Handelingen 21:15-26
In deze verzen hebben wij:
I. Paulus' reize van Cesarea naar Jeruzalem, en het gezelschap, dat met hem ging.
1. Wij maakten ons gereed, of pakten onze dingen, en, evenals arme reizigers, of soldaten, waren zij hun eigene dragers, zo weinige kledingstukken hadden zij bij zich. Omnia mea mecum porto -Al wat ik bezit heb ik bij mij. Sommigen denken, dat zij het geld bij zich hadden, dat in de gemeenten van Macedonië en Achaja bijeen was gebracht voor de arme heiligen te Jeruzalem. Indien zij Paulus hadden kunnen bewegen elders heen te gaan zouden zij met blijdschap mede gegaan zijn, maar indien hij niettegenstaande hun afraden toch naar Jeruzalem wil gaan, dan zeggen zij niet: "Laat hij dan maar alleen gaan", maar, evenals Thomas in een zelfde geval, toen Christus zich in gevaar wilde begeven te Jeruzalem: Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven, Johannes 11:16. Hun besluit om Paulus te blijven aankleven, was gelijk aan dat van Ittaï om bij David te blijven, 2 Samuël 15:21. In de plaats waar mijn heer de koning zal zijn, hetzij ten dode hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker ook zijn. Aldus heeft Paulus' kloekmoedigheid hen kloekmoedig gemaakt.
2. Enigen van de discipelen van Cesarea gingen met hen. Of het nu hun bedoeling was van deze gelegenheid gebruik te maken, om in zo goed gezelschap te zijn, of om Paulus van dienst te wezen, en, zo mogelijk, de dreigende ramp van hem af te wenden, of hem ten minste te kunnen dienen, blijkt niet. Hoe minder tijd Paulus nog in vrijheid zal blijven, hoe meer zij zich benaarstigen om iedere gelegenheid te benuttigen om met hem te zijn. Elisa bleef dicht bij Elia, toen hij wist, dat de tijd nabij was, dat hij zou worden opgenomen.
3. Zij brachten ook een achtenswaardigen ouden man mede, die een huis bezat in Jeruzalem, waarin hij Paulus en zijne metgezellen gaarne wilde herbergen. Zijn naam was Mnason, en hij was van Cyprus, vers 16, bij dewelke wij zouden tehuis liggen. Er was bij gelegenheid van het feest zulk een grote toeloop van mensen, dat het moeilijk was logies te vinden, de herbergen zouden door de meer gegoeden in beslag worden genomen, en voor hen, die een eigen huis bezaten werd het als ene oneer beschouwd om in zulke tijden kamers te verhuren, zij behoorden ze vrijelijk aan vreemdelingen af te staan. Iedereen zal dus zijne eigene vrienden tot gasten verkiezen, en Mnason nodigde Paulus en zijne metgezellen om zijne gasten te zijn. Hoewel hij gehoord had, dat Paulus zeer waarschijnlijk in moeilijkheden zal komen, waardoor zij, die hem ontvingen en onthaalden ook wel mede betrokken zouden kunnen worden, zal hij hem toch welkom wezen, wat hiervan ook het gevolg moge zijn. Deze Mnason wordt een oude discipel genoemd, een discipel van het begin af. Sommigen denken, dat hij een van de zeventig discipelen van Christus was, of een der eerste bekeerlingen na de uitstorting des Geestes, of een der eersten, die bekeerd was onder de prediking des Evangelies in Cyprus, Hoofdstuk 13:4. Hoe dit zij, hij schijnt reeds lang een Christen geweest te zijn, en was nu op jaren. Het is eervol een oude discipel van Jezus Christus te wezen, door de genade Gods in staat te zijn gesteld, om gedurende langen tijd te volharden in den weg des plichts, standvastig te zijn geweest in het geloof, en tot in hogen ouderdom voortdurend toe te nemen in wijsheid en ervaring. Bij zulke oude discipelen zou men zeer gaarne geherbergd willen worden, want de veelheid der jaren zal wijsheid te kennen geven.
