Mattheus 10:1-3
Hier wordt ons gezegd wie het waren, die Christus als Zijne apostelen, of gezanten, heeft aangesteld. Zij waren Zijne discipelen, vers 1. Enigen tijd te voren had hij hen geroepen om Zijne discipelen te zijn, Zijne onmiddellijke volgelingen en voortdurende metgezellen, en toen had Hij hun gezegd, dat zij tot vissers der mensen gemaakt zouden worden, welke belofte Hij nu vervulde. Gewoonlijk wordt eer en genade door Christus trapsgewijze geschonken, het licht daarvan, zal, evenals het licht van den morgen, voortgaan en lichten tot den vollen dag toe. Dit alles geschiedde, terwijl Christus deze twaalf hield:
1. Als in een proeftijd. Hoewel Hij weet wat in den mens is, hoewel Hij van den beginne wist wat in hen was, Johannes 6:70, heeft Hij toch die wijze van doen gevolgd, ten einde een voorbeeld te geven aan Zijne kerk. Daar de bediening des woords ene zaak is van groot vertrouwen, is het nodig en betamelijk, dat de mensen eerst een proeftijd doormaken, eer hun dit ambt wordt toevertrouwd. Dat zij "eerst beproefd worden", 1 Timotheus 3:10. Daarom moet aan niemand haastelijk de handen opgelegd worden, hij worde eerst als kandidaat of proponent nauwkeurig onderzocht en nagegaan, 1 Timotheus 5:22.
2. In een staat van voorbereiding. Hij heeft hen geschikt gemaakt voor hun groot werk. Zij, die door Christus tot enigerlei werk worden geroepen, worden eerst door Hem, in zekere mate, er toe bekwaam gemaakt, Hij bereidde hen er toe, door hen te roepen om met en bij Hem te zijn. De beste toebereiding voor het werk van den Evangeliedienst is Jezus te kennen en gemeenschap met Hem te oefenen. Zij, die Christus willen dienen, moeten eerst met Hem zijn, Johannes 12:16. Christus is niet slechts geopenbaard aan Paulus, maar in Paulus, eer deze Hem ging prediken onder de Heidenen, Galaten 1:16. Door de werkzaamheid van een levend geloof en de veelvuldige oefening van gebed en overpeinzing, moet die gemeenschap met Christus worden verkregen en onderhouden, welke vereist wordt om bekwaam en bevoegd te zijn tot het werk der Evangeliebediening. Hij heeft hen ook toebereid door hen te onderwijzen, zij waren bij Hem als leerlingen ter schole, en Hij gaf hun bijzonder onderwijs, behalve nog het onderwijs, dat zij ontvingen uit Zijne openbare prediking. Hij opende hun de Schriften, en Hij opende hun verstand om de Schriften te verstaan. Aan hen was het gegeven de verborgenheid te verstaan van het koninkrijk Gods, en aan hen was die verborgenheid helder en duidelijk gemaakt. Zij, die voornemens zijn leraren te worden, moeten eerst leerlingen zijn, zij moeten ontvangen om te kunnen geven. Zij moeten bekwaam zijn om anderen te leren. 2 Timotheus 2:2. Eerst moeten hun de Evangeliewaarheden zijn overgegeven, eer zij de opdracht ontvangen, om Evangeliedienaren te zijn. Aan mensen het gezag te verlenen om anderen te onderwijzen, die er de bekwaamheid niet toe hebben, is ene bespotting van God en van de kerk, het is "boodschappen te zenden door de hand van een zot", Prediker 26:6. Christus heeft Zijne discipelen onderwezen, eer Hij hen uitzond, Hoofdstuk 5:2, daarna, toen Hij hun opdracht heeft uitgebreid, heeft Hij hun ook ruimere instructies, of aanwijzingen gegeven, Handelingen 1:3.
