was (Handelingen 12:1), zodat niemand meer aan hem kon denken. Aan de andere zijde echter kon de brief ook niet na het jaar 50, het jaar van de vergadering van de apostelen (Handelingen 15:1vv.) geschreven zijn; zijn samenstelling is eerder geweest in de jaren 47-49, toen Paulus samen met Barnabas misschien nog op zijn eerste zendingsreis (Handelingen 13, 14 was of pas kortgeleden in Antiochië teruggekeerd en bij de stichting van christelijke gemeenten uit de heidenen nog niet in twist met de Judaïsten van de moedergemeente te Jeruzalem gewikkeld was. Er is hier nog maar weinig gesproken over een relatie tot de gemeenten uit de heidenen in hoofdstuk 2:18; 3:1, maar van de strijd over de besnijdenis en de andere ceremoniën van de wet, die omstreeks het jaar 50 n. Chr. begon (Handelingen 15:1vv.), is nog in het geheel geen sprake. Andere zaken vormen het onderwerp van de behandeling; het is, zoals onder b2 in de tweede aanhaling bij het zesde deel aangemerkt werd, het sadduceïsme dat in het Helleense Israël van de verstrooiing veld won, dat Joodse christendom dat tegen de wet was, waartegen de apostel strijdt, terwijl Paulus later met het farizese, wettische christendom te doen heeft. Bij Jakobus, wiens leerwijze veel overeenkomst heeft met die van het evangelie van Mattheus, daar hij in het bijzonder meerdere malen woorden van Christus uit de bergrede aanhaalt, is alles op het doen, op het werkdadige christendom gericht. Het christelijk geloof geeft kracht om de hele wet, zoals Christus die uitlegt, te houden; daarentegen zijn de verzoening door Christus' dood en het hemelse priesterschap van de opgestane Heer, dingen waarover hij nog geheel het stilzwijgen bewaart. De tijd voor het ophouden van het aardse offer en van het priesterschap en om de joods-christelijke gemeenten van dat alles te ontslaan, hetgeen de grondslag is van de brief aan de Hebreeën, was nog niet gekomen; de Joden moesten eerst nog ware Israëlieten worden, werkelijke volbrengers van de wet, voordat het christendom in zijn waarde door hen begrepen kon worden. Zij moesten vrij worden van het zelfbedrog van hen die de wet horen en niet doen, vrij van de zucht om leraars voor anderen te zijn, van het misbruik van de tong en van het ijdel zweren, van het voortrekken van de rijken in de vergadering en van de plannen tot eigen verrijking, in het algemeen van de schaduwzijde van het gewone joodse karakter, dat dan eens zijn steun vond in farizese eigengerechtige hoogmoed, dan eens in de verwaande vrijheidszin van de sadduceeën. Onze brief is, zoals Ernst die kenschetst, het krachtige getuigenis van een hart dat de zaligmakende kracht van Gods wil bij zichzelf ervaren heeft, tegenover de heerlijkheid van de wereld die uiterlijk gelukkig maakt, maar innerlijk de mens verderft met haar schijnbare rijkdom, haar bedrieglijke wijsheid, haar grondeloze en verwerpelijke zelfverheffing. De groet "zaligheid", eigenlijk "vreugde, " klinkt bijna werelds, vooral vergeleken met de groeten van de andere brieven in het Nieuwe Testament, die gewoonlijk beginnen met "genade en vrede, " maar de groet is niet werelds. Weliswaar eist de wereld alle vreugde voor zich op, alsof zij alleen vreugde kon geven en vreugde genieten, maar in waarheid kan toch de reine, duurzame vreugde slechts door kinderen van God genoten en daarom slechts aan hen als begroeting aangeboden worden.
B. Het hoofddeel van de brief, dat hier begint, bevat geen dogmatische verklaringen en is evenmin als de eerste brief van Petrus, die met onze brief verbonden is, een leerrede. Veelmeer is het nu eens een vertroosting en versterking, die de apostel de christenen aan wie hij schrijft, in geestelijke gaven doet toekomen, dan eens een terechtwijzing en waarschuwing, die soms in een bedreiging overgaat. Daarbij volgt hij geen bepaalde orde, maar hij schrijft zoals "het hem voorkomt, " om een reeds vaker gebruikte uitdrukking van Luther ook hier te gebruiken.
I. Vers 2-27. Toespraak aan de lezers betreffende de aanvechtingen door lijden, dat van buiten en door verzoekingen, die van binnen over hen komen. "Zaligheid, " dit woord heeft de apostel de lezers als groet toegeroepen; hij weet toch wel dat zij zich in een toestand bevinden, waarin zij menige aanvechting door lijden te verduren hebben, maar hij neemt zijn woord niet terug. Juist zulke aanvechtingen zullen zij, omwille van de winst voor de innerlijke mens die daaruit bij een rechtschapen geloof geboren zal worden, als een oorzaak van vreugde erkennen, een standvastig geduld tot aan het einde bewaren, met standvastig vertrouwen hiertoe wijsheid van boven afbidden, in geringheid roemen over hun hoogheid, terwijl de rijken door wie zij verdrukt worden, zich toch slechts kunnen beroemen op de geringheid die hen wacht, wanneer zij blijven wie zij zijn. Ze zullen vol vrolijke moed uitzien naar de kroon die weggelegd is voor hen die de aanvechting doorstaan hebben en zo bewezen hebben goede strijders te zijn (Vers 2-12). Behalve deze heilzame aanvechtingen door lijden dat van buiten komt, zijn er ook nog zeer gevaarlijke aanvechtingen door de verzoeking, die zich van binnen verheft en tot het kwaad aanspoort. Deze komt niet van God, zoals menigeen ten onrechte meent, maar het is onze eigen boze lust die tot het kwade aanspoort en verlokt en het einde van de voortgang van lust tot zonde en vandaar verder tot de volbrenging van de zonde is niet het leven maar veeleer de dood (Vers 13-15). De christenen mogen zich dus niet aan stemmingen en gevoelens overgeven, die lasterlijk en vijandig tegen God zijn, maar zij moeten Hem als de onveranderlijk goede God en standvastig trouwe Vader in het oog houden, van wie niets dan louter goede en volmaakte gaven uit Zijn hemel neerdalen. Zij moeten zich als Zijn kinderen voelen, die Hij voortgebracht heeft naar Zijn wil door het Woord van de waarheid opdat zij eerstelingen zouden zijn van Zijn schepselen (Vers 16-18). Daar de apostel zijn toesprak aan de lezers zo op het Woord van God heeft gebouwd, dat in de christelijke gemeente bekend is, neemt hij de gelegenheid waar in leer en vermaning verder over de juiste verhouding tot dit woord te spreken. Wat hij daar zegt hangt gedeeltelijk samen met de gedachten die hij eerder behandeld heeft en gedeeltelijk met specifieke zonden en gebreken die in de bewuste gemeenten uit het farizese jodendom in het christendom mede overgegaan zijn en die deze met verderf dreigen (Vers 19-27).