7. a) Want ik wilde wel om de tegenwoordige nood (
Vers 26) dat alle mensen met de gave van de onthouding toegerust waren, zoals ik zelf ben en zich het aanroeren van de vrouwen konden ontzeggen, zoals ik reeds in
Vers 1 te kennen gaf; maar een ieder heeft zijn eigen gave van God, de een wel aldus, maar de ander zo. Aan de een is deze bekwaamheid in geestelijk opzicht geschonken (
Hoofdstuk 12:4.
Romeinen 12:6), aan de ander een andere en dan zullen er zeker altijd slechts enkelen zijn, die zonder gevaar voor hun zielenheil ongehuwd kunnen blijven.
a) Handelingen 26:29.
Het is alleen juist als wij het woord "dit" in Vers 6 laten slaan op Vers 2, tot welk vers Vers 3-5 in ondergeschikte verhouding staan. De woorden: "een ieder man hebbe zijn eigen vrouw enz. " konden makkelijk voor een bevel worden gehouden, als men het "omwille van de hoererijen wil" voorbij zag.
Een aanwijzing om zo'n reden, als in de zo-even aangehaalde woorden is gegeven, heeft niet de aard en de bedoeling van een gebod, waarmee op de zaak zelf, die geboden is, wordt gedoeld, maar de aard en de bedoeling van een toelating, die om bepaalde redenen is gegeven. Tegenover hetgeen hij gezegd heeft, stelt hij nu wat hij wenst en graag zou willen, dat het namelijk met alle mensen in dat opzicht zo mocht zijn, als met hem. Tegenover dit willen en wensen plaatst hij als een feit, dat de verwezenlijking van hetgeen hij graag zag, overstaat, het verschil van gaven, ten gevolge waarvan niet ieder de gave van de onthouding, die hem eigen is, bezit, maar waarin plaats hij een andere bijzondere begaafdheid heeft. Men ziet ten eerste, dat hij het terugleidt tot een goddelijke gave als iemand, zoals hij, zonder nadeel en gevaar zich van de vrouw kan onthouden en ten tweede, dat hij zijn eigen ongehuwde staat uit het bezit van deze genadige gave van God verstaan wil hebben en dus met de woorden "zoals ikzelf" niet zozeer op het eerste als wel op het laatste doelt. De gehele afdeling laat duidelijk opmerken, dat de vraag van de gemeente aanleiding had in bepaalde gevallen, waarin sommigen, waarschijnlijk met beroep op uitdrukkingen, of op het voorbeeld van de apostel, de huwelijksgemeenschap als zodanig voor Christenen ongeoorloofd hielden en zich daarom, hoewel zij in de echt bleven, toch aan de gemeenschap onttrokken.
Paulus had het aangename gesmaakt van het goede om geen behoefte te hebben aan een vrouw, dat hij onder de gaven mocht tellen, waarmee God hem van zijn moeders lijf aan door Zijn genade had toegerust (Galaten 1:15). Hoe meer hij leefde in het verlangen naar de nabijheid van de jongste dag, des te liever wilde hij dat alle mensen in dit opzicht waren, zoals hij; dat zij vrij van zorgen voor hetgeen van de wereld is, de Heere tegemoet gingen tot de dag van Zijn toekomst. Maar wel te verstaan: voor een staat van bijzondere heiligheid of voor zeer verdienstelijk hield hij het celibaat evenmin, als hij zich wilde vermeten, van zijn wens een gebod te maken; want ieder, zegt hij in ootmoedige erkentenis, heeft zijn bijzondere gave van God. Slechts zij, aan wie het gegeven is, vatten het woord tot praktische ervaring, dat het niet goed is te huwen (Mattheus 19:11), of dat het voor de mens goed is om geen vrouw aan te raken.
De neiging tot echteloosheid is zedelijk gerechtvaardigd, als zij vrij is van vleselijke gemakzucht en vrees voor het huiskruis, alsmede van geestelijke hoogmoed en eerzucht, die door het onthouden van de echt een bijzondere heiligheid meent te hebben en een hogere trap van zaligheid en heerlijkheid denkt te verdienen; als verder eigenzinnigheid en eigenwilligheid, ijdelheid en valse koelheid, of enige andere zedelijke verkeerdheid zich niet en het onthouden van de echt mengt; als niet de ongeschiktheid tot het huwelijk, die het aangaan daarvan tot een zedelijk te verwerpen daad zou maken, maar het bewustzijn van de door de Heere verleende gave tot onthouding daarvan en van een goddelijke roeping tot een werkzaamheid voor het rijk van God, waarvoor het huwelijksleven een belemmering zou zijn, of het niet tot stand komen van gezochte of gewenste huwelijksverbintenissen door goddelijke besturing en het stille overdenken van Gods wil en welbehagen ten gevolge van dergelijke voorvallen, als in het algemeen een gemis van lust en begeerte daartoe, die men in opzien tot God en in gebed om Zijn licht in deze zaak mogen ontvangen, als een goddelijke wenk leert verstaan, tot de ongehuwde staat leidt. Wanneer al deze voorwaarden geen plaats vinden, dan is het intreden in de echt, wanneer gegronde hoop aanwezig is dat het een gemeenschap in de Heere zal zijn en de fysische en psychische eisen tot een verbintenis voor dat doel niet ontbreken, aangewezen als iets, dat door God gewild is. Dan wordt het plicht aan de voortplanting van het menselijk geslacht en aan de godsdienstig zedelijke en maatschappelijke vorming van de geslachten, die komen, in die betrekking mee deel te nemen. De aanwijzingen van de apostel, die het gevolg zijn van het verwachten van de nabijheid van de verschijning van Christus, wanneer met het nabijzijnd eindigen van de aardse vorm van bestaan, ook deze verplichting op de achtergrond treedt, verkrijgen nieuwe betekenis, als zekere tekenen van de tijd deze catastrofe doen verwachten. vgl. Openbaring 14:4. (KLING),