II. Waarin de opdracht bestond, die Hij hun gaf. "Hij riep hen tot zich" vers 1. Te voren had Hij hen geroepen, om achter Hem te komen en Hem te volgen, nu riep Hij hen tot zich, liet Hij hen toe tot inniger vertrouwelijkheid, en wilde Hij niet, dat zij zich, als tot nu toe, op een afstand van Hem zouden houden. Zij, die zich vernederen, zullen aldus verhoogd worden. Onder de wet werd van de priesters gezegd, dat zij dichter tot God naderden dan het volk, hetzelfde kan gezegd worden van de Evangeliedienaren, zij worden geroepen om tot Christus te naderen, hetgeen ene grote eer is, maar tevens iets zeer ontzagwekkends, daar zij zich moeten herinneren, dat Christus in hen, die tot Hem naderen, geheiligd wil worden. Het is opmerkelijk, dat, toen de discipelen onderwezen moesten worden, zij eigener beweging tot Christus zijn gekomen, Hoofdstuk 5:1, maar dat Hij, nu zij geordend, dat is, tot hun ambt ingewijd moesten worden, hen tot zich riep. Het betaamt den discipelen van Christus om meer genegen te zijn zelf onderwezen te worden, dan anderen te onderwijzen. In het besef onzer eigene onwetendheid, moeten wij alle gelegenheden waarnemen om te leren, en in datzelfde besef moeten wij wachten op ene roeping, ene duidelijke roeping, eer wij het op ons nemen anderen te onderwijzen, want niemand behoort zich die ere aan te matigen. Hij gaf hun macht, exousian, gezag, om in Zijn naam de mensen tot gehoorzaamheid te brengen, en ter bevestiging van dat gezag, ook de duivelen tot onderwerping te brengen. Alle rechtmatig gezag is ontleend aan den Heere Jezus Christus. Hem is, zonder beperking, alle macht gegeven, en de ondergeschikte, de mindere machten, zijn door Hem verordineerd. Een deel van Zijne eer is op Zijne dienstknechten gelegd, zoals Mozes een deel van Zijne eer op Jozua heeft doen overgaan. Het is een onloochenbaar bewijs van de volheid der macht, door Christus gebruikt als Middelaar, dat Hij een deel Zijner macht kon mededelen aan hen, die Hij in Zijn dienst gebruikte, en hen in staat stelde, om, in Zijn naam, dezelfde wonderen te werken, die Hij gewerkt heeft. Hij gaf hun "macht over de onreine geesten", en "om alle ziekte en alle kwalen te genezen." Het doel van het Evangelie is den duivel te overwinnen en de wereld te genezen. Deze predikers werden uitgezonden, ontbloot van alle uiterlijke voordelen om hen ingang te doen vinden, zij hadden geen rijkdom, gene geleerdheid, gene titels of eerbewijzingen, en hun uitwendig voorkomen was niet geschikt om der wereld eerbied af te dwingen. Daarom was het nodig, dat Zij toegerust werden met ene buitengewone macht, die hen boven de schriftgeleerden verhief. Hij gaf hun "macht over de onreine geesten om dezelve uit te werpen". De macht, die aan de dienstknechten van Christus gegeven is, is gericht tegen den duivel en zijn rijk. Als "onreine geest" werkt de duivel zowel in dwaalleringen, Openbaring 16:13, als in een goddeloos en ontuchtig leven, 2 Petrus 2:10. En ten opzichte van die beide zaken is den Evangeliedienaars een last tegen hem opgedragen. Christus gaf hun macht hem uit te werpen uit de lichamen der mensen, maar dit was om het verderf, den ondergang aan te duiden van zijn geestelijk koninkrijk, en alle de werken van den duivel, tot welk doeleinde de Zoon des mensen geopenbaard is geworden. Hij gaf hun macht "om alle ziekte en alle kwalen te genezen". Hij machtigde hen om wonderen te doen ter bevestiging van hun leer, om te bewijzen, dat zij uit God was: en zij