II. Paulus' welkom te Jeruzalem. 1. Velen van de broederen ontvingen hem blijdelijk, vers 17. Zodra zij hoorden, dat hij in de stad was gekomen, gingen zij naar zijn tijdelijk verblijf in het huis van Mnason, wensten hem geluk met zijne behoudene aankomst, zeiden hem, dat zij blijde waren hem te zien, en nodigden hem in hun huis te komen, het ene ere achtende om met zo uitnemend een dienstknecht van Christus bekend te zijn. Streso merkt op, dat het woord, hier gebruikt voor het welkom, dat zij aan de apostelen gaven, asmenoos apodechein, gebruikt wordt betreffende het welkom aan de leer der apostelen, Hoofdstuk 2:41. Zij namen zijn woord gaarne aan. Wij geloven, dat, zo Paulus onder ons kwam, wij hem gaarne zouden ontvangen, maar het is de vraag of wij dit al of niet zouden doen, indien wij, zijne leer hebbende, haar niet gaarne aannemen.
2. Zij brachten een bezoek aan Jacobus en de ouderlingen der gemeente, vers 18. Den volgenden dag ging Paulus in bij Jacobus, en nam ons, die zijne metgezellen waren, mede, om ons met de gemeente te Jeruzalem bekend te maken. Jacobus schijnt toen de enige apostel te zijn geweest, die te Jeruzalem woonde, de overigen hadden zich verspreid om aan andere plaatsen het Evangelie te prediken. Maar zij hadden overlegd, om een apostel te Jeruzalem te hebben, soms wellicht de een, en soms een ander, omdat er altijd een grote toevloed van mensen was, die er zich van overal heen begaven. Jacobus was nu ter plaatse, en alle de ouderlingen, of presbyters, die de gewone leraren waren der gemeente, zowel om voor haar te prediken, als om haar te besturen, waren bij hem tegenwoordig. Paulus groette hen allen, betoonde hun zijne achting, vroeg naar hun welvaren, en gaf hun de rechterhand der gemeenschap. Hij groette hen, dat is: hij wenste hun allen heil, en bad God hen te zegenen. De juiste betekenis der groetenis is: u heil wensende, salve, of salus tibi sit, evenals: Vrede zij u. En zulke wederzijdse begroetingen, of goede wensen, zijn zeer voegzaam voor Christenen, ten teken van hun liefde voor elkaar, en hun gezamenlijke betrekking tot God.
III. Het verslag, dat zij van hem ontvingen van zijne bediening onder de Heidenen, en hun tevredenheid hierover.
1. Hij verhaalde hun van den voorspoed van het Evangelie in de landen, waar hij werkzaam is geweest, wetende, dat het hun zeer aangenaam zou zijn om van de uitbreiding van Christus' koninkrijk te horen. Als hij ze gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk wat God onder de Heidenen door zijn dienst gedaan had, vers 19. Merk op met hoeveel bescheidenheid hij spreekt, niet: wat hij gedaan had, (hij was slechts het middel, het werktuig) maar wat God door zijn dienst gedaan had. Het was: Niet ik, maar de genade Gods, die met mij geweest is. Hij plantte en bewaterde, maar God gaf den wasdom. Hij verhaalde het in bijzonderheden, opdat de genade Gods in de bijzondere omstandigheden van zijn succes des te schitterender zou uitblinken. Aldus zal David aan anderen vertellen wat God voor zijne ziel gedaan heeft, Psalm 66:16, en Paulus hier wat God door zijn dienst heeft gedaan, en beiden doen het, opdat hun vrienden met hun lof en dank aan God zouden instemmen.
2. Hierin vinden zij aanleiding om God te loven, vers 20. Zij, dat gehoord hebbende, loofden den Heere. Paulus heeft het alles aan God toegeschreven, en zij gaven Gode den lof er voor. Zij barstten niet los in uitbundige lofredenen op Paulus, maar laten het over aan zijn Meester om tot hem te zeggen, Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, en verheerlijkten de genade Gods, die zich ook tot de Heidenen heeft uitgestrekt. De bekering van zondaren moet ons ene oorzaak zijn van blijdschap en dankzegging, zo als zij dit is voor de engelen. God had Paulus meer geëerd dan iemand hunner, door zijn dienst veelomvattender te maken, maar zij benijdden hem niet, noch zijn zij afgunstig op hem vanwege zijne toenemende vermaardheid, integendeel, zij loofden den Heere. En zij hadden niet meer kunnen doen om Paulus aan te moedigen om goedsmoeds voort te gaan met zijn werk, dan door God te verheerlijken om zijn voorspoed er op, want als God geprezen wordt, is Paulus gelukkig.
