Handelingen 15:1-5
Zelfs wanneer in een staat of in ene kerk de zaken vredig en voorspoedig en als langs een effen weg schijnen voort te gaan, zou het toch dwaasheid zijn te denken, dat er nooit beroering zal komen, dat de berg vast staat en nooit zal wankelen, er zal de ene of andere moeilijkheid ontstaan, die onrust teweegbrengt, welke niet voorzien werd en niet voorkomen kon worden, maar waarop wij voorbereid moeten wezen. Indien er ooit een hemel op aarde was, dan voorzeker was hij in de gemeente te Antiochië, toen daar zo vele voortreffelijke leraren waren, onder wie ook de uitnemende Paulus zelf zich bevond, die de gemeente opbouwde in haar allerheiligst geloof. Maar nu zien wij hun vrede verstoord, daar er geschillen onder hen ontstonden. Hier is
I. Ene nieuwe leer, die onder hen werd opgeworpen en deze verdeeldheid veroorzaakte, ene leer, die de bekeerlingen uit de Heidenen verplichtte zich aan de besnijdenis en de ceremoniële wet te onderwerpen, vers 1. Velen, die tot den Joodsen Godsdienst waren overgegaan, zijn Christenen geworden, en zij wilden, dat degenen, die tot den Christelijken Godsdienst bekeerd werden, Joden zouden worden.
1. Zij, die hierop aandrongen, waren sommigen, die afgekomen waren van Judea. Sommigen denken, dat zij tot de sekte der Farizeeën hadden behoord, vers 5, of dat het wellicht priesters waren, die den geloven gehoorzaam waren geworden, Hoofdstuk 6:7. Zij kwamen van Judea, misschien wel voorgevende, dat zij door de apostelen te Jeruzalem gezonden waren, of ten minste door dezen ondersteund werden. Daar zij hun denkbeelden wensen te verspreiden, kwamen zij te Antiochië, omdat daar het hoofdkwartier was van hen, die tot de Heidenen predikten, en de plaats van samenkomst voor de bekeerden uit de Heidenen. Indien zij daar nu slechts invloed konden uitoefenen, dan zou deze zuurdesem weldra tot al de gemeenten der Heidenen doordringen. Zij wisten bekend te worden met de broederen, voorgevende, dat het hen zeer verheugde, dat zij het Christelijk geloof hadden aangenomen, maar hun zeggende, dat hun nog een ding ontbrak, nl. dat zij besneden moeten worden. Al is men nog zo goed onderwezen, is het toch nodig om op zijne hoede te zijn tegen valse leringen.
2. Hun stelling was, dat de Heidenen, die het Christendom aannamen, ook besneden moeten worden naar de wijze van Mozes, waardoor zij zich verplichtten de gehele ceremoniële wet te onderhouden, of anders niet zalig konden worden. Velen van de Joden, die het Christendom omhelsden, bleven toch nog sterk ijveren voor de wet, Hoofdstuk 21:20. Zij wisten, dat zij van God was, en dat haar gezag heilig en onaantastbaar was, zij waardeerden haar om hare hoge oudheid, zij waren opgevoed in het onderhouden er van, en zeer waarschijnlijk hebben zij bij dit onderhouden er van Godvruchtige aandoeningen gehad, zegen van God ondervonden, daarom zijn zij ze ook na hun doop en hun opneming in de Christelijke kerk blijven onderhouden. Zij hielden nog vast aan de onderscheiding der spijzen, namen de ceremoniële reinigingen waar wegens verontreiniging naar de ceremoniële wetten, woonden den tempeldienst bij en vierden de feesten der Joden. Dit alles werd hun oogluikend toegelaten, omdat men zich niet zo terstond van de vooroordelen der opvoeding kan ontdoen, en binnen enkele jaren zal de vergissing voor goed hersteld worden door de verwoesting van den tempel en de algehele ontbinding der Joodse kerk, waardoor de waarneming der Mozaïsche wetten volstrekt onmogelijk zal worden. Maar nu was het hun niet genoeg, dat men hun hierin toegevendheid betoonde, zij wilden dat de bekeerlingen uit de Heidenen onder hetzelfde juk gebracht zouden worden, als waar zij onder gebleven waren. Er is ene vreemde neiging in ons, om onze mening en praktijk ten regel en wet te stellen voor iedereen, allen te beoordelen naar onzen maatstaf, en de slotsom te trekken, dat, omdat wij goed doen, allen verkeerd doen, die niet doen zoals wij. En gelijk deze Joden, die geloofden, dat Christus de Messias was, zich niet konden ontdoen van hun genegenheid voor de wet, zo konden zij zich ook niet losmaken van de denkbeelden, die zij van den Messias hadden opgevat, nl. dat Hij een wereldlijk koninkrijk zou oprichten ten gunste van de Joodse natie, haar groot en overwinnend zou maken, en het was hun ene teleurstelling, dat hiervan nog niets te bespeuren was. Maar nu horen zij, dat de leer van Christus onder de Heidenen aangenomen wordt, dat Zijn koninkrijk onder hen opgericht begint te worden, indien zij nu hen, die Christus hebben aangenomen, slechts kunnen bewegen om ook de wet van Mozes aan te nemen, dan hopen zij hun doel te bereiken, de Joodse natie zal zo groot en aanzienlijk worden, als zij het wensen, al is het dan ook op ene andere wijze, en daarom: "laten de broederen er toe gedrongen worden om zich te laten besnijden en de wet te onderhouden, dan zal met onzen Godsdienst ook onze heerschappij uitgebreid worden, en dan zullen wij binnen kort in staat zijn het Romeinse juk af te werpen, en dat niet alleen, maar het op den hals te leggen van onze naburen, en dus een koninkrijk van den Messias hebben, zoals wij het ons hebben voorgesteld." Het is niet te verwonderen, dat zij, die verkeerde denkbeelden koesteren omtrent het rijk van den Messias, ook verkeerde maatregelen nemen om het te bevorderen, en die in werkelijkheid strekken om het te verderven, zoals dezen hier gedaan hebben. Die strijdvraag nopens het besnijden van proselieten uit de Heidenen bestond reeds vroeger onder de Joden. Als voorbeeld hiervan haalt Dr. Whitby ene plaats aan uit Josephus, Antiquit. lib. 20, cap. 2. "Toen Izates, de zoon van Helena, koningin van Adiabene, den Joodsen Godsdienst omhelsde, verklaarde Ananias, dat hij dit doen kon zonder zich aan de besnijdenis te onderwerpen, maar Eleazar hield staande, dat het ene grote goddeloosheid was onbesneden te blijven." En toen twee voorname Heidenen tot Josephus zijn gevlucht, (zoals hij verhaalt in de geschiedenis van zijn eigen leven) "hebben de ijveraars onder de Joden er op aangedrongen, dat zij besneden zouden worden, maar Josephus ontried hun om er op aan te dringen. Zodanig is ten allen tijde het verschil geweest tussen blinden ijver en gematigdheid. Het is opmerkelijk welk een groten nadruk zij hierop hebben gelegd. Zij zeggen niet slechts: "Gij behoort besneden te worden naar de wijze van Mozes, en het zal dienstbaar zijn aan het koninkrijk van den Messias, indien gij er u aan onderwerpt, en dit zal ook de zaken het best vereffenen tussen u en de bekeerlingen uit de Joden. Het zal ons dus groot genoegen doen, als gij u hierin schikt, en onze omgang met u zal er vrijer door worden, maar "indien gij niet besneden wordt, gij kunt niet zalig worden. Indien gij hierin met ons van gevoelen verschilt en niet doet zoals wij, dan zult gij niet naar den hemel gaan, en dus moet gij natuurlijk naar de hel gaan." Het is iets gans gewoons voor zulke trotse doordrijvers, om anderen hun eigene verzinselen als wet voor te schrijven, en den lieden te zeggen, dat, zo zij niet geloven, wat zij hen willen doen geloven, en niet juist datgene doen, wat zij vinden, dat zij moeten doen, zij niet behouden kunnen worden, dat het volstrekt onmogelijk is, dat zij behouden worden, hun toestand is niet slechts gevaarlijk, maar wanhopig. Aldus zeggen de Joden tot hun broederen, dat zij, tenzij zij tot hun kerk overgaan, in hun gemeenschap komen, de plechtigheden van hun eredienst waarnemen, niet behouden kunnen worden, hoewel zij overigens goed en vroom zijn en in Christus geloven, de behoudenis zelf kan hen niet behouden. Niemand is in Christus, dan zij, die in den schoot der kerk zijn. Wij behoren wel zorgvuldig na te gaan of het woord Gods er ons toe machtigt, eer wij zeggen: "Tenzij gij dit of dat doet, kunt gij niet zalig worden."