moesten nuttige wonderen werken om dit helder en duidelijk te maken, te bewijzen, dat het niet alleen "een getrouw woord was", maar ook "alle aanneming waardig", dat het doel van het Evangelie is te genezen en te behouden. Velen van de wonderen door Mozes gewrocht, waren ter verwoesting, de wonderen, die Mohammed beweerde te doen, hadden praal en pracht ten doel, maar de wonderen die Christus heeft gedaan, en die Hij Zijne apostelen machtigde te doen, dienden allen tot stichting, en bewezen Hem te zijn, niet slechts de grote Leraar en Leider, maar ook de grote Verlosser der wereld. Let op den nadruk, die hier gelegd is op de uitgebreidheid der macht, die hun gegeven is over "alle ziekte en alle kwalen" zonder uitzondering zelfs van die, welke ongeneeslijk worden geacht. In de genade van het Evangelie is een balsem voor elke wond, een geneesmiddel tegen elke ziekte. Gene geestelijke ziekte, zo kwaadaardig, of zo ingeworteld, of er is genoegzaamheid van macht in Christus om haar te genezen. Laat dus niemand zeggen, dat er gene hope is, dat de breuke zo groot is als de zee, en niet geheeld kan worden.
III. Het getal en de namen van hen, die deze opdracht ontvingen. Zij werden aangesteld als apostelen, dat is: boden. De woorden "engel" en "apostel" hebben dezelfde betekenis, n.l.: uitgezondene op ene boodschap, of gezant. Alle getrouwe leraren zijn door Christus gezonden, maar die het eerst, en onmiddellijk door Hem gezonden waren, worden zeer bijzonder apostelen genoemd, zij waren de eerste staatsministers in Zijn koninkrijk. Toch was dit slechts als de kindsheid van hun ambt en bediening, maar het was "als Hij opgevaren is in de hoogte", dat Hij "sommigen tot apostelen heeft gegeven," Efeze 4:11. Christus zelf wordt een Apostel genoemd. Hebreeën 3:1, want Hij was gezonden door den Vader, en alzo heeft Hij hen gezonden, Johannes 20:21. De profeten werden boden Gods genoemd. Hun aantal was twaalf, heen wijzende naar het getal der stammen Israël's en de zonen van Jakob, die de aartsvaders dezer stammen zijn geweest. De Evangelie-kerk moet het Israël Gods zijn, de Joden moeten het eerst uitgenodigd worden om zich bij die kerk te voegen, de apostelen moeten de geestelijke vaders zijn, die voor Christus een heilig zaad verwekken. Het Israël naar den vleze moet verworpen worden vanwege zijn ongeloof, daarom zijn deze twaalf bestemd om de vaders te worden van een ander Israël. Door hun leer zullen deze twaalf de twaalf stammen Israël's oordelen, Lukas 23:30. Dezen waren de twaalf sterren, die de kroon der kerk vormden, Openbaring 12:1, de twaalf fondamenten van het nieuwe Jeruzalem, Openbaring 21:12, 14, afgeschaduwd door het type der twaalf edelgesteenten op den borstlap van Aäron, de twaalf broden op de tafel der toonbroden en de twaalf waterfonteinen te Elim. Dit was de vermaarde rechtbank der gezworenen, -en om deze jury tot ene grote jury te maken, is Paulus er aan toegevoegd-die de rechtszaken had te onderzoeken tussen den Koning der koningen en het menselijk geslacht, en in dit hoofdstuk nu wordt hun de opdracht daartoe gegeven door Hem, aan wie "al het oordeel is overgegeven". Hun namen worden hier vermeld, en dit is hun ene ere, toch hadden zij meer reden zich hierin te verblijden, dat hun namen geschreven zijn in de hemelen, Lukas 10:20, terwijl de hoge en machtige namen van de groten der aarde in het stof begraven zijn. Van sommigen dezer twaalf apostelen zegt de Schrift ons niets meer dan hun naam, zoals Bartholomeüs en Simon Kananites, en toch waren zij trouwe dienstknechten van Christus en Zijne kerk. Alle goede en getrouwe dienst- knechten van Christus zijn niet even vermaard, en hun daden niet even bekend. Zij worden paarsgewijze genoemd, want in het eerst werden zij twee aan twee uitgezonden, omdat twee beter zijn dan een. Zij konden elkaar van dienst zijn, en hierdoor ook van meer dienst aan Christus en de zielen. Wat de een vergat, kon de ander in herinnering brengen, en "uit den mond van twee getuigen zal alle woord bestaan". Drie paren van hen waren broeders: Petrus en Andreas, Jakobus en Johannes, de andere Jakobus en Lebbeüs. Onder bloedverwanten behoren vriendschap en gemeenschap aangekweekt en onderhouden te worden, en dienstbaar gemaakt aan den Godsdienst. Het is kostelijk als broeders naar het vlees ook broeders worden door genade en deze tweeërlei banden elkaar versterken. Petrus wordt het eerst genoemd, omdat hij het eerst was geroepen, of omdat hij het voortvarendste was onder hen, en zich bij alle gelegenheden tot hun woordvoerder maakte, en ook omdat hij de apostel der besnijdenis zou zijn. Dit gaf hem echter geen macht of gezag over de anderen, ook is er niet het minste bewijs, dat hem over dezen heiligen kring van broeders oppermacht was gegeven, of dat hij zich die over hen heeft aangematigd. Mattheus, de schrijver van dit Evangelie, is hier saamgevoegd met Thomas, vers 3, maar ten opzichte van twee zaken is hier verschil van hetgeen door Markus en Lukas bericht wordt. Markus 3:18, Lucas 6:15. Dáár wordt Mattheus het eerst genoemd, en naar die volgorde schijnt hij voor Thomas geordend te zijn, maar hier, in de lijst, die hij zelf geeft, wordt Thomas het eerst vermeld. Het betaamt den discipelen van Christus den een den ander uitnemender te achten dan zich zelven. Dáár wordt hij alleen Mattheus genoemd, hier, Mattheus de tollenaar, of ontvanger van in- en uitgaande rechten, die van dit beruchte ambt geroepen werd om een apostel te zijn. Het is goed voor hen, die door Christus bevorderd zijn in ere "den rotssteen te aanschouwen, waar zij uit gehouwen zijn", dikwijls te gedenken aan hetgeen zij geweest zijn, voordat Christus hen riep, opdat dit hen nederig houde, en de genade Gods des te meer worde verheerlijkt. Mattheus de apostel is Mattheus de tollenaar geweest. Simon wordt de Kananiet, of liever de Kanite, genoemd, van Kana in Galilea, waar hij waarschijnlijk was geboren, of Simon Zelotes, dat is: de ijveraar, hetgeen naar sommiger mening de betekenis is van Kananites. Judas Iskariot wordt altijd het laatst genoemd met het brandmerk op zijn naam "Die Hem ook verraden heeft", hetgeen aanduidt, dat Christus van den beginne af geweten heeft, welk een nietswaardige hij was, dat hij een duivel had, en een verrader zou blijken te zijn. Toch heeft Christus hem onder de apostelen opgenomen, opdat het gene verbazing zou teweegbrengen in Zijne kerk en gene ontmoediging, indien te eniger tijd de ergste schanddaden gepleegd worden ook in het beste gezelschap, in den voortreffelijksten kring van mensen. Er zijn zulke schandvlekken geweest in onze liefdemaaltijden, er was onkruid onder de tarwe, er waren wolven onder de schapen, maar er komt een dag van ontdekking en van afscheiding, wanneer de geveinsden ontmaskerd en verwijderd zullen worden. Het heeft noch aan het apostelschap noch aan de apostelen gedeerd, dat Judas een der twaalven geweest is, zolang zijne boosheid niet in het licht is getreden.