IV. Het verzoek van Jacobus en de ouderlingen der gemeente te Jeruzalem aan Paulus, of liever, hun raad aan hem, om voldoening te geven aan de gelovige Joden door enige inachtneming van de ceremoniële wet, en openlijk in den tempel te komen om te offeren hetgeen op zichzelf niet zondig was, want hoewel de ceremoniële wet volstrekt niet verplichtend gesteld mocht worden voor de bekeerlingen uit de Heidenen (zoals de valse leraren het wensten en daardoor het Evangelie verkeerden) was zij toch nog niet ongeoorloofd geworden voor hen, die van kindsbeen af geleerd hadden haar waar te nemen, maar er verre af waren van te verwachten door haar gerechtvaardigd te worden. Zij was dood, maar niet begraven, dood, maar niet dodelijk. En niet zondig zijnde, dachten zij, dat het een blijk van wijsheid was in Paulus om er zich in zo ver naar te schikken, Let op den raad, dien zij Paulus hierin gaven, niet als gezag hebbende over hem, maar in genegenheid voor hem.
1. Zij wensten, dat hij kennis zou nemen van het groot aantal der Joodse bekeerlingen, Gij ziet, broeder, hoeveel duizenden van Joden er zijn, die geloven. Zij noemen hem broeder, want zij beschouwen hem als een mede-arbeider in het Evangelie, hoewel zij van de besnijdenis waren, en Hij de apostel was der Heidenen, zij conformisten waren, en hij een non-conformist was , waren zij toch broeders, en zij erkenden de verwantschap. Gij zijt in sommige van onze bijeenkomsten geweest, en ziet hoe talrijk zij zijn, hoeveel myriaden van Joden geloven. Het woord betekent niet duizenden, maar tienduizenden. Zelfs onder de Joden, die het meest bevooroordeeld waren geweest tegen het Evangelie, waren er toch zeer velen, die het aannamen, want de genade Gods kan de machtigste sterkten van Satan neerwerpen. Het getal der namen in den beginne was slechts honderd en twintig, en nu zijn zij vele duizenden. Zo verachte dan niemand den dag der kleine dingen, want, al is het begin gering, kan God toch het laatste zeer vermeerderen. Hieruit bleek, dat God Zijn volk der Joden niet gans had verstoten, want er was een overblijfsel onder hen, uitverkorenen, die het verkregen hebben, Romeinen 11:5, 7, vele duizenden, die geloofden. En dit bericht, dat zij aan Paulus konden geven van den voorspoed des Evangelies onder de Joden, was ongetwijfeld even aangenaam aan Paulus, als het bericht, dat hij hun gaf van de bekering der Heidenen het hun geweest is, want de toegenegenheid zijns harten, en het gebed, dat hij tot God voor Israël deed, was tot hun zaligheid.
2. Zij geven hem kennis van de heersende zwakheid, waaraan deze gelovige Joden leden, en waarvan zij niet genezen konden worden: zij zijn allen ijveraars voor de wet. Zij geloven in Christus als den waren Messias, zij betrouwen op Zijne gerechtigheid, en onderwerpen zich aan Zijne heerschappij. Maar zij weten, dat de wet van Mozes van God was, zij hebben geestelijke zegeningen genoten onder het waarnemen er van, en daarom kunnen zij er niet aan denken om er zich los van te maken, ja zelfs niet om er koud of onverschillig voor te worden. Wellicht hebben zij zich ook beroepen op het feit, dat Christus geworden is onder de wet, en haar heeft waargenomen, (hetgeen bedoeld was om ons van de wet vrij te maken) en het als reden opgegeven waarom zij er onder bleven. Het was ene grote zwakheid en ene dwaling om zo gehecht te blijven aan de schaduwen, nu het wezen was gekomen, hun hals te blijven buigen onder het juk der dienstbaarheid, als Christus toch gekomen is om hen vrij te maken. Maar zie hier: a. De kracht der opvoeding en van het langdurig gebruik, inzonderheid van ene ceremoniële wet.
b. De liefdevolle toegevendheid, die uit aanmerking hiervan betoond moet worden. Deze gelovige Joden werden daarom niet verloochend en verworpen, alsof zij gene Christenen waren, omdat zij voor de wet waren, ja zelfs er voor ijverden, zo lang zij wèl zich zelven daaraan hielden, maar het anderen niet oplegden. Hun ijveren voor de wet kon in een goeden zin worden opgenomen, die de liefde er dan ook aan geven zou, en het kon ook zeer goed verontschuldigd worden, in aanmerking genomen hoe zij waren opgevoed en onder wie zij woonden.
3. Zij gaven hem te verstaan, dat deze Joden, die zo ijverden voor de wet, hem kwalijk genegen waren, vers 21. Paulus zelf, hoewel hij een zo getrouw dienstknecht was, als Christus er ooit gehad heeft, kon toch niet bij allen, die tot Christus' gezin behoren, gunst vinden.
"Zij zijn aangaande u bericht, (en hebben overeenkomstig dit bericht hun mening omtrent u opgevat), dat gij niet alleen den Heidenen niet leert de wet te onderhouden, zoals sommigen begeerd hebben dat gij doen zoudt, maar dat gij alle de Joden, die onder de Heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende, dat zij de kinderen niet zouden besnijden noch naar de wijzen der wet wandelen, die door God zijn verordineerd, in zo ver zij zelfs onder de Heidenen gevolgd kunnen worden, en op een groten afstand van den tempel, noch dat zij de vastendagen en feestdagen der kerk zouden onderhouden, hun gedenkcedels zouden dragen, of zich van onreine spijzen zouden onthouden." Nu was het waar, dat Paulus de opheffing der wet van Mozes gepredikt heeft, en dat het niet mogelijk was om door haar gerechtvaardigd te werden, en dat wij dus niet langer verplicht zijn haar te onderhouden. Maar het was niet waar, dat hij hun leerde van Mozes afvallen, want de Godsdienst, dien hij predikte, strekte niet om de wet te verbreken, maar om haar te vervullen. Hij predikte Christus, het Einde der wet tot rechtvaardigheid, en bekering en geloof, in de beoefening waarvan wij veel gebruik moeten maken van de wet. De Joden, die onder de Heidenen verstrooid waren, en die Paulus leerde, waren zo verre van Mozes af te vallen, dat zij hem nooit beter begrepen hebben, noch hem zelfs zo van harte hebben aangenomen, als nu hun geleerd was hem te gebruiken als een tuchtmeester tot Christus. Maar zelfs de gelovige Joden, dit denkbeeld van Paulus opgevat hebbende, dat hij een vijand was van Mozes, en misschien ook wel wat te veel geluisterd hebbende naar de ongelovige Joden, waren zeer verbitterd tegen hem. Hun leraren, de ouderlingen hier tegenwoordig, beminden en achtten hem, en keurden goed wat hij gedaan had, en noemden hem broeder, maar het volk, de gemeenteleden, waren nauwelijks te bewegen ene gunstige gedachte omtrent hem te koesteren, want dit is zeker: die het minst tot oordelen in staat zijn, zijn het meest tot afkeuren en berispen geneigd, de zwakhoofden zijn de heethoofden. Zij wisten Paulus' leer niet naar behoren te onderscheiden, en zo hebben zij haar door onwetendheid in het algemeen veroordeeld.
4. Daarom wensten zij, dat Paulus, nu hij te Jeruzalem gekomen was, door ene openlijke daad zou doen blijken, dat de beschuldiging tegen hem vals was, dat hij den mensen niet leerde van Mozes af te vallen en de gewoonten der Joodse kerk af te breken, daar hij zelf ze nog gebruikte. Zij besluiten met te zeggen, dat er zo iets gedaan behoorde te worden. "Wat is er dan te doen? Het is zeer nodig, dat de menigte samenkome, want zij zullen horen, dat gij gekomen zijt." Het is een last, die mannen van aanzien of vermaardheid te dragen hebben, dat er van hun komen en gaan veel meer nota wordt genomen dan van het komen en gaan van andere mensen, en er wordt over hen gesproken, door sommigen met welwillendheid door anderen met kwaadwilligheid. "Als zij horen, dat gij gekomen zijt, moeten zij volstrekt samenkomen. Zij verwachten dat wij hen zullen samenroepen om met hen te beraadslagen, of wij u al of niet zullen toelaten om als een broeder onder ons te prediken, of zij zullen uit eigen beweging samenkomen om u te horen." Nu moet er iets gedaan worden om hen er van te overtuigen, dat Paulus den mensen niet leert van Mozes af te vallen, en zo achten zij het dan nodig:
a. Om Paulus' wil, om zijn goeden naam te zuiveren, opdat een zo Godvruchtig man geen smet worde aangewreven, en een zo bekwaam, nuttig man niet lijde onder ene verdenking, waardoor hij in zijn arbeid tot zegen van anderen belemmerd zou worden.
b. Om den wille des volks, der gemeente, opdat zij niet langer tegen zo vroom en Godvrezend een man bevooroordeeld zullen blijven, en het voorrecht zijner bediening vanwege dit vooroordeel zouden missen.
c. Om hunnentwil, opdat daar zij wisten, dat het hun plicht was Paulus als broeder te erkennen, hun volbrengen van dien plícht niet tot een smaad voor hen worde onder hen, die onder hun zorge en leiding waren. Zij doen hem ene geschikte gelegenheid aan de hand, die hij zou kunnen gebruiken om zich te zuiveren "Doe dan hetgeen wij u zeggen, volg onzen raad hierin. Wij hebben vier mannen, gelovige Joden, die tot onze gemeente behoren, die ene gelofte gedaan hebben, ene gelofte van tijdelijk Nazireërschap, hun tijd is nu om, vers 23, en volgens de wet moeten zij een offer brengen, als zij het hoofd huns Nazireërschaps bescheren, een lam ten brandoffer, een ooilam ten zondoffer, en een ram ten dankoffer, met nog andere offeranden daartoe behorende, Numeri 6:13-20. Velen plachten dit gezamenlijk te doen, als de tijd hunner gelofte ongeveer gelijk viel, hetzij ter grotere bespoediging of ter meerdere plechtigheid. Daar nu Paulus onlangs zich zo naar de wet geschikt had, dat hij de gelofte eens Nazareeërs gedaan had, en om aan te duiden dat de duur er van voorbij was, zijn hoofd had beschoren te Kenchrea, Hoofdstuk 18:18, overeenkomstig de gewoonte van hen, die op een afstand van den tempel woonden, wensen zij, dat hij nog een weinig verder zal gaan, en zich bij deze vier zal aansluiten om de offerande eens Nazareeërs te brengen. "Heilig u met hen overeenkomstig de wet, en wees niet slechts bereid u die moeite te geven, maar ook nevens hen de onkosten te doen door voor deze plechtige gelegenheid offeranden te kopen, en u in het offeren bij hen te voegen." Dit zal, geloven zij, den laster voor goed tot zwijgen te brengen, zodat iedereen er van overtuigd zal worden, dat het gerucht vals is, en Paulus niet de man is, dien men hun had voorgesteld, den Joden niet geleerd heeft van Mozes afvallen, maar dat hij zelf een geboren Jood zijnde, alzo wandelt en de wet onderhoudt, en dan zal alles wèl zijn.
5. Zij betuigen, dat dit gene schending of verbreking zal zijn van hun raadsbesluit, dat zij onlangs hadden uitgevaardigd ten gunste van de bekeerlingen uit de Heidenen, en dat het volstrekt hun bedoeling niet is om ook maar in het minst afbreuk te doen aan de vrijheid, die hun toegestaan is, vers 25. "Doch van de Heidenen, die geloven, hebben wij geschreven en goedgevonden, en wij zijn besloten ons daaraan te houden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden. Wij wensen volstrekt niet, dat zij aan de ceremoniële wet gebonden zijn, maar alleen, dat zij zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij. Maar zij moeten niet gebonden zijn aan de Joodse offeranden of reinigingswetten, of aan het waarnemen van plechtigheden." Zij wisten hoe ijverig Paulus zich bemoeide om den bekeerden Heidenen hun vrijheid te laten behouden, en daarom verbinden zij zich uitdrukkelijk om daarbij te blijven. Zover nu hun voorstel. V. En nu hebben wij hier Paulus' bewilliging er in. Hij was bereid om hun hierin ter wille te zijn. Hij heeft zich niet laten ontraden om naar Jeruzalem te gaan, maar nu hij er is, heeft hij zich wèl laten raden om te doen zoals zij er deden, vers 26. Toen nam Paulus de mannen met zich, zoals zij hem geraden hadden, en reeds den volgenden dag met hen geheiligd zijnde, en niet met volk, noch met beroerte, zoals hij zelf zegt, Hoofdstuk 24:18, ging hij in den tempel, zoals andere vrome Joden, die er voor zulke aangelegenheden kwamen, en verkondigde, dat de dagen der heiliging vervuld waren, dat is, gaf dit den priesters te kennen, begerende, dat de priester een tijd zou bepalen, wanneer voor een iegelijk hunner de offerande opgeofferd zou worden, voor ieder hunner ene offerande. In zijne verklaring van Numeri 6:18 haalt Ainsworth ene plaats aan uit Maimonides, die hier enig licht over verspreidt. Indien iemand zegt: Op mij zij de helft der offeranden van een Nazareeër, of: Op mij zij de helft van het bescheren eens Nazareeërs, dan brengt hij de helft van de offeranden door welken Nazareeër hij wil, en die Nazareeër betaalt zijne offeranden uit hetgeen het zijne is. Zo heeft Paulus hier gedaan: hij droeg wat hij beloofde bij tot de offeranden van deze Nazareeërs, en, naar sommigen denken, verplichtte hij zich de wet op het Nazireërschap na te komen, en gedurende zeven dagen in den tempel te blijven met vasten en gebeden, niet bedoelende, dat de offerande eerder gebracht zou worden, en dat het dit was, dat hij den priesters verkondigde of mededeelde. Nu is de vraag opgeworpen, of Jacobus en de ouderlingen er wèl aan gedaan hebben aan Paulus dezen raad te geven, en of hij er wèl aan gedaan heeft hem op te volgen.
1. Sommigen hebben deze inschikkelijkheid van Paulus, dit zich voegen naar hun begrippen-zij het dan ook slechts tijdelijk-gelaakt, daar dit de Joden te veel stijfde in hun aanhankelijkheid aan de ceremoniële wet, en ene ontmoediging was voor hen, die stonden in de vrijheid, waarmee Christus hen vrijgemaakt heeft. Was het niet genoeg, dat Jacobus en de ouderlingen van Jeruzalem deze dwaling in de Joodse bekeerlingen zelven toelieten, en moeten zij nu Paulus nog overhalen om hen hierin te ondersteunen? Zou het niet beter geweest zijn, dat toen zij Paulus hadden gezegd, hoe ijverig deze gelovige Joden waren voor de wet, hem, dien God met zo voortreffelijke gaven heeft toegerust, hadden verzocht, zich de moeite te geven om hun gemeente te overtuigen van hun dwaling, en hun aan te tonen, dat zij door hun verbintenis met Christus vrijgemaakt waren van de wet? Romeinen 7:4. Hem te dringen om hen door zijn eigen voorbeeld hierin aan te moedigen, daarin scheen meer vleselijke wijsheid dan genade Gods te wezen. Paulus wist voor- zeker zelf veel beter wat hij doen moest dan zij het hem konden leren. Maar:
2. Anderen denken, dat de raad wijs en goed was, en, zoals de zaken nu stonden, was het in Paulus volkomen te rechtvaardigen, dat hij dien raad heeft opgevolgd. Het was Paulus' beginsel, dat hij onbewimpeld heeft uitgesproken: Ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou, 1 Corinthiërs 9:20. Hij had Timotheus besneden om der Joden wil. Hoewel hij de ceremoniële wet niet altijd, niet voortdurend, wilde nakomen, is hij toch, ten einde ene gelegenheid te hebben om goed te doen, en om te tonen in hoever hij er zich naar voegen kon, nu en dan naar den tempel gegaan, om er den offerdienst bij te wonen. Met hen, die zwak zijn in het geloof, moet geduld worden geoefend, terwijl diegenen, die het geloof ondermijnen tegengestaan moeten worden. Het is waar: deze inschikkelijkheid van Paulus is hem duur te staan gekomen, want juist hetgeen waardoor hij de Joden hoopte te bevredigen, heeft hen slechts geprikkeld en vertoornd, en hem in moeilijkheid gebracht, maar dat is toch gene voldoende reden om het te veroordelen. Paulus kan wèl doen, maar er voor moeten lijden, en wellicht heeft de alwijze God zowel hen bestuurd om dien raad te geven, als hem om hem op te volgen, ten einde er iets beters door tot stand te brengen dan bedoeld was, want wij hebben reden te geloven, dat de gelovige Joden, die door hun ijver voor de wet gepoogd hadden zich in de goede mening aan te bevelen van hen, die niet geloofden, toen zagen, hoe barbaars zij Paulus behandelden, (die getracht had hun aangenaam te zijn) hierdoor meer van de ceremoniële wet vervreemd werden, dan door de krachtigste redevoeringen. Zij zagen, dat het ijdel was te denken, mensen te kunnen behagen, en te bevredigen, die door niets anders bevredigd konden worden dan door het Christendom uit te roeien. Waarheid en oprechtheid zullen blijken beter te behoeden dan kruipende inschikkelijkheid. En als wij bedenken welk ene grote smart het voor Jacobus en de presbyters geweest moet zijn bij de gedachte, dat zij door hun raad Paulus in die moeilijkheid hebben gebracht, dan moet dit ons ene waarschuwing zijn, om nooit de mensen te dringen ons genoegen te doen door iets, dat tegen hun zin is.