II. Het verzet van Paulus en Barnabas tegen deze schismatische denkbeelden, die de zaligheid wilden beperken tot de Joden, nu Christus de deur der zaligheid ook voor de Heidenen had geopend, vers 2. Als er dan geen kleine weerstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas. Zij wilden zich volstrekt niet onderwerpen aan deze leer, maar hebben er openlijk tegen geprotesteerd.
1. Als getrouwe dienstknechten van Christus wilden zij Zijne waarheid niet zien verraden. Zij wisten, dat Christus is gekomen om ons van het juk der ceremoniële wet te bevrijden, en dien middelmuur des afscheidsels weg te nemen tussen Joden en Heidenen, en hen beiden in zich te verenigen, en daarom kunnen zij het niet dragen om te horen van een besnijden der bekeerlingen uit de Heidenen, daar hun instructies luidden hen slechts te dopen. De Joden wilden zich wel verenigen met de Heidenen, dat is: zij wilden, dat dezen zich naar hun wetten en ceremoniën zouden gedragen, dan, maar ook niet eerder, wilden zij hen als broeders erkennen. Daar dit echter niet de wijze is, waarop Christus bedoelde hen te verenigen, kan zij ook niet toegestaan worden.
2. Als geestelijke vaders van de bekeerlingen uit de Heidenen wilden zij hen niet verkort zien in hun vrijheid. Zij hadden hun gezegd, dat zij, indien zij in Jezus Christus geloofden, zalig zouden worden. En als hun nu gezegd werd, dat dit niet genoeg was om hen te behouden, tenzij zij zich ook lieten besnijden en de wet van Mozes wilden houden, dan was dit reeds bij het begin zulk ene ontmoediging voor hen, en zulk een struikelblok op hun weg, dat het hen schier in verzoeking zou brengen om maar weer te keren naar Egypte, en daarom hebben zij er zich tegen verklaard.
III. Het middel, dat aangewend werd, om het kwaad te voorkomen, dat uit deze gevaarlijke denkbeelden zou voortvloeien, en hen tot zwijgen te brengen, die deze denkbeelden trachten te verbreiden, en het geruststellen van het hart des volks met betrekking tot deze dingen. Zij bepaalden, dat Paulus en Barnabas met enige anderen uit hen zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag.
1. Omdat zij, die deze leer voorstonden, van Jeruzalem waren gekomen, en voorgaven, dat zij van de apostelen aldaar instructies hadden ontvangen om aan te dringen op het besnijden van de bekeerlingen uit de Heidenen, was het dus zeer voegzaam, dat over deze zaak naar Jeruzalem gezonden zou worden, om te weten te komen, of de kerk aldaar werkelijk zulke instructies had gegeven. En spoedig kwamen zij dan ook tot de ontdekking, dat zij zich voor hun denkbeelden gans ten onrechte op de apostelen hadden beroepen. Het was waar, dat zij van hen uitgegaan waren, vers 24, maar zij zijn niet van hen uitgegaan met zulke bevelen of instructies.
2. Omdat zij, aan wie deze leer onderwezen was, des te meer bevestigd zouden worden in hun tegenstaan er van, en minder in gevaar zouden zijn van er door geschokt en ontroerd te worden, indien zij er zeker van waren, dat de apostelen en ouderlingen te Jeruzalem (de Christelijke kerk dus, die het meest van alle anderen genegenheid voor de wet van Mozes hadden behouden) er tegen waren, en zo zij slechts dit getuigenis hadden, zou dit het beste middel wezen om deze onruststokers te beschamen en tot zwijgen te brengen, die voorwendden, dat zij op gezag der apostelen handelden.
3. Omdat de apostelen te Jeruzalem het geschiktst waren om geraadpleegd te worden omtrent een punt, dat nog niet geheel vastgesteld was, en daar zij, als apostelen, begiftigd waren met den onfeilbaren Geest, zal hun beslissing zeer waarschijnlijk dienen om dit geschilpunt eens voor goed tot oplossing en klaarheid te brengen. Het was door de list en boosaardigheid van den groten vijand van den vrede der kerk, (gelijk blijkt uit Paulus' herhaalde klachten over deze valse apostelen, bedrieglijke arbeiders, vijanden des kruizes van Christus) dat het deze uitwerking niet gehad heeft.
IV. Hun reis naar Jeruzalem over deze zaak, vers 3. Waarbij wij zien:
1. Hoe zij bij hun vertrek geëerd werden.
Zij werden van de gemeente uitgeleid, hetgeen toen zeer gebruikelijk was, om eerbied te betonen aan mannen, die met zegen arbeidden voor anderen, en hetgeen aanbevolen wordt om het te doen op ene Gode waardige wijze, 3 Johannes 6. Aldus heeft de gemeente hare gunst getoond aan hen, die getuigd hadden tegen dit inbreuk maken op de vrijheid der bekeerlingen uit de Heidenen, en voor die vrijheden op de bres hadden gestaan.
2. Dat zij goed deden op hun reize. Zij waren mannen, die geen tijd wilden verliezen, en daarom hebben zij in het voorbijgaan de gemeenten bezocht. Zij reisden door Fenicië en Samaria, verhalende de bekering der Heidenen, en wat wonderen voorspoed het Evangelie onder hen had, hetgeen allen den broederen grote blijdschap veroorzaakte. De voortgang van het Evangelie is, en behoort te wezen, ene oorzaak van grote blijdschap. Al de broederen, de getrouwe broederen in Christus' huisgezin, verblijden zich als er nieuwe leden van het gezin geboren worden, want dat gezin zal vanwege de menigte der kinderen nooit armer worden. In Christus en in den hemel is er een genoegzaam deel en erve voor allen.
V. Hun hartelijk welkom te Jeruzalem, vers 4.
1. Het goede onthaal, dat zij vonden bij hun vrienden, zij werden ontvangen van de gemeente en de apostelen en de ouderlingen, ontvangen als broeders, en als afgezanten van de gemeente te Antiochië werd hun gehoor verleend. Zij werden ontvangen met alle mogelijke blijken van vriendschap en liefde.
2. Het goede onthaal, dat zij hun vrienden gaven, zij verkondigden wat grote dingen God met hen gedaan had, wat Hij door Zijne genade hen in staat had gesteld te doen, en wat Hij door Zijne genade hun hoorders in staat had gesteld te ontvangen. Toen zij gingen, hebben zij geplant, en toen zij terugkwamen hebben zij nat gemaakt, maar in beide het planten en het nat maken waren zij bereid te erkennen, dat het God was, die den wasdom heeft gegeven. Het is een grote eer om voor God gebruikt te worden, voor Hem te arbeiden, want die dit doen zullen Hem tot een Medearbeider hebben, en dan moet Hij al de eer ontvangen.
VI. Den tegenstand, dien zij te Jeruzalem van dezelfde partij ontmoet hebben, vers 5. Toen Barnabas en Paulus verhaalden van de menigten der Heidenen, en van den groten oogst van zielen, die dáár voor Christus ingezameld was, en toen allen, die hen omringden hun hierop hun blijdschap te kennen gaven, zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeeën, die deze tijdingen zeer koel hebben ontvangen, en, hoewel zij in Christus geloofden, waren zij toch niet tevreden over de toelating dezer bekeerlingen, maar achtten het nodig, dat zij besneden zouden worden. Merk hier op: 1. Dat zij, die het meest bevooroordeeld waren tegen het Evangelie, er toch door gewonnen zijn, zo krachtig was het door God tot neder werping der sterkten. Toen Christus op aarde was, hebben geen, of weinigen, van de oversten en van de Farizeeën in Hem geloofd, maar nu zijn hier dezen van de sekte der Farizeeën, die geloofden, en, naar wij hopen, velen van hen in oprechtheid.
2. Dat het zeer moeilijk is voor de mensen om zich plotseling van hun vooroordelen te ontdoen. Zij, die Farizeeën geweest zijn, hebben, zelfs nadat zij Christenen waren geworden, iets van den ouden zuurdesem behouden. Niet allen, getuige Paulus, maar wèl sommigen, en zij hadden nog zulk een ijver voor de ceremoniële wet, en zulk een afkeer van de Heidenen, dat zij hen niet tot hun gemeenschap konden toelaten, of zij moesten besneden worden, en zich hierdoor verbinden de wet van Mozes te onderhouden. Naar hun mening was dit nodig, en zij voor zich, konden niet met hen omgaan, indien zij er zich niet aan onderwierpen.