Genesis 1:26-28
Wij hebben hier het tweede gedeelte van het werk van de zesde dag, de schepping van de mens, waarvan het voor ons van bijzonder belang is kennis te nemen, opdat wij ons zelf kennen.
Merk op: I. Dat de mens van alle schepselen het laatst geschapen werd, opdat het vermoeden niet zou ontstaan, dat hij op enigerlei wijze, God behulpzaam is geweest bij de schepping van de wereld. Immer zal die vraag verootmoedigend en vernederend voor hem zijn: "Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde," Job 38:4, gij, of iemand van uw soort? Toch was het beide een eer en een gunst voor hem, dat hij het laatst gemaakt was, een eer, want de methode, gevolgd bij de schepping, was voort te gaan van het mindere naar het meerdere, van hetgeen minder volmaakt was, naar hetgeen meer volmaakt was en een gunst, want het voegde niet, dat hij in het voor hem bestemde paleis gehuisvest zou worden, voordat het volkomen in orde was gebracht, gemeubeld en tot zijn ontvangst bereid. De mens had, zodra hij geschapen was, de gehele zichtbare schepping voor zich, beide om haar te beschouwen en om er de geriefelijkheid van te genieten. De mens werd op dezelfde dag geschapen als de dieren, omdat zijn lichaam met het hunne uit dezelfde aarde gemaakt was, en, zolang hij in het lichaam is, bewoont hij met hen dezelfde aarde. God behoede ons er voor, dat wij ons, door aan het lichaam en deszelfs begeerlijkheden toe te geven, de beesten gelijk maken, die vergaan!
II. Dat de schepping van de mens een meer uitnemende en onmiddellijke daad was van de Goddelijke wijsheid en macht dan die van de andere schepselen. Het verhaal er van wordt met enige plechtigheid ingeleid, en met een duidelijk merkbaar verschil van het overige. Tot nu toe was er gezegd: Er zij licht, en: Er zij een uitspansel, of "Dat de aarde, of de wateren dit of dat voortbrengen", maar nu wordt het woord van bevel in een woord van raadpleging verkeerd: "Laat ons mensen maken, om wiens wille de overige schepselen gemaakt zijn dit is een werk, dat wij in onze eigen handen moeten nemen." Te voren spreekt Hij als gezaghebbende, nu spreekt Hij als hebbende liefde, genegenheid, want "Zijn vermakingen zijn met de mensenkinderen," Spreuken 8:31. Het schijnt, dat dit een werk was, waarnaar Hij verlangde, alsof Hij had gezegd: "Daar nu het voorbereidende afgedaan is, zo laat ons nu aan de zaak gaan, Laat ons mensen maken." De mens moest een schepsel wezen, verschillend van alles wat tot nu toe gemaakt was. In hem moeten vlees en geest, de hemel en de aarde te zamen zijn, en aan beide werelden moet hij verwant wezen. En daarom neemt God zelf het niet slechts op zich om hem te maken maar het behaagt Hem zich zó uit te drukken alsof Hij een raad te zamen riep om over het maken van de mens te beraadslagen: Laat ons mensen maken. De drie Personen van de Godheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, beraadslagen er over, en werken er toe mede, omdat de mens, toen hij gemaakt was, toegewijd zou worden aan de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest. In die Naam zijn wij gedoopt, want aan die grote Naam zijn wij ons bestaan verschuldigd. Laten zij de mens regeren, die gezegd hebben: Laat ons mensen maken.
III. Dat de mens gemaakt was naar Gods beeld, en naar Zijn gelijkenis, twee woorden. die dezelfde zaak te kennen geven, maar elkaar versterkende, beeld en gelijkenis dulden het gelijkende beeld aan, de naaste overeenkomst met het voorbeeld boven die van alle andere zichtbare schepselen. De mens was niet gemaakt naar de gelijkenis van enig schepsel, dat vóór hem geschapen was, maar naar de gelijkenis van zijn Schepper, maar toch blijft er tussen God en de mens een oneindige afstand. Christus is het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid, als de Zoon van Zijn Vader, daar Hij met Hem dezelfde natuur heeft. Het is slechts iets van Gods eer dat de mens is meegedeeld, die Gods beeld is, zoals de schaduw in de spiegel, of des konings beeltenis op een muntstuk. Gods beeld in de mens bestaat in deze drie dingen!
1. In zijn natuur en gesteldheid, niet van zijn lichaam, maar van zijn ziel. Maar wèl heeft God aan het lichaam van de mens die ere aangedaan, dat het Woord vlees is geworden, de Zoon van God is bekleed geworden met een lichaam, gelijk het onze, en weldra zal het het onze bekleden met een heerlijkheid gelijk aan de Zijne. En dit kunnen wij veilig zeggen: Dat Hij, door wie God de werelden gemaakt heeft, niet alleen de grote wereld, maar de mens, de kleine wereld, het menselijk lichaam in het eerst gevormd heeft naar het plan, dat Hij beraamd heeft voor zich zelf in de volheid des tijds. Maar het is de ziel, de grote ziel van de mens, die inzonderheid het beeld Gods draagt. De ziel is een geest, een met rede begaafde, onsterfelijke geest, een werkzame, invloed uitoefenende geest, hierin gelijkende naar God, de Vader van de geesten, en de Ziel van de wereld. "De ziel des mensen is een lamp des Heeren." De ziel van de mens, beschouwd ten opzichte van haar drie edele vermogens: verstand, wil en werkzame kracht, is misschien de schoonste, helderste spiegel in de natuur, om er God in te zien.
2. In zijn plaats en gezag. Laat ons mensen maken naar ons beeld, en dat zij heerschappij hebben. Daar hij heerschappij heeft over de mindere schepselen, is hij, als het ware Gods vertegenwoordiger, of onderkoning, op de aarde, zij hebben het vermogen niet om God te vrezen en te dienen, daarom heeft God hen bestemd om de mens te vrezen en te dienen. Maar in zijn heerschappij over zich zelf, door de vrijheid van zijn wil, is meer van Gods beeld dan in zijn heerschappij over de schepselen.
3. In zijn reinheid en rechtheid. Godsbeeld in de mens bestaat in kennis, rechtvaardigheid en ware heiligheid, Efeze 4:24, Colossenzen 3:10. Hij was recht, Prediker 7:29. In al zijn natuurlijke vermogens heerste een gewone eenswillendheid met de wil van God. Met zijn verstand zag hij de dingen Gods helder en juist, en er was geen dwaling of vergissing in zijn kennen. Zijn wil kwam geredelijk en altijd overeen met de wil van God, zonder aarzeling of tegenstand. Zijn genegenheden waren geregeld, hij had geen ongeregelde lusten of hartstochten. Zijn gedachten konden zich gemakkelijk bij de beste onderwerpen bepalen, en er was geen ijdelheid of ontembaarheid in. Al de mindere vermogens waren onderworpen aan de voorschriften en aanwijzingen van de hogere, zonder opstand of muiterij. Zó heilig, zó gelukkig waren onze eerste ouders door dat het beeld Gods in hen was. En deze ere, die in den beginne op de mens gelegd was, is een goede reden, waarom wij geen kwaad van elkaar moeten spreken, Jakobus 3:9, noch elkaar kwaad moeten doen, Genesis 9:6, en een goede reden waarom wij ons niet moeten verlagen tot de dienst van de zonde, en waarom wij ons moeten toewijden aan de dienst van God. Maar hoe zijt gij gevallen, o Morgenster! Hoe is dit beeld van God in de mens geschonden! Hoe klein zijn de overblijfselen er van, en hoe groot is het verderf er van! Moge de Heere het door Zijn heiligende genade vernieuwen in onze ziel!
IV. Dat de mens geschapen was man en vrouw, en gezegend werd met vruchtbaarheid en vermeerdering. God zei: Laat ons mensen maken, en onmiddellijk volgt hier op: en God schiep de mens, Hij volbracht wat Hij zich voorgenomen had. Bij ons zijn zeggen en doen twee dingen, maar dat zijn zij niet bij God, Hij schiep ze man en vrouw, Adam en Eva, eerst Adam uit de aarde, daarna Eva uit Adams ribbe, Hoofdstuk 2. Het schijnt, dat God bij de andere schepselen vele paren gemaakt heeft, maar wat betreft de mens: "heeft Hij niet maar een gemaakt?" Maleachi 2:15, "hoewel Hij des geestes overig had", waaraan Christus een argument ontleent tegen de echtscheiding, Mattheus 19:4, 5. Onze eerste vader Adam was beperkt tot een vrouw, en indien hij haar had verlaten, zou er geen andere geweest zijn, die hij had kunnen huwen, hetgeen duidelijk te kennen gaf, dat de huwelijksband niet willekeurig ontbonden mag worden. De engelen zijn niet man en vrouw geschapen, want zij moesten hun geslacht niet voortplanten, Lukas 20:34-36, maar de mens was dit wèl, opdat zijn geslacht voortgeplant en bestendigd zou worden. Vuren en kaarsen, de lichten van deze lagere wereld, hebben, omdat zij verteerd worden en uitgaan, het vermogen om andere te ontsteken maar zo is het niet met de lichten des hemels, de sterren ontsteken geen sterren. God heeft slechts een man en een vrouw geschapen, opdat alle geslachten van de mensen zullen weten dat zij uit een bloede gemaakt zijn, uit een stam zijn voortgekomen, en hierdoor bewogen zullen worden om elkaar lief te hebben. God hun het vermogen gegeven hebbende, om de natuur, die zij hadden ontvangen, over te brengen, voort te planten, zei tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde. Hier gaf Hij hun:
1. Een groot erfdeel. Vervult de aarde, dit is het, dat aan de kinderen van de mensen geschonken is. Zij zijn gemaakt, "om op de gehele aardbodem te wonen," Handelingen 17:26. Dat is de plaats, waar God de mens gesteld heeft om de dienstknecht te wezen van Zijn voorzienigheid in zijn heerschappij over de lagere schepselen, de ontvanger te zijn van Gods milddadigheid, waarvan andere schepselen leven, maar het niet weten, om in deze lagere wereld de inzamelaar te wezen van Zijn lof en die in de schatkist hier Boven te storten, Psalm 145:10, en eindelijk om hier een proeftijd door te brengen voor zijn toelating in een betere staat.
2. Een talrijk en duurzaam geslacht, om van dit erfdeel te genieten, een zegen over hen uitsprekende, in de kracht waarvan hun nageslacht zich zal uitbreiden tot de uiterste einden van de aarde, en tot aan de uiterste grens van de tijd zou voortduren. Vruchtbaarheid en toeneming hangen af van de zegen Gods. Obed-Edom had acht zonen, want God had hem gezegend, 1 Kronieken 26:5. Aan deze zegen, die God in den beginne gebood, is het te danken, dat het geslacht van de mensen nog in wezen is, en dat "het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt."
V. Dat God de mens, toen Hij hem gemaakt had, heerschappij heeft gegeven over de mindere schepselen, over de vissen van de zee, en over het gevogelte des hemels. Hoewel de mens in de behoefte van geen van beide voorziet, heeft hij toch over beide macht, en nog veel meer over al het gedierte dat op de aarde kruipt, dat meer onder zijn zorg en onder zijn bereik is. God bedoelde hiermede de mens te eren, opdat hij zich hierdoor zoveel sterker gedrongen zal gevoelen om zijn Maker te eren. Deze heerschappij is door de val des mensen zeer verminderd, maar toch laat Gods voorzienigheid er nog zo veel van overblijven voor de kinderen van de mensen als nodig is voor de veiligheid en het onderhoud van hun leven, en Gods genade heeft aan de heiligen een nieuw en beter recht gegeven op het schepsel dan dat, hetwelk hij door de zonde heeft verloren, want alles is het onze, zo wij van Christus zijn, 1 Corinthiërs 